Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHSHE:2022:2999

Gerechtshof 's-Hertogenbosch
30-08-2022
31-08-2022
200.262.122_01
Arbeidsrecht, Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep

Overwerk. Bewijs ten aanzien van het aantal uren. Billijkheidscorrectie.

Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0982
Brightmine 2022-20008422
VAAN-AR-Updates.nl 2022-0982

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.262.122/01

arrest van 30 augustus 2022

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. S. Yadegari te Zaandam,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.K. Nijhuis te Tilburg,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 maart 2021 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 6926801 CV EXPL 18-3906 gewezen vonnis van 7 maart 2019.

7 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 30 maart 2021;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 juli 2021;

  • -

    de pleitnota’s van partijen van 14 september 2021 ten behoeve van het schriftelijk pleidooi, waarbij zijdens [appellante] nog producties in het geding zijn gebracht;

  • -

    een akte bezwaar indiening producties van [geïntimeerde] d.d. 14 september 2021.

Het hof heeft daarna opnieuw een datum voor arrest bepaald.

8 De verdere beoordeling

8.1.

De onderhavige zaak betreft een geschil over de eindafrekening na afloop van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, een eerste overeenkomst voor de periode van 3 november 2014 tot en met 2 mei 2015 en een tweede periode vanaf 3 mei 2015 tot en met 2 november 2016. [appellante] was werkzaam als assistent-bedrijfsleider in de onderneming van [geïntimeerde]. De overeengekomen arbeidsduur was 38 uur per week. Het hof verwijst voor de feitenvaststelling, de vorderingen van [appellante] en het oordeel van de kantonrechter, die de vorderingen van [appellante] in conventie heeft afgewezen, naar hetgeen daaromtrent is overwogen in het tussenarrest. Tegen de beslissing van de kantonrechter heeft [appellante] 17 grieven aangevoerd.

8.2.

In het tussenarrest is al geoordeeld dat grief II niet kan leiden tot een andere beslissing dan in eerste aanleg gegeven (r.o. 6.9). Het betoog dat het bepaalde in artikel 5, lid 2 van de arbeidsovereenkomst toepassing mist omdat daarmee niet uitdrukkelijk wordt afgeweken van de cao Horeca (grieven VI en VII), is verworpen (r.o. 6.6). In r.o. 6.15 is, in reactie op grief I, overwogen dat het onder de gegeven omstandigheden, zou [appellante] een arbeidsinspanning hebben verricht die structureel de overeengekomen arbeidsduur met 25-50% overtrof, naar maatstaven van redelijk en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] met een beroep op artikel 5, lid 2 van de arbeidsovereenkomst betaling van overuren zou kunnen weigeren. Het verweer dat [appellante] in het geheel geen overuren heeft gemaakt, althans dat [geïntimeerde] daar geen weet van heeft gehad, is in r.o. 6.11 tot en met r.o. 6.14 verworpen. Of [appellante] voor vergoeding in aanmerking komende overuren heeft gewerkt en, zo ja, hoeveel daarvan voor vergoeding in aanmerking komen, heeft het hof in het tussenarrest in het midden gelaten. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen op dat punt geen overeenstemming kunnen bereiken.

8.3.

In r.o. 6.7 van het tussenarrest heeft het hof overwogen wat moet worden verstaan onder de term ‘overuren’. Dit komt erop neer dat het moet gaan om werk dat op verzoek van de werkgever is verricht en waardoor de in een kalenderjaar normale werktijd (1.976 uur bij een arbeidsduur van 38 uur per week, 2.496 uur indien daarbij gemiddeld één of meer aanwezigheidsdiensten per week werden verricht), wordt overschreden.

8.4.

In r.o. 6.10 van het tussenarrest heeft het hof al overwogen dat [appellante] haar vordering met betrekking tot overuren heeft onderbouwd met een urenregistratie die zij zelf heeft bijgehouden. In r.o. 6.11 heeft het hof vervolgens overwogen dat [geïntimeerde] de juistheid daarvan weliswaar betwist, maar dat de onderbouwing van die betwisting niet, althans niet in voldoende mate wordt weersproken door te verwijzen naar een (puur theoretische) berekening van de verrichte arbeid op basis van een combinatie van een overzicht van werkzaamheden en WhatsApp-berichten. In r.o. 6.12 is overwogen dat [geïntimeerde] diende zorg te dragen voor een deugdelijke urenadministratie, zodat zij haar verweer zou kunnen onderbouwen met een uitdraai van die administratie. Voorts is daar overwogen dat [geïntimeerde] het aan de hand van een dergelijke registratie had kunnen onderkennen wanneer [appellante] teveel uren maakte (of geen uren registreerde), om daar vervolgens op in te grijpen, wat zij niet heeft gedaan. Dat [appellante] nodeloos teveel uren heeft gemaakt, heeft [geïntimeerde] niet, althans niet voldoende onderbouwd (r.o. 6.13). Overigens had [geïntimeerde] ook dat kunnen onderkennen, wanneer zij de door [appellante] gewerkte uren deugdelijk had geregistreerd. Op deze gronden heeft het hof het verweer verworpen dat [appellante] in het geheel geen overuren zou hebben gemaakt (r.o. 6.14).

8.5.1.

Hetgeen [geïntimeerde] in haar pleitnota na de mondelinge behandeling nog heeft aangevoerd geeft het hof geen aanleiding om op deze overwegingen terug te komen. Voor zover [geïntimeerde] nog eens benadrukt dat [appellante] zelf heeft nagelaten om haar uren in het door [geïntimeerde] gehanteerde registratiesysteem te verantwoorden, merkt het hof (nogmaals) op dat [geïntimeerde] dit had kunnen onderkennen en [appellante] op een verplichting dienaangaande had kunnen en moeten wijzen. Voor zover zij nog opmerkt dat ook het urenoverzicht van [appellante] ‘puur theoretisch’ en ‘gekunsteld’ is, heeft zij dat verder niet onderbouwd.

8.5.2.

Door [geïntimeerde] is nog aangevoerd dat de uren waarvan [appellante] nu vergoeding verlangt niet op haar verzoek zijn gemaakt. Het hof merkt dienaangaande op dat artikel 5, lid 2 van de arbeidsovereenkomst zelf aan het begrip “overuren” niet de voorwaarde verbindt dat de uren op expliciet verzoek van [geïntimeerde] moeten zijn gemaakt. Artikel 3.10 van de toepasselijke cao verwijst daar wel naar, maar stelt geen specifieke eisen aan de wijze waarop een verzoek moet worden gedaan. Volgens [geïntimeerde] stelde zij voor [appellante] een ‘window’ vast waarbinnen zij haar werkzaamheden moest verrichten. Dat window was ruimer dan de bedongen arbeidsduur van 38 uur. Bovendien is in artikel 5.2 van de arbeidsovereenkomst bedongen dat, los van op grond van artikel 5, lid 3 op specifiek verzoek te verrichten arbeid, overuren niet vergoed zouden worden. Bij het opstellen van de arbeidsovereenkomst en de wijze waarop is bedongen dat [appellante] haar werkzaamheden zou inrichten is dus al rekening gehouden met de omstandigheid dat [appellante] ook zonder expliciet verzoek mogelijk meer uren zou kunnen gaan werken dan de 38 uur behorend bij een voltijds arbeidsduur. Overigens heeft [appellante] ook aangevoerd dat zij herhaaldelijk over de werkdruk heeft geklaagd en onder verwijzing naar een evaluatie van 28 maart 2015 (memorie van grieven, p. 5 bovenaan) aangevoerd dat zij in opdracht van [geïntimeerde] 16 uur per dag bereikbaar diende te zijn voor vragen, oplossingen, storingen, leveranciers, personeel etc. Het verzoek om overuren te maken ligt dan naar het oordeel van het hof besloten in de arbeidsovereenkomst en de op grond daarvan bedongen wijze van inroostering en (onvoorwaardelijke) beschikbaarheid.

8.6.

In haar pleitnota heeft [appellante] aangevoerd dat de door haar bij akte van eiswijziging, tevens vermeerdering van eis van 15 november 2018 genoemde aantallen uren juist zijn. Het hof is in r.o. 6.15 voor 2016 uitgegaan van 46 gewerkte weken. Dienaangaande heeft [appellante] in haar pleitnota aangevoerd dat zij vóór het moment waarop zij ziek uitviel 30 weken heeft gewerkt, wat bij een urengrens van 1.976 per jaar neerkomt op 1.169 uur bij een voltijds dienstverband. Bij 1.413 gewerkte uren in 2016 betekent dat dat zij 244 overuren heeft gewerkt. Het hof zal voor 2016 dat aantal uren in aanmerking nemen, omdat na ziekmelding geen overuren meer (kunnen) zijn gemaakt. Onder verwijzing naar een arrest van het Hof Den Haag van 2 oktober 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:2554) heeft [appellante] aangevoerd dat van haar niet verlangd kan worden dat zij tot op het laatste uur exact aantoont, maar dat het voldoende is wanneer het aantal uren dat is gewerkt schattenderwijs bepaald kan worden, zo lang aannemelijk is dat de werknemer die uren ook heeft gewerkt. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak bij gebreke aan voldoende deugdelijk onderbouwde betwisting voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze aantallen uren aan overwerk zijn gemaakt.

8.7.

[appellante] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de overeengekomen arbeidstijd 38 uur per week bedroeg (hetgeen neerkomt op 1.976 uur per jaar) en dat bij optelling van het daadwerkelijk gewerkte aantal uren het aantal overuren uitkomt op 907,5 uren in 2015. Het hof zal op deze uren de uren in mindering brengen waarvan [geïntimeerde] wel concreet heeft betwist dat die door [appellante] zijn gewerkt. Meer in het bijzonder betreft dat de specificatie in productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie. Voor 2015 betekent dat dat het hof over week 44 twee uur in mindering brengt, de overuren van woensdag en donderdag in week 48 buiten beschouwing laat (1,5 en 5,5 uren), net zoals de uren van de dinsdag van week 50 (1 uur) en één uur voor de donderdag. In totaal betekent dat voor 2015 dat het hof over de periode van week 44 tot en met week 52 11 uren buiten beschouwing laat, zodat het in aanmerking te nemen aantal overuren voor 2015 uitkomt op 896,5 en voor 2016 op 244. Voor 2016 betekent dit dat het hof buiten beschouwing laat: 6 uren voor de maandag van week 3, 1 uur voor de zaterdag van week 4, 4,5 uren voor de donderdag van week 9, 1,5 uur voor de donderdag van week 10, 1 uur voor de dinsdag van week 15, 6 uren voor week 26 en voor week 28 de overuren van maandag en dinsdag (1 uur). In totaal laat het hof voor 2016 dan 21 uren buiten beschouwing, zodat het in aanmerking te nemen aantal uren voor 2016 neerkomt op 223.

8.8.1.

In r.o. 6.18 van het tussenarrest heeft het hof al overwogen dat [appellante] op grond van artikel 5, lid 2 van de arbeidsovereenkomst wel heeft moeten begrijpen en ook heeft aanvaard dat enige mate van overwerk in het bedongen loon was inbegrepen. Het hof begroot dat deel billijkheidshalve op 10% van de overeengekomen arbeidstijd en zal dienovereenkomstig de wegens overwerk gevorderde bedragen met 10% verminderen. Nu de juistheid van de in de akte van eiswijziging van 15 november 2018 opgenomen berekening daarvan door [geïntimeerde] niet is betwist, berekent het hof de toewijsbare vergoeding voor overwerk volgens die berekening als volgt:

2015: 208 x 1,0 x € 12,15 = € 2.527,20;

97,5 x 1,5 x € 12,15 = € 1.776,94;

591 x 1,5 x € 12,75 = € 7.535,25; +

€ 11.839,39;

contractueel bedongen deel € 1.183,94; -/-

totaal 2015 € 10.655,45;

2016: 208 x 1,0 x € 12,75 = € 2.652,00;

15 x 1,5 x € 12,75 = € 286,88; +

€ 2.938,88;

Contractueel bedongen deel € 293,89; -/-

Totaal 2016 € 2.644,99; +

totaal toewijsbaar wegens overuren € 13.300,44 bruto.

8.8.2.

Volgens artikel 4.21 van de cao Horeca 2012-2013 bestaat aanspraak op 8% vakantietoeslag over het loon dat een werknemer in het vakantiejaar bij de werkgever verdient, exclusief toeslagen, eventuele gratificaties en beloningen in natura. Uit het bepaalde in de artikelen 3.12 en 3.13 van de cao blijkt niet dat een vergoeding voor overuren valt onder de term “toeslagen” van artikel 4.21 van de cao. Dat betekent dat de vergoeding voor overuren loon is in de zin van dat artikel, zodat daarover ook de vakantietoeslag van 8% verschuldigd is. Per saldo bedraagt de wegens overuren nog verschuldigde som dan € 14.364,48 bruto inclusief vakantietoeslag.

8.9.1.

In r.o. 6.8 van het tussenarrest heeft het hof onder meer overwogen dat [appellante] in de toelichting op grief XII aan de orde stelt dat de kantonrechter ten onrechte haar nevenvorderingen niet heeft toegewezen. Zij noemt daar in het bijzonder dat de kantonrechter is voorbijgegaan aan het feit dat het onder loonbeslag achtergehouden bedrag te laat is betaald, dat buitengerechtelijke incassokosten niet zijn vergoed en de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten, het te laat betaalde bedrag en de wettelijke verhoging evenmin. In haar pleitnota wijst [geïntimeerde] erop dat deze onderdelen niet meer ter discussie staan, omdat zij niet zijn vermeld in het petitum onder de akte van eiswijziging, vermeerdering van eis, toevoeging van grondslag van eis van [appellante] van 15 november 2018. Hoewel haar een concept van de pleitnota was toegezonden en zij daar op heeft kunnen reageren in haar pleitnota, heeft [appellante] op dit punt in haar pleitnota niets opgemerkt.

8.9.2.

Het hof stelt met [geïntimeerde] vast dat [appellante] in eerste aanleg bij akte haar eis heeft aangepast. Zij heeft, zo volgt uit de aanhef, daarmee niet enkel de bedoeling gehad om haar eis te vermeerderen, maar ook om die te wijzigen en de grondslag daarvoor aan te vullen. Hoewel strikt genomen juist is wat het hof in r.o. 6.8 van het tussenarrest heeft overwogen ten aanzien van het petitum onder de inleidende dagvaarding, heeft [geïntimeerde] gelijk wanneer zij aanvoert dat dat petitum na de eiswijziging bij akte van 15 november 2018 niet langer bepalend is voor hetgeen [appellante] in deze procedure vordert. Dat verklaart ook waarom de kantonrechter niet is ingegaan op de onderdelen 2 en 3 van het petitum onder de inleidende dagvaarding. Na wijziging van eis maken die geen onderdeel meer uit van het petitum, zoals dat is geformuleerd in de akte van 15 november 2018 en aangehaald in r.o. 6.2.1 van het tussenarrest. Bij die aanhaling is overigens verzuimd te vermelden dat [appellante] onder I. ook de betaling vordert van 8% vakantietoeslag, de wettelijke verhoging over het achterstallige bedrag inclusief vakantietoeslag en de wettelijke rente vanaf 25 december 2016. Dit betekent dat de wettelijke verhoging en wettelijke rente over het wegens loonbeslag te laat betaalde bedrag na wijziging van eis geen onderdeel meer uitmaken van het gevorderde. Voor zover [appellante] met grief XII beoogt daar een vergoeding voor te krijgen, kan de grief niet slagen.

8.9.3.

Voor het overige slaagt grief XII wel. Hiervoor is vastgesteld dat [geïntimeerde] nog een vergoeding voor gemaakte overuren verschuldigd is. In beginsel had die vergoeding in elk geval bij de eindafrekening voldaan moeten zijn. De laatste arbeidsovereenkomst van [appellante] liep af op 2 november 2016. Nu de overuren niet bij de eindafrekening zijn betrokken, heeft de betaling daarvan niet tijdig plaatsgevonden, is [geïntimeerde] in verzuim geraakt en is zij de wettelijke rente verschuldigd geworden. De ingangsdatum daarvan, 25 december 2016, is niet betwist.

8.9.4.

[geïntimeerde] heeft de verschuldigdheid van de verhoging ex artikel 7:625 BW betwist door erop te wijzen dat deze slechts verschuldigd is wanneer het niet tijdig voldoen aan de werkgever kan worden toegerekend. Volgens [geïntimeerde] is dat met betrekking tot het gevorderde niet het geval, omdat zij niet op de hoogte is geweest van de vordering en [appellante] pas op 8 februari 2018 bij brief bezwaar heeft gemaakt tegen de eindafrekening. Verder verzoekt zij om matiging van de wettelijke verhoging op grond van de omstandigheid dat [appellante] zelf schuld zou hebben gehad aan de omstandigheid dat de overuren niet tijdig zijn betaald.

8.9.5.

Het hof volgt [geïntimeerde] niet in haar stellingname dat de te late betaling niet aan haar kan worden toegerekend. Dat verweer zou wellicht kunnen slagen voor de periode tot aan de sommatie van 8 februari 2018, maar daar heeft [geïntimeerde] niet op gereageerd met een betaling van de vergoeding voor overuren. Die vergoeding is nog steeds niet betaald, hoewel het hof vaststelt dat [appellante] wel aanspraak heeft op een dergelijke vergoeding. Dat deze nog altijd niet is betaald, kan dus wel aan [geïntimeerde] worden toegerekend. Het hof verwerpt daarom dit verweer.

8.9.6.

Anders ligt dat naar het oordeel van het hof voor wat betreft het verzoek om de wettelijke verhoging te matigen. Het hof volgt [geïntimeerde] is haar verweer dat de vordering mede kon ontstaan door nalaten van [appellante]. Want hoewel het hof heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] nimmer bij [appellante] heeft aangedrongen op gebruikmaking van haar urenregistratiesysteem, stelt het hof evenzeer vast dat [appellante] ook niet zelf haar gewerkte uren in dit systeem van [geïntimeerde] heeft verantwoord. Als gevolg daarvan kon de discussie over (de mate van) het overwerk ontstaan. In die omstandigheid vindt het hof aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.

8.10.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. In voldoende mate is aannemelijk geworden dat [appellante] overwerk heeft verricht van een omvang die maakt dat een beroep op artikel 5, lid 2 van de arbeidsovereenkomsten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, voor zover het overuren betreft waar [appellante] redelijkerwijs bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten geen rekening mee hoefde te houden. Het deel waar zij wel rekening mee moest houden stelt het hof vast op 10%. Daarvan uitgaande stelt het hof de na te betalen vergoeding voor overuren inclusief vakantietoeslag vast op € 14.364,48 bruto. Hetgeen door [appellante] nog is aangevoerd met betrekking tot de werking van artikel 7:610b BW en ongerechtvaardigde verrijking als grondslagen voor het gevorderde behoeft verder geen bespreking. De onder I. meegevorderde wettelijke rente over het verschuldigde bedrag is toewijsbaar, omdat [geïntimeerde] door het niet tijdig betalen in verzuim is geraakt en verder geen verweer is gevoerd tegen de ingangsdatum van de renteverplichting, 25 december 2016. De hierover gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot nihil.

8.11.

Bij akte wijziging van eis heeft [appellante] onder II een vergoeding gevraagd voor door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.311,28. Ter onderbouwing hiervan heeft [appellante] aangevoerd dat zij [geïntimeerde] herhaaldelijk heeft aangeschreven en gesommeerd om tot betaling over te gaan. [geïntimeerde] heeft daartegen bij conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie slechts aangevoerd dat de kosten niet zijn gespecificeerd en dat [appellante] deze niet heeft hoeven maken.

Dat de kosten redelijkerwijs gemaakt konden worden volgt echter uit de toewijzing van (een deel van) de gevorderde hoofdsom. Dat [appellante] daartoe een gemachtigde heeft moeten inschakelen staat vast en dat deze herhaaldelijk over het geschil met (de gemachtigde van) [geïntimeerde] heeft gecorrespondeerd, wordt niet betwist. In dat geval is voldoende gebleken dat aanspraak bestaat op een vergoeding voor daarmee samenhangende kosten. Voor wat de omvang daarvan betreft sluit [appellante] aan bij de staffel die is opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In dat geval is een verdere specificatie van die kosten niet noodzakelijk. Het hof zal een vergoeding toekennen met toepassing van die staffel, uitgaande van het toewijsbaar geoordeelde bedrag. In dat geval bestaat aanspraak op een bedrag van € 918,64.

8.12.

In de genoemde akte heeft [appellante] onder III de storting gevorderd van het werkgeversdeel van de pensioenpremie voor het bedrijfstakpensioenfonds. In de akte is verder niet expliciet onderbouwd op welke wettelijke of contractuele grondslag de afdracht van pensioenpremies berust, maar blijkens artikel 13 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomsten heeft [geïntimeerde] zich verplicht om [appellante] aan te melden bij het verplichte bedrijfstakpensioenfonds voor de Horeca. Dat over de vergoeding voor overuren pensioenpremie verschuldigd is, is door [geïntimeerde] niet weersproken. Gronden om de onder III gevorderde voorziening af te wijzen zijn het hof ook niet gebleken. Het onder III gevorderde zal daarom worden toegewezen.

8.13.

Ook de onder IV gevorderde afgifte van een deugdelijke loonspecificatie is toewijsbaar. [appellante] heeft voldoende belang bij een mogelijkheid om te controleren of het uiteindelijk betaalde bedrag klopt en of daarbij aan de verplichtingen jegens de belastingdienst en pensioenuitvoerder is voldaan. [geïntimeerde] heeft de verplichting tot het verstrekken van de verlangde specificaties overigens ook niet betwist, net zo min als dat zij verweer heeft gevoerd tegen de verlangde dwangsom. Het hof zal het onder IV gevorderde daarom toewijzen, met dien verstande dat het hof de termijn voor afgifte van de loonspecificatie zal vaststellen op 14 dagen en de dwangsom zal vaststellen op € 250,= per dag met een maximum van € 5.000,=.

8.14.

Onder V heeft [appellante] gevorderd dat [geïntimeerde] een gecorrigeerde aangifte loonbelasting zal doen.

De vordering tot het doen van aangifte loonbelasting zal het hof afwijzen. Het hof gaat ervan uit dat [geïntimeerde] haar fiscale verplichtingen naleeft en dat het nakomen daarvan volgt uit de bruto-netto berekening en de verwerking daarvan in de salarisadministratie die [geïntimeerde] voert. Mocht uit de te verstrekken loonspecificatie blijken dat geen loonbelasting is afgedragen, dan heeft [appellante] de mogelijkheid om een deel van het uit te keren bedrag daarvoor te reserveren, zodat zij een nog te ontvangen aanslag inkomstenbelasting kan voldoen.

8.15.

Nu het bestreden vonnis in conventie niet in stand kan blijven, dient [geïntimeerde] zowel in eerste instantie als in hoger beroep als de hoofdzakelijk, op het principiële punt van de verschuldigdheid van een vergoeding voor overuren, in het ongelijk gestelde partij te worden beschouwd. Om die reden zal zij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

9 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Eindhoven, voor zover in hoger beroep bestreden, en opnieuw rechtdoende in conventie:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

  1. ter zake loon en vakantietoeslag een bedrag van € 14.364,48 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 december 2016 tot aan de dag van betaling, en

  2. ter zake buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 918,64;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na de datum van dit arrest aan [appellante] een deugdelijke loonspecificatie te verstrekken ter zake hetgeen op grond van dit arrest verschuldigd is, op verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag gedurende welke [geïntimeerde] nalaat deze loonspecificatie te verstrekken, met een maximum van € 5.000,=.

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 988,01 aan dagvaardingskosten, op € 79,= aan griffierecht en op € 960,= aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 104,42 aan dagvaardingskosten, op € 324,= aan griffierecht en op € 5.768.= aan salaris advocaat voor het hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 163,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 248,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat de proceskosten binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak en de nakosten voor wat betreft het bedrag van € 163,= binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak, dan wel voor wat betreft het bedrag van € 248,= vermeerderd met explootkosten binnen veertien dagen na de dag van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Cremers, L.S. Frakes en B. Kloppert en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 augustus 2022.

griffier rolraadsheer

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.