Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie heeft het in artikel 9 van BTW-richtlijn 2006 gedefinieerde begrip ‘economische activiteiten’ een ruime werkingssfeer, alsook een objectief karakter, in die zin dat de activiteit op zichzelf moet worden beschouwd, zonder acht te slaan op het oogmerk of het resultaat van de activiteit. Een activiteit wordt aldus in de regel als economisch beschouwd wanneer zij permanent wordt verricht en de verrichter daarvoor een vergoeding ontvangt.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt voorts dat indien een zaak naar haar aard zowel voor economische doeleinden als voor privédoeleinden kan worden gebruikt, alle exploitatieomstandigheden moeten worden onderzocht, teneinde uit te maken of deze werkelijk wordt gebruikt voor economische exploitatie, dat wil zeggen om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen (zie het hiervoor in 3.2 vermelde arrest Enkler, punt 27, HvJ 19 juli 2012, Ainārs Rēdlihs, C-263/11, ECLI:EU:C:2012:497, V-N 2012/51.19, punt 34, en HvJ 20 juni 2013, Thomas Fuchs, C-219/12, ECLI:EU:C:2013:413, V-N 2013/31.15, punt 20). In dit verband wordt mede verwezen naar hetgeen is overwogen in de arresten van de Hoge Raad van 4 oktober 2013, nr. 12/02177, ECLI:NL:HR:2013:782, BNB 2013/242, en nr. 12/03696, ECLI:NL:HR:2013:783, BNB 2013/243.