2.1.
Belanghebbende was in de onderhavige jaren en is nu nog steeds ondernemer in de zin van artikel 3.4 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). De onderneming wordt gedreven in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [onderneming] . De activiteiten van de onderneming bestonden uit buitensportactiviteiten, de verhuur van tenten, 4x4 evenementen, buitensportinstructie, 4x4 instructie en fotografie en daarnaast werkzaamheden in de horeca die met eerder genoemde activiteiten samenhingen.
2.3.
Op 11 mei 2015 is door [B BV] (hierna: [B BV] ) een rapportage uitgebracht aan [A] over de door belanghebbende geleden schade. Daarin staat onder meer:
“Verlies van arbeidsvermogen
Het letsel heeft consequenties voor het werk van betrokkene. Betrokkene is buitengewoon sportief en probeert de werkzaamheden zo goed als het gaat vol te houden en door het verschuiven van het werk, soms wat uitbesteden van werk en het regelmatig houden van rust tussendoor, is het tot nu toe enigszins gelukt. Wel is het zo dat betrokkene een paar keer een vervanger heeft ingeschakeld en ook dat ze een dag heeft vrij moeten nemen voor bijvoorbeeld bezoek aan de dokter. Daardoor zijn wel wat inkomsten gemist. Betrokkene zal kopieën maken van facturen die betrekking hebben op het inschakelen van een vervanger.
Ik heb betrokkene gevraagd om wat stukken aan te leveren aan de hand waarvan meer zicht ontstaat op de financiën. Het gaat dan om de verlies- en winstrekeningen van 2011 tot en met 2014, maar de boekhouder is nog met de jaren 2013 en 2014 bezig. Verder heb ik begrepen dat betrokkene per kwartaal aangifte doet voor de BTW. Op basis van een aantal kwartaalaangiften is wellicht te zien hoe het omzetverloop is gedurende de afgelopen jaren. Verder is gevraagd om facturen met betrekking tot de vervanging.
Overige schade
Verder heeft betrokkene wat medische kosten gemaakt, onder meer voor de podotherapeut en de zooltjes en daarnaast het eigen risico. Betrokkene zal nog een opgave insturen van deze kosten.”
2.4.
De advocaat van belanghebbende heeft bij e-mail van 6 oktober 2015 aan [B BV] , de door [A] ingeschakelde schade-expert, geschreven:
“U weet dat cliënte ZZP′er is, geen arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft en niet kan terugvallen op andere inkomstenvoorzieningen. Ter onderbouwing van haar inkomensverlies is zij in afwachting van stukken van haar boekhouder. In dit stadium en omdat de nood zo hoog is doe ik nu namens cliënte de aanslagen Inkomstenbelasting 2013 toekomen, waaruit blijkt dat dat jaar het inkomen van cliënte € 22.926,00 (€ 21.974,00 + € 952,00) bruto was, ofwel € 1.910,50 bruto per maand.
Namens cliënte verzoek ik u het daarheen te leiden dat aan haar bij wijze van voorschot en met onmiddellijke ingang maandelijks een bedrag van € 1.910,50 wordt betaald.”
2.5.
Medisch adviseur [C] schrijft op 15 februari 2016 aan [A] :
“Beeldvorming 1 jaar na het ongeval toonde nog immer aanwijzingen voor botoedeem, geen breuk, wat volgens de orthopeed geen duidelijke verklaring is voor de aanhoudende pijn.
Relevante diagnosen t.a.v. linker voet:
Conclusie.
Botoedeem.
Posttraumatisch persisterende pijnklachten.
De gevolgen.
Aanhoudende beperkingen door pijn bij ADL en werk.
Er lijkt inmiddels sprake van een chronisch pijnsyndroom van de voet na (kennelijk een) crush- ofwel pletletsel van de linker voet.”
2.10.
Op 19 oktober 2018 heeft de advocaat van belanghebbende een tegenvoorstel aan [A] gedaan voor een minnelijke schikking. Daarin is het verlies aan arbeidsvermogen begroot op € 485.000, de immateriële schade op € 15.000 en zijn de overige te vergoeden kosten als volgt gespecificeerd:
“(…) -ad d. Overige kosten
Voor de post 'overige kosten' rekent u een totaalbedrag van € 50.000,--. Naar mening van cliënte dekt dit bedrag wel de door cliënte tot nu toe gemaakte kosten (zoals studiekosten, reiskosten en medische kosten), maar wordt in dit bedrag geen rekening gehouden met de noodzakelijke kosten in de toekomst (zoals bijvoorbeeld medische kosten). Naar verwachting bedragen deze kosten ± € 3.000,-- per jaar.
Cliënte stelt voor om de post overige kosten tot en met eind 2018 vast te stellen op € 12.900,-- en vanaf 1 januari 2019 te kapitaliseren. Uitgaande van een kapitalisatiefactor van 22,5386 en een looptijd tot de leeftijd van 70 jaar komt dit op: € 67.615,--, Tezamen bedraagt de post overige kosten: € 80.516,--
-ad e. Boxverhuur en bed & breakfast
De voor het ongeval door cliënte gestarte realisatie van opslagboxen voor verhuur en een bed & breakfast is door het ongeval vertraagd, waardoor cliënte vertragingsschade heeft geleden. In uw voorstel houdt u daar geen rekening mee.
Wat de boxverhuur betreft is er sprake van een vertraging in de bouw van vier van de boxen, gedurende een periode van ± 3 jaar. Gelet op het feit dat de huurprijs van deze boxen in totaal € 385,-- per maand bedraagt, is er sprake van een vertragingsschade van € 13.860,--.
De bouw en afronding van de bed & breakfast heeft 3 jaar vertraging opgelopen. Uitgaande van een opbrengst van ten minste € 7.000,-- per jaar, is er wat de bed & breakfast betreft sprake van een vertragingsschade van € 21.000,--.
In totaal komen deze posten samen op € 34.080,--.
-ad f Verlies aan zelfwerkzaamheid
Voor het verlies aan zelfwerkzaamheid gaat u uit van een bedrag van € 800,-- per jaar. Cliënte meent dat dit, daarbij ook gelet op hetgeen de Letselschade Richtlijn Zelfwerkzaamheid voorschrijft, te laag is.
Volgens de richtlijn bedraagt het normbedrag € 1.197,-- per jaar. In het geval van cliënte dient dit te worden vermeerderd met de (voorgeschreven) omrekenfactor van 1,3 voor een vrijstaand huis.
De woning van cliënte wijkt, zowel wat betreft de ruime omvang van de woning en bijgebouwen alsook het omliggende terrein, af van 'standaard' vrijstaande woningen. Cliënte deed ook veel meer werkzaamheden zelf dan hetgeen als norm kan worden aangehouden. Dit rechtvaardigt in haar optiek het aanhouden van een mate van beperking van 100% ten opzichte van het (te lage) normbedrag.
Tot eind 2018 betekent dit wat betreft het verlies van zelfwerkzaamheid derhalve een verschenen schade van € 6.691,--. Vanaf 1 januari 2019 gaat het (gekapitaliseerd tot de leeftijd van 70 jaar, kapitalisatiefactor 22,5386) om een bedrag van € 35.072,--. Dit brengt het totale verlies aan zelfwerkzaamheid op € 41.763,--.
-ad g. Huishoudelijke hulp
Cliënte kan instemmen met uw voorstel om uit te gaan van huishoudelijke hulp gedurende 48 weken per jaar en een tarief € 12,50 per uur. Cliënte meent echter dat gelet op de specifieke omstandigheden, in het bijzonder haar fysieke klachten, 2 uur per week onvoldoende is, en dat dient te worden uitgegaan van huishoudelijke hulp gedurende 4 uur per week.
Wat betreft de kosten voor huishoudelijke hulp maakt cliënte ingevolge de Letselschade Richtlijn huishoudelijke hulp voor de eerste drie maanden aanspraak op een bedrag van in totaal € 845,--.
Vanaf 3 maanden na het ongeval tot en met 31 december 2018 komt deze schadepost (uitgaande van 48 weken per jaar, 4 uur per week en een tarief van € 12,50 per uur) op € 7.200,. Vanaf 1 januari 2019, gekapitaliseerd tot de leeftijd van 70 jaar, wordt dat € 54.093,. Dit brengt de post huishoudelijke hulp in totaal op: € 62.138,--.”
2.11.
Op 20 februari 2019 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen belanghebbende en [A] waarbij een lumpsum schadevergoeding is overeengekomen van € 480.000. In de overeenkomst staat:
“Belanghebbende en verzekeraar komen overeen dat de door belanghebbende geleden en te lijden schade wordt vastgesteld op een bedrag van € 480.000,-. Met dit bedrag vergoedt verzekeraar alle materiële en immateriële schade, die belanghebbende heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden.”
In een berekening van de door [A] ingeschakelde letselschadespecialist is dit bedrag als volgt gespecificeerd:
Verlies arbeidsvermogen
|
€ 388.135
|
|
Overige verschenen schade
|
|
€ 40.000
|
Schade verlies zelfwerkzaamheid
|
|
€ 14.000
|
Schade huishoudelijke hulp
|
|
€ 22.000
|
Overige materiële schade
|
€ 76.000
|
|
Immateriële schade
|
€ 15.000
|
|
|
|
|
Berekende schade
|
€ 479.135
|
|
Afronding
|
€ 866
|
|
Totaal
|
€ 480.000
|
|
2.12.
Belanghebbende heeft van de schadevergoeding per jaar de volgende bedragen ontvangen:
2015
|
2016
|
2017
|
2018
|
2019
|
Totaal
|
€ 7.500
|
€ 67.500
|
€ 30.000
|
€ 100.000
|
€ 275.000
|
€ 480.000
|
Belanghebbende heeft voor de jaren 2016 tot en met 2018 aangifte IB/PVV gedaan. Het door haar aangegeven verlies uit werk en woning is respectievelijk € 6.553, € 9.529 en € 5.444. Daarbij heeft belanghebbende met betrekking tot de van [A] ontvangen bedragen geen belastbaar inkomen uit werk en woning in aanmerking genomen.
In de aangifte van het jaar 2016 heeft belanghebbende bovendien een bedrag van € 4.729 aan persoonsgebonden aftrek geclaimd welk bedrag door het negatieve inkomen niet aftrekbaar was en zou moeten resulteren in een beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek als bedoeld in artikel 6.2a Wet IB 2001.