16 oktober 1987
Eerste Kamer
Nr. 13.253
AT
Hoge Raad der Nederlanden
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. R.D. Vriesendorp,
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie — verder te noemen [verweerster] — heeft bij exploot van 16 augustus 1984 eiseres tot cassatie — verder te noemen [eiseres] — gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd dat de Rechtbank [eiseres] zal veroordelen om tegen deugdelijk bewijs van kwijting aan [verweerster] te betalen de som van ƒ. 100.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der inleidende dagvaarding tot die der voldoening.
Nadat [eiseres] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 14 februari 1986 — alvorens verder te beslissen — een comparitie van partijen gelast ten einde de litigieuze bandopname te horen.
Tegen dit tussenvonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 26 juni 1986 heeft het Hof het tussenvonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de waarnemend-Advocaat-Generaal Asser strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In dit geding vordert [verweerster], groothandelaar in diamanten, van [eiseres] een schadevergoeding van ƒ. 100.000,-- ter zake van door [eiseres] als haar assurantietussenpersoon gepleegde wanprestatie. Aan die vordering heeft [verweerster], voor zover thans van belang en kort samengevat, ten grondslag gelegd: dat zij door bemiddeling van [eiseres] sedert 17 april 1981 onder meer zendingen van juwelen binnen Europa had verzekerd tot ƒ. 100.000,-- per zending; dat zij in augustus 1982 [eiseres] telefonisch heeft opgedragen dit bedrag met onmiddellijke ingang te verhogen tot ƒ. 200.000,--; dat [eiseres] heeft verzuimd deze opdracht uit te voeren; dat dientengevolge, toen een in december 1982 door haar ter post bezorgde diamant ter waarde van ƒ. 229.140,-- verloren ging, assuradeuren haar slechts ƒ. 100.000,-- hebben uitgekeerd.
[eiseres] heeft primair ontkend van [verweerster] voormelde opdracht te hebben ontvangen. Daarop heeft [verweerster] gesteld dat haar directeur op 1 november 1983 met de directeur van [eiseres] een telefoongesprek heeft gevoerd waarin hij hem heeft gevraagd hoe hij stond tegenover de bewering van de namens [eiseres] optredende advocaat volgens welke de directeur van [eiseres] zich van een opdracht als voormeld niets kon herinneren. De directeur van [eiseres] zou daarop hebben erkend die opdracht te hebben ontvangen, alsmede dat te zijnen kantore was verzuimd deze door te geven aan assuradeuren. Van dit telefoongesprek is, zo stelt [verweerster], een bandopname gemaakt.
[eiseres] heeft haar ontkenning gehandhaafd en opgeworpen dat, nu haar directeur niet tevoren was medegedeeld dat het telefoongesprek op de band werd vastgelegd, in deze procedure van de band geen gebruik gemaakt mag worden.
De Rechtbank heeft overwogen dat zij ‘’alvorens verder te beslissen’’ deze bandopname wenst te horen, en heeft daartoe een comparitie van partijen gelast. In zijn bestreden arrest heeft het Hof deze uitspraak bekrachtigd.
3.2 's Hofs beslissing steunt daarop dat het Hof niet als juist heeft aanvaard de door [eiseres] in appel aangedrongen stelling dat aan de litigieuze bandopname geen enkel bewijs mag worden ontleend daar dit bewijs, nu die bandopname zonder toestemming en/of medeweten van haar directeur is gemaakt, moet worden beschouwd als onrechtmatig verkregen.
3.3.1 De primaire klacht van onderdeel A (1) strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat ‘’het zonder toestemming en/of medeweten van de gesprekspartner vastleggen van het betreffende gesprek op geluidsband’’ onder alle omstandigheden inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De aan dit betoog ten grondslag gelegde stelling kan evenwel in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard.
3.3.2 Om te beginnen valt erop te wijzen dat, nu in art. 21 Auteurswet ligt besloten dat het menselijk gelaat niet een zo intiem deel van de persoonlijkheid is dat ongeautoriseerde vastlegging (en openbaarmaking) daarvan onder alle omstandigheden ongeoorloofd is, bezwaarlijk valt aan te nemen dat zulks wel geldt ten aanzien van de menselijke stem.
Voor de beantwoording van de vraag of het zonder toestemming van de gesprekspartner op een geluidsband vastleggen van een telefoongesprek inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, dat ook werking heeft tussen burgers onderling, is voorts van belang dat men bij de totstandkoming van de wet van 7 april 1971, houdende enige strafbepalingen tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, blijkens de in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 5.11 geciteerde passages uit de parlementaire stukken, ervan is uitgegaan dat vastleggen van een telefoongesprek als hierbedoeld niet valt aan te merken als inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Weliswaar is dit enigszins te sterk uitgedrukt in het licht van de parlementaire geschiedenis van het later tot stand gekomen art. 10 GW, waarbij is opgemerkt: ‘’Bepaalde vormen van communicatie, zoals het telefoongesprek en de briefwisseling, plegen tot de privésfeer te worden gerekend en genieten eveneens een zekere rechtsbescherming’’ (Bijl. Hand. II, 1975–1976, 13 872, nrs. 1–5, p. 40). Doch dit kan niet los worden gezien van het grote gewicht dat t.a.p. op p. 41 wordt toegekend aan ‘’de aard en de mate van intimiteit’’ van hetgeen waarop het waarnemen, vastleggen of openbaren betrekking heeft. Een en ander rechtvaardigt de slotsom dat het enkele zonder toestemming van de gesprekspartner op een geluidsband vastleggen van een telefoongesprek nog geen inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer oplevert, maar dat daarvoor bijkomende omstandigheden vereist zijn.
3.3.3 Onder welke bijkomende omstandigheden het zonder toestemming van de gesprekspartner op een geluidsband vastleggen inbreuk oplevert op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die gesprekspartner, kan in het midden blijven: te dezen is van zodanige inbreuk immers in elk geval geen sprake, aangezien hetgeen dienaangaande over en weer is gesteld geen andere conclusie toelaat dan het hier betrof een in het zakelijk verkeer tussen twee directeuren van bedrijven gevoerd telefoongesprek met een geheel zakelijke inhoud.
De subsidiaire klacht van onderdeel A (1), volgens welke het vastleggen van het betreffende gesprek onder de bijzondere omstandigheden van het geval een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer vormt, faalt derhalve.
3.3.4 Ook overigens is in dit stadium van het geding geen aanleiding het vastleggen van het onderhavige telefoongesprek onrechtmatig te oordelen. In de door [verweerster] gestelde omstandigheden kan niet worden gezegd dat haar directeur jegens zijn gesprekspartner, die hij wenste te onderhouden over het loochenen van een eerder telefoongesprek, onoirbaar handelde door het onderhavige telefoongesprek zonder diens voorkennis vast te leggen.
3.4.1 Onderdeel A (2) strekt ten betoge dat openbaarmaking van een bandopname waarop zonder toestemming en/of medeweten van de gesprekspartner een telefoongesprek is vastgelegd, ‘’te allen tijde, althans in de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval’’ inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die gesprekspartner.
3.4.2 Bij de beoordeling van dit betoog dient voorop te worden gesteld dat te dezen van geen andere openbaarmaking sprake is dan openbaarmaking aan de rechter in een civiel rechtsgeding. En voorts dat het hier, naar uit het onder 3.3 overwogene volgt, gaat om openbaarmaking van een als zodanig rechtens niet geoorloofde vastlegging.
3.4.3 Wat de grenzen van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer betreft moet met de Memorie van Toelichting op de wetsbepaling die heeft geleid tot art. 10 GW worden aangenomen dat in sommige gevallen ‘’niet de vastlegging maar slechts de publicatie van het geregistreerde ongeoorloofd is’’. Op zichzelf is dus denkbaar dat vastlegging van een telefoongesprek niet, openbaarmaking van die vastlegging echter wel inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Zoals in die Memorie — in overeenstemming met wat elders aangenomen wordt — is aangegeven, zal echter de ‘’aard en de mate van intimiteit van hetgeen omtrent een ander’’ wordt vastgelegd of geopenbaard ‘’hierbij van groot gewicht’’ zijn. Tegen deze achtergrond en mede gelet op het onder 3.3.2 overwogene kan in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard de stelling dat openbaarmaking van een (als zodanig rechtens niet ongeoorloofde) vastlegging van een telefoongesprek die heeft plaatsgevonden zonder toestemming en/of medeweten van de gesprekspartner, ‘’te allen tijde’’ inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
3.4.3 Openbaarmaking van de onderwerpelijke vastlegging aan de rechter in een civiel rechtsgeding maakt geen inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en is evenmin uit anderen hoofde onrechtmatig. Onderdeel A (2) faalt derhalve en daaruit volgt dat ook onderdeel A (3) dat ervan uitgaat dat een van de eerdere onderdelen slaagt, niet tot cassatie kan leiden.
3.5 Het vorenoverwogene brengt mee dat 's Hofs hiervoor onder 3.2 weergegeven oordeel juist is. [eiseres] mist daarom belang bij de in onderdeel B geformuleerde motiveringsklacht.
Opmerking verdient nog dat verwerping van de stelling ‘’dat aan de onderwerpelijke bandopname geen enkel bewijs mag worden ontleend’’, niet zonder meer meebrengt dat de vraag of te dezen aan die band bewijs kan worden ontleend, bevestigend moet worden beantwoord: gezien de aan geluidsbanden eigen bezwaren zal die vraag, waaromtrent de Rechtbank zich nog niet heeft uitgelaten, nog onder ogen moeten worden gezien met inachtneming van de behoedzaamheid welke met name bij de waardering van de overtuigende kracht van dit soort bewijsmiddelen past.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ. 456,30 aan verschotten en ƒ. 2.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de president Ras als voorzitter en de raadsheren Martens, De Groot, Roelvink en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 16 oktober 1987.