1 Get Moving B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. Bosch Transport B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als Get Moving c.s. en ieder afzonderlijk als Get Moving en Bosch Transport,
advocaat: mr. C.C. Hofman te Haarlem,
DPD (Nederland) B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als DPD,
advocaat: mr. M. Kalkwiek te Utrecht,
op het bij exploot van dagvaarding van 15 maart 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 2 februari 2022, gewezen tussen Get Moving c.s. als eiseressen en DPD als gedaagde.
3 De beoordeling
3.1.
Get Moving c.s. exploiteren ieder een transportbedrijf gericht op pakketbezorging aan huis. DPD voert een expeditiebedrijf.
3.2.
Get Moving is in 2008 in opdracht van DPD pakketten gaan vervoeren. Bosch
Transport is vanaf 2011 pakketten voor DPD gaan vervoeren.
3.3.
In dat kader zijn er tussen DPD en Get Moving c.s. diverse raamovereenkomsten gesloten. De laatste overeenkomst tussen DPD en Bosch Transport is op 19 december 2012 ondertekend en in werking getreden. De laatste overeenkomst tussen DPD en Get Moving is op 1 januari 2013 ondertekend en in werking getreden. Beide overeenkomsten “tot vervoer van pakketten” hebben dezelfde inhoud.
3.4.
In de overeenkomsten is onder meer het volgende bepaald:
“
Artikel 27 Inwerkingtreding en duur van de Overeenkomst
(…) 27.2. De Overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van één jaar en wordt daaropvolgend telkens stilzwijgend verlengd voor de duur van telkens één jaar.
27.3.
Zowel de Expediteur als de Ondernemer kan de Overeenkomst opzeggen. Opzegging dient schriftelijk te geschieden tegen het einde van de maand en met een opzegtermijn van één maand.”
3.5.
Op 28 november 2018 heeft DPD telefonisch aan Get Moving c.s. medegedeeld dat
de overeenkomsten worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van een maand. Bij e-mailberichten van 28 en 30 november 2018 (met brieven van 29 november 2018) heeft DPD de opzegging tegen 1 januari 2019 bevestigd.
3.6.
Ondanks e-mailcorrespondentie, waarin Get Moving c.s. aan DPD hebben verzocht het besluit tot opzegging te herzien, heeft DPD volhard bij dit besluit. Op 31 december 2018 heeft DPD aan Get Moving c.s. de laatste opdrachten verstrekt.
3.7.
Get Moving c.s. hebben DPD daarop gedagvaard in kort geding. Get Moving c.s. hebben in kort geding primair gevorderd de opzegging ongedaan te maken en DPD te veroordelen de overeenkomsten na te komen. Subsidiair hebben zij gevorderd aan de opzegging een langere opzegtermijn te verbinden en meer subsidiair hebben zij gevorderd DPD te veroordelen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding.
3.8.
Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
’s-Hertogenbosch, van 28 februari 2019, heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van
Get Moving c.s., gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 leden 1 en 2 BW),
afgewezen, met veroordeling van Get Moving c.s. in de proceskosten.
3.9.
Get Moving heeft gevorderd DPD te veroordelen tot het betalen van
schadevergoeding ten bedrage van:
i. € 111.155,44 voor loonkosten;
ii. € 67.237,06 voor ontslagvergoedingen;
iii. € 57.535,50 voor opzegging huurovereenkomsten bestelbussen;
iv. € 39.600,00 voor wervingskosten chauffeurs;
v. € 4.839,75 voor mobiele telefoonkosten;
vi. € 14.265,00 voor loonkosten van de directeur van Get Moving;
de bedragen onder i. tot en met vi. te vermeerderen met de wettelijke handelsrente; alsook DPD te veroordelen te betalen vii. € 3.050,86 aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.10.
Bosch Transport heeft gevorderd DPD te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding ten bedrage van:
viii. € 72.379,59 voor loonkosten;
ix. € 29.261,09 voor ontslagvergoedingen;
x. € 33.759,00 voor opzegging huurovereenkomsten bestelbussen;
xi. € 4.839,75 voor mobiele telefoonkosten;
xii. € 4.635,00 voor loonkosten van - zo begrijpt het hof - de directeur van Bosch Transport;
de bedragen onder viii. tot en met xii. te vermeerderen met de wettelijke handelsrente; alsook DPD te veroordelen te betalen xiii. € 2.223,74 aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.11.
Get Moving c.s. hebben verder gevorderd DPD te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.
3.12.
DPD heeft verweer gevoerd.
3.13.
Bij tussenvonnis van 21 oktober 2020 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling bevolen. Bij het bestreden eindvonnis van 2 februari 2022 heeft de rechtbank de vorderingen van Get Moving c.s., gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 leden 1 en 2 BW), afgewezen, met veroordeling van Get Moving c.s. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep
3.14.
Get Moving c.s. handhaven hun vorderingen uit de eerste aanleg, zoals hiervoor onder 3.9 en 3.10 weergegeven. Dit met dien verstande dat Get Moving c.s. hun eis verminderen in die zin dat zij in hoger beroep wettelijke rente vorderen over de gevorderde schadevergoeding in plaats van de in eerste aanleg gevorderde wettelijke handelsrente over deze bedragen. Verder vorderen Get Moving c.s. DPD te veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.15.
DPD heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van DPD namens DPD het incidenteel hoger beroep ingetrokken.
voorts in principaal hoger beroep
3.16.
Get Moving c.s. hebben zeven grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis.
Zij beroepen zich, kort weergegeven, met deze grieven op de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 leden 1 en 2 BW). De grieven stellen de toewijzing van de vorderingen in hoger beroep opnieuw aan de orde. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.17.
Primair stellen Get Moving c.s. zich op het standpunt dat aan de opzegging op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) nadere eisen gesteld hadden moeten worden, in die zin dat aan de opzegging een langere opzeggingstermijn verbonden had moeten worden. De tekortkoming in de wijze van opzeggen vertaalt zich volgens Get Moving c.s. in de verplichting tot het voldoen van schadevergoeding door DPD. Subsidiair nemen Get Moving c.s. het standpunt in dat de opzegging naar maatstaven van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) onaanvaardbaar was. Ook dit verplicht DPD volgens Get Moving c.s. tot betaling van de daardoor ontstane schade.
duurovereenkomsten, opzegging, redelijkheid en billijkheid
3.18.
Vast staat dat tussen partijen meerdere jaren, vanaf 2008 (Get Moving) respectievelijk 2011 (Bosch Transport), een contractuele relatie heeft bestaan op grond waarvan Get Moving c.s. in opdracht van DPD pakketten rondbrachten. De laatste in dat kader tussen DPD en Bosch Transport gesloten overeenkomst dateert van 19 december 2012. De laatste in dat kader tussen DPD en Get Moving gesloten overeenkomst dateert van 1 januari 2013. In de overeenkomsten is bepaald dat de overeenkomsten worden “aangegaan voor de duur van één jaar en (…) daaropvolgend telkens stilzwijgend” worden “verlengd voor de duur van telkens één jaar”. Verder is in de overeenkomsten een opzegregeling opgenomen, die inhoudt dat zowel DPD als Get Moving c.s. de overeenkomsten kunnen opzeggen en wel schriftelijk “tegen het einde van de maand en met een opzegtermijn van één maand”. Niet in geschil is dat de overeenkomsten telkens zijn voortgezet en dat de contractuele relatie tussen partijen per 1 januari 2019 is geëindigd door opzegging eind november 2018 door DPD.
Onder die omstandigheden ligt het in de rede de contractuele relatie tussen partijen aan te merken als duurovereenkomsten. Het hof is van oordeel dat partijen dat, gezien de wijze waarop zij uitvoering gaven aan de overeenkomsten, kennelijk ook zo hebben bedoeld.
3.19.
Get Moving c.s. maken in verband met de opzegging op grond van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 leden 1 en 2 BW) aanspraak op betaling van schadevergoeding als hiervoor weergegeven.
Anders dan DPD betoogt, hebben Get Moving c.s. hiermee naar het oordeel van het hof de grondslag voor hun vorderingen voldoende duidelijk en consistent gesteld en hebben zij hiermee hun vorderingen voldoende duidelijk en consistent toegelicht. Uit het verweer van DPD maakt het hof op dat DPD de vorderingen van Get Moving c.s. en de toelichting daarop correct heeft begrepen.
juridisch kader opzegging
3.20.
In zijn arrest van 2 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ Group)) heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar zijn arrest van 10 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1134 (Alcatel-Lucent)), de regels inzake de al dan niet opzegbaarheid van duurovereenkomsten uiteengezet. Voor zover in de onderhavige zaak van belang, heeft het volgende te gelden. Als een duurovereenkomst voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van de redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van artikel 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat de opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat, een bepaalde opzegtermijn in acht wordt genomen of dat de opzegging gepaard gaat met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Een beroep op een uit een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan op grond van artikel 6:248 lid 2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
3.21.
In zoverre fungeren de redelijkheid en billijkheid als correctiemechanisme op het beginsel van de contractsvrijheid.
artikel 6:248 lid 1 BW - ruimte
3.22.
Voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 6:248 lid 1 BW is plaats indien een overeenkomst ter zake van een bepaald onderwerp, zoals in dit geval: de contractuele opzeggingsregeling, een leemte bevat. Of de overeenkomst een leemte bevat, moet worden bepaald door uitleg van de overeenkomst.
3.23.
Uit de in de overeenkomsten opgenomen opzeggingsregeling volgt niet onder welke omstandigheden de overeenkomsten opgezegd mogen worden. Aan de opzegging zijn geen eisen gesteld, anders dan dat opzegging schriftelijk moet geschieden en met inachtneming van een opzegtermijn van een maand.
3.24.
Vast staat dat de omvang van de samenwerking tussen partijen in de loop der tijd is uitgebreid. Get Moving c.s. hebben onweersproken gesteld dat zij aanvankelijk vier touren (postcodegebieden waarin pakketten worden bezorgd) voor DPD reden, dat zij eind 2012 achttien touren voor DPD reden, dat zij medio 2016 vierenveertig touren (met ongeveer 55 chauffeurs en 48 bestelbussen) voor DPD reden en dat zij aan het eind van de samenwerking dertig touren (met ongeveer 44 chauffeurs en 33 bestelbussen) voor DPD reden.
3.25.
Gelet op deze substantiële uitbreiding van de samenwerking sinds het begin van de samenwerking in 2008 respectievelijk 2011, had het naar het oordeel van het hof op de weg van partijen gelegen om de overeenkomsten tegen het licht te houden en zo nodig aan te passen aan de veranderde omstandigheden. Aanpassing van de opzegregeling aan de zich sinds het begin van de samenwerking veranderde omstandigheden had daarom in de rede gelegen en in zoverre is dus sprake van een leemte in de overeenkomsten. Niet gebleken is dat partijen de veranderde omstandigheden bewust niet hebben meegenomen in de overeenkomsten. Het komt het hof voor dat partijen eenvoudigweg niet onder ogen hebben gezien dat de opzegregeling aanpassing behoefde vanwege de veranderde omstandigheden.
Niet alleen Get Moving c.s. stellen zich op het standpunt dat - zeker gezien de intensivering van de samenwerking - opzegging met inachtneming van een termijn van één maand hen schade heeft berokkend. Ook DPD heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de opzegging bij haar voor problemen zorgde, omdat DPD niet alle touren op een dergelijke korte termijn bij een ander transportbedrijf kon onderbrengen en zij gebruik heeft moeten maken van (dure) koeriersdiensten. Dat onderstreept het belang van een aan de intussen sterk veranderde omstandigheden aangepaste uitleg van de overeenkomsten op het punt van de opzegregeling. De grondslag daarvoor vindt het hof in de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Daartoe zijn de volgende feiten en omstandigheden redengevend:
artikel 6:248 lid 1 BW - feiten en omstandigheden
a. duur contractuele relatie
3.26.
Vast staat dat Get Moving in 2008 in opdracht van DPD pakketten is gaan vervoeren en dat Bosch Transport vanaf 2011 pakketten voor DPD is gaan vervoeren. Dit betekent dat de samenwerking tussen DPD en Get Moving elf jaar heeft geduurd en dat DPD en Bosch Transport acht jaar hebben samengewerkt.
3.27.
Vast staat ook dat de samenwerking tussen partijen in de loop der jaren sterk is geïntensiveerd als hiervoor onder 3.24 weergegeven.
3.28.
Volgens Get Moving c.s. waren Get Moving en Bosch Transport voor ongeveer 90% respectievelijk ongeveer 25% van hun omzet afhankelijk van de opdrachten van DPD en was DPD hiervan op de hoogte. DPD betwist zowel de gestelde percentages als ook haar bekendheid met deze mate van afhankelijkheid, maar op zichzelf staat als niet voldoende gemotiveerd bestreden vast dat er een zekere mate van afhankelijkheid was bij Get Moving c.s. van de opdrachten die zij kregen van DPD, en de in de loop van de jaren sterk uitgebreide touren duiden daarop ook. Hoe groot die afhankelijkheid precies was, kan dan in het midden blijven. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft DPD aangevoerd dat zij wist dat de houdstermaatschappij van de groep waarvan Get Moving c.s. deel uitmaken voor ongeveer 25 à 30% van de opdrachten van DPD afhankelijk was.
3.29.
De omstandigheden dat DPD aan Get Moving c.s. alle vrijheid heeft gelaten om ook voor andere partijen te werken, dat DPD nooit enige volumegarantie heeft gegeven, dat Get Moving c.s. de afhankelijkheid zelf hebben laten ontstaan, dat Get Moving c.s. ook zelf gebruik hebben gemaakt van de door de overeenkomsten geboden vrijheid om te onderhandelen over tarieven en touren en touren af te stoten en dat ook DPD in die zin van Get Moving c.s. afhankelijk was, doen niet af aan het bestaan van een afhankelijkheid en de wetenschap daarvan bij DPD zoals hiervoor besproken. Ook de omstandigheid dat een deel van de chauffeurs werd ingeleend van een zustervennootschap van Get Moving c.s. en dat de bestelbussen werden gehuurd van een aan de directie van Get Moving gelieerde vennootschap, doen niet af aan het bestaan van de afhankelijkheid en de wetenschap daarvan bij DPD.
d. verwachtingen, voorzienbaarheid
3.30.
Uit de door partijen in het geding gebrachte stukken (e-mailcorrespondentie, gespreksverslagen) maakt het hof op dat partijen bijna voortdurend, veelal op instigatie van Get Moving c.s., onderhandelden over de te hanteren tarieven en de te rijden touren (zie bijvoorbeeld producties 8, 9 en 14 tot en met 17 bij inleidende dagvaarding). Verder maakt het hof uit deze stukken op dat de onderhandelingen veelal tot nabetalingen en/of betaling van hogere tarieven door DPD aan Get Moving c.s. hebben geleid. Nergens in de door partijen in het geding gebrachte stukken leest het hof een verwijt van DPD aan Get Moving c.s. over (de kwaliteit van) de uitvoering van de opdrachten. Bovendien heeft DPD ter gelegenheid van de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat de kwaliteit van de chauffeurs van Get Moving c.s. nooit ter discussie heeft gestaan.
3.31.
Ook in 2018 hebben partijen onderhandeld over de te hanteren tarieven en de te rijden touren (zie bijvoorbeeld producties 14 tot en met 25 bij conclusie van antwoord). Dit heeft geleid tot nabetalingen van DPD en tot het afstoten van enkele touren door Get Moving c.s. Ook in de door partijen in het geding gebrachte stukken over 2018 leest het hof nergens een verwijt van DPD aan Get Moving c.s. over (de kwaliteit van) de uitvoering van de opdrachten.
3.32.
Op 27 november 2018 hebben partijen voor het laatst persoonlijk met elkaar gesproken. Hoewel partijen van mening verschillen over de inhoud en de uitkomst van dit gesprek, is duidelijk dat bij die gelegenheid op het scherpst van de snede is gesproken over de tarieven en de touren. In de beleving van DPD hebben Get Moving c.s. tijdens dit gesprek op de vraag of zij de samenwerking nog wel voort wilden zetten niet bevestigend geantwoord. In de beleving van Get Moving c.s. was het gesprek gericht op verdere samenwerking in 2019. Na dit gesprek heeft DPD de overeenkomsten met Get Moving c.s. opgezegd per 1 januari 2019, zonder daar overigens een concrete reden voor te geven.
3.33.
Uit de verklaringen van partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling maakt het hof op dat DPD in haar opvatting meermaals in de loop van de tijd aan Get Moving c.s. te kennen heeft gegeven dat zij te veel en/of te hoge financiële eisen stelden en dat Get Moving c.s. dit niet als zodanig hebben opgevat. Gelet op de bijna voortdurende onderhandelingen, de hieruit voortvloeiende resultaten en de omstandigheid dat Get Moving c.s. geen verwijten werden gemaakt over de uitvoering van de opdrachten was een uitdrukkelijke waarschuwing van DPD aan Get Moving c.s. dat zij bezig waren hun hand te overspelen voorafgaand aan de opzegging op zijn plaats geweest. Een dergelijke uitdrukkelijke waarschuwing is echter niet gegeven. Onder die omstandigheden hebben Get Moving c.s. in november 2018 naar het oordeel van het hof niet zonder meer bedacht hoeven zijn op een opzegging.
3.34.
Tegen de achtergrond van de langdurige, in de loop van de jaren sterk geïntensiveerde samenwerking tussen partijen, de wijze waarop partijen aan de samenwerking uitvoering gaven, de daardoor bij Get Moving c.s. ontstane redelijke verwachtingen en de afhankelijkheid van Get Moving c.s. van de met de opdrachten van DPD te realiseren omzet is DPD door een opzegtermijn van een maand in acht te nemen naar het oordeel van het hof onvoldoende tegemoetgekomen aan het gerechtvaardigde belang van Get Moving c.s. bij een opzegging tegen een langere termijn.
3.35.
Het belang van Get Moving c.s. bij opzegging tegen een langere termijn ligt daarin dat zij haar bedrijfsvoering, mede gelet op de afhankelijkheid van DPD als hiervoor omschreven, op een termijn van een maand niet of nauwelijks kon afstemmen op het door Get Moving c.s. op zo korte termijn niet voorziene wegvallen van DPD als opdrachtgever, bijvoorbeeld door het zoeken van andere opdrachtgevers en om haar chauffeurs en bestelbussen aan het werk/rijden te houden.
3.36.
DPD heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat haar belang om met inachtneming van een opzegtermijn van een maand de samenwerking met Get Moving c.s. te beëindigen is gelegen in het argument dat de kwaliteit van de uitvoering van de opdrachten door Get Moving c.s. na opzegging ‘niet zou verbeteren’. Een langere opzegtermijn zou dan ook nadelig voor DPD zijn geweest.
3.37.
Wat er ook zij van het belang van DPD bij opzegging conform de in de overeenkomsten opgenomen opzegtermijn, dit belang weegt minder zwaar dan het aan de continuïteit van hun ondernemingen rakende belang van Get Moving c.s. bij een opzegging op een wat langere termijn dan een maand.
3.38.
Op grond van de hiervoor onder a. tot en met d. genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, brengt de redelijkheid en billijkheid met zich dat DPD bij de opzegging een langere termijn in acht had moeten nemen. Dit geldt ook als opzegtermijnen - zoals DPD betoogt - naar hun aard niet zijn bedoeld om te voorkomen dat de opgezegde partij nadeel ondervindt als gevolg van de opzegging. In zoverre is een correctie op de in de overeenkomsten opgenomen opzegregeling gerechtvaardigd. Het hof acht gelet op al het voorgaande (en met name de duur van de samenwerking tussen partijen en de door Get Moving c.s. zelf geschetste afhankelijkheid) een opzegtermijn van drie maanden redelijk jegens Get Moving en een opzegtermijn van twee maanden jegens Bosch Transport.
tekortkoming, schade, schadestaatprocedure
3.39.
Het voorgaande betekent dat DPD toerekenbaar is tekortgeschoten jegens Get Moving c.s. door conform de opzegregeling de overeenkomsten op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van een maand. Op basis van deze toerekenbare tekortkoming kunnen Get Moving c.s. aanspraak maken op vergoeding van de hieruit voor hun voortvloeiende schade (artikel 6:74 BW).
3.40.
De gehanteerde opzegtermijn van één maand afgezet tegen het probleem voor Get Moving c.s. om op zo korte termijn (van één maand) hun bedrijfsvoering af te moeten stemmen op het onvoorziene wegvallen van DPD als opdrachtgever, betekent dat de mogelijkheid dat Get Moving c.s. schade hebben geleden aannemelijk is.
3.41.
Uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven (Hoge Raad 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998). De omvang van de schade wordt dan ook bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden (Hoge Raad 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539).
3.42.
Get Moving c.s. hebben hun vordering echter niet gebaseerd op de vereiste vermogensvergelijking, maar op een opsomming van kosten die volgens Get Moving c.s. voortvloeien uit de opzegging op termijn van een maand. Daarmee beschikt het hof niet over voldoende gegevens om de schade die Get Moving c.s. hebben geleden als gevolg van de tekortkoming door DPD te begroten (artikel 6:97 BW). Het hof zal partijen voor het begroten van de schade dan ook naar de schadestaatprocedure verwijzen (Hoge Raad 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1842).
buitengerechtelijke incassokosten
3.43.
Ook de vordering tot veroordeling van DPD in de buitengerechtelijke incassokosten dient in de schadestaatprocedure aan de orde te komen. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet van toepassing op de onderhavige situatie, zodat de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, getoetst dient te worden aan de eisen geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. De hoogte van de mogelijke vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is volgens dit rapport afhankelijk van de hoogte van het toewijsbaar bedrag aan hoofdsom en rente, zodat het hof hierover thans geen beslissing kan nemen.
3.44.
Aan bewijslevering wordt thans niet toegekomen, nu beide partijen daarvoor onvoldoende concreet feitelijke stellingen hebben aangevoerd, die indien zij komen vast te staan, tot een andere beslissing aanleiding geven.
voorts in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep
3.45.
De conclusie luidt dat het principaal hoger beroep slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de zaak naar de schadestaatprocedure verwijzen, ter begroting van de schade en buitengerechtelijke incassokosten.
3.46.
Het hof maakt uit de intrekking van het incidenteel hoger beroep op dat DPD haar grief niet langer handhaaft. Dit betekent dat DPD niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in het incidenteel hoger beroep.
proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep
3.47.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof DPD in de kosten van beide instanties veroordelen.
3.48.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Get Moving c.s. worden vastgesteld op:
- explootkosten
|
€
|
83,38
|
|
- griffierecht
|
€
|
4.131,00
|
|
- salaris advocaat
|
€
|
1.126,00
|
(2 punten × tarief € 563,00)
|
- nakosten
|
€
|
173,00
|
|
- totaal:
|
€
|
5.513,38
|
|
3.49.
De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van Get Moving c.s. worden vastgesteld op:
- explootkosten
|
€
|
103,33
|
|
- griffierecht
|
€
|
5.689,00
|
|
- salaris advocaat
|
€
|
2.366,00
|
(2 punten × appeltarief € 1.183,00)
|
- nakosten
|
€
|
173,00
|
(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
|
- totaal:
|
€
|
8.331,33
|
|
3.50.
Het instellen van incidenteel hoger beroep door DPD was onnodig. De vorderingen van Get Moving c.s. zijn door de rechtbank immers afgewezen en de devolutieve werking van het hoger beroep brengt met zich dat DPD de aard van de overeenkomsten ook zonder incidenteel hoger beroep aan de orde had kunnen stellen. DPD heeft het incidenteel hoger beroep ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ingetrokken. Een kostenveroordeling blijft in een dergelijk geval achterwege.
3.51.
Als niet weersproken, zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.
uitvoerbaarheid bij voorraad
3.52.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4 De uitspraak
Het hof, rechtdoende in principaal en in incidenteel hoger beroep:
vernietigt het bestreden eindvonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 2 februari 2022;
veroordeelt DPD om aan Get Moving c.s. schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met
de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 januari 2019 tot de dag van algehele voldoening;
bepaalt dat de schade in een procedure als bedoeld in artikel 612 Rv zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;
verklaart DPD niet-ontvankelijk in het incidenteel hoger beroep;
veroordeelt DPD in de kosten van de eerste aanleg en het principaal hoger beroep aan de zijde van Get Moving c.s., vastgesteld op € 5.513,38 en € 8.331,33, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als DPD niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 90,00 en de kosten van betekening;
veroordeelt DPD in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het (in hoger beroep) meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en D.E. Valle Robles-Roomer en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 januari 2024.