3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) Unilever heeft op 9 juni 1999 ongeveer 211.500.000 cumulatief preferente aandelen met een nominale waarde van ƒ 0,10 en een rekenwaarde van ƒ 14,50 (hierna: de preferente aandelen) geplaatst. Deze aandelen werden op de Amsterdamse beurs verhandeld.
(ii) De emissie geschiedde in het kader van een dividenduitkering van Unilever. Aandeelhouders van Unilever kregen de keuze tussen een contant dividend van ƒ 14,50 per aandeel of een preferent aandeel.
(iii) Op grond van de statuten kon de raad van bestuur na verloop van vijf jaar na de eerste uitgifte besluiten tot conversie van preferente aandelen in – kort gezegd – gewone aandelen, gevolgd door intrekking van de preferente aandelen onder terugbetaling van de dan geldende (vanwege de conversie verminderde) rekenwaarde. De formule kwam erop neer dat bij de koers van een gewoon aandeel ten tijde van de conversie van € 73,18 of hoger, voor elk preferent aandeel voor een waarde van € 6,58 (ƒ14,50) gewone aandelen verkregen werd, en als die koers lager lag voor een lagere waarde.
(iv) Op 24 maart 2004 heeft Unilever haar voornemen aangekondigd om in het eerste kwartaal van 2005 de preferente aandelen te converteren en in te trekken. Hierop volgde een forse koersdaling van de preferente aandelen.
(v) Op 15 februari 2005 heeft de conversie plaatsgevonden. Voor elk preferent aandeel werd voor een waarde van € 4,55 aan gewone aandelen ontvangen. De resterende rekenwaarde bedroeg € 0,05. De conversiewaarde en resterende rekenwaarde bedroegen dus tezamen € 4,60; dat is € 1,98 minder dan de oorspronkelijke rekenwaarde.
(vi) Clay Hill c.s. hebben kort voor de conversie en daarna, preferente aandelen verkregen.
(vii) Unilever heeft de preferente aandelen op 13 juli 2005 ingetrokken onder betaling van € 0,05 per preferent aandeel.
3.2.1
In deze procedure vorderen Clay Hill c.s., kort gezegd, veroordeling van Unilever tot betaling van € 1,98 per door hen verworven preferent aandeel, alsmede een verklaring voor recht dat Unilever jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. Zij leggen daaraan ten grondslag dat Unilever niet heeft voldaan aan haar verplichting jegens de houders van preferente aandelen om die aandelen na vijf jaar terug te kopen tegen € 6,58, en dat Unilever onrechtmatig heeft gehandeld door beleggers, onder wie Clay Hill c.s., onjuist en onvolledig te informeren.
3.2.2
De rechtbank heeft de vorderingen van Clay Hill c.s. afgewezen. Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof, kort samengevat, als volgt.
Om een terugkoopverplichting van Unilever te kunnen aannemen is in beginsel vereist dat deze uit de statuten blijkt; dit volgt uit de ingevolge de wet vereiste openbaarheid van inrichting (rov. 2.11). De gestelde terugkoopverplichting staat niet in de statuten vermeld, terwijl de bewoordingen van de statuten geen aanknopingspunt bieden voor een interpretatie dat op Unilever een terugkoopverplichting rustte (rov. 2.12). Ook uit de door Clay Hill c.s. gestelde uitlatingen en gedragingen van de zijde van Unilever volgt niet dat op Unilever een verplichting tot inkoop van de preferente aandelen is komen te rusten (rov. 2.13–2.20).
Onder omstandigheden kan een schadevergoedingsverplichting worden aangenomen op de grond dat houders van preferente aandelen erop hebben mogen vertrouwen dat Unilever tot terugkoop zou overgaan. Toen Clay Hill c.s. de preferente aandelen kochten, was reeds bekend dat Unilever niet tot terugkoop zou overgaan en was de koers reeds gedaald. Daarom heeft bij hen niet het bedoelde vertrouwen kunnen bestaan en hebben zij niet de gestelde schade geleden. (rov. 2.21) De opvatting dat het recht op schadevergoeding aan de kwaliteit van preferent aandeelhouder verbonden was, vindt geen steun in het recht (rov. 2.22). Clay Hill c.s. hebben derhalve geen recht op schadevergoeding wegens het gestelde beschaamd vertrouwen (rov. 2.23).
3.3.1
Onderdeel I.a is gericht tegen rov. 2.11, waarin het hof overweegt dat een terugkoopverplichting met betrekking tot aandelen in beginsel uit de statuten moet blijken. Deze overweging getuigt volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat niet is vereist dat een terugkoopverplichting volgt uit de statuten, maar deze ook kan volgen uit andere verklaringen of gedragingen jegens aandeelhouders.
3.3.2
Ter bescherming van schuldeisers is de verkrijging van eigen aandelen door de NV in de art. 2:98, 2:98a en 2:98b BW aan beperkingen onderworpen. Zo mag de NV aandelen in haar kapitaal in beginsel alleen dan anders dan om niet verkrijgen, indien en voor zover daartoe voldoende vrij uitkeerbare reserves aanwezig zijn en indien en voor zover de algemene vergadering het bestuur daartoe in overeenstemming met het bepaalde in art. 2:98 lid 4 BW heeft gemachtigd. Indien aandelen van de NV zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, zoals in het geval van Unilever, geldt deze machtiging voor ten hoogste achttien maanden.
Weliswaar kunnen de statuten de verkrijging door de NV van eigen aandelen uitsluiten of beperken, maar de wet bepaalt niet dat een verplichting van de NV tot inkoop van aandelen (in beginsel) een statutaire grondslag behoeft. Evenmin vloeit dit uit de wet voort. Voor zover het onderdeel hierover klaagt, is het gegrond.
3.3.3
Het onderdeel kan evenwel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het hof heeft in rov. 2.13–2.20 geoordeeld dat op Unilever, ook afgezien van het ontbreken van een daartoe strekkende statutaire bepaling, geen verplichting is komen te rusten tot inkoop van de preferente aandelen. De hiertegen gerichte klachten, alsook de overige klachten van het middel, worden vruchteloos voorgedragen. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.4
Nu het principale beroep faalt, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld, zodat het geen behandeling behoeft.