De vrouw stelt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de effectenportefeuille niet is verdeeld. Immers, in het convenant is met geen woord gerept over gezamenlijke effectenportefeuilles, alleen over effectenportefeuilles die op naam van een van beide partijen staan. De betreffende effectenportefeuille is opgenomen als effectenportefeuille op naam van de man.
De vrouw stelt dat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk een andere financiële regeling zou hebben getroffen als zij zich zou hebben gerealiseerd dat het effectendepot op beider naam stond geregistreerd.
Voor zover nodig beroept de vrouw zich ook op dwaling, nu zij ten tijde van de ondertekening van het convenant evident van een verkeerde voorstelling van zaken is uitgegaan. De vrouw vordert in hoger beroep derhalve partiële vernietiging van het convenant voor zover het bewuste effectendepot aan de man is toebedeeld.
Volgens de vrouw doet zich de situatie voor van artikel 6:228 lid 1 onder b juncto c BW. De man wist of behoorde te weten dat het betreffende depot op beider naam stond en had uit dien hoofde de vrouw behoren te informeren, althans beide echtelieden zijn van dezelfde onjuiste voorstelling van zaken uitgegaan.
Met inachtneming van deze (voorwaardelijke) vernietiging dient het effectendepot alsnog bij gelijke helfte verdeeld te worden tussen de echtelieden, onder de gehoudenheid van de vrouw de somma van € 59.515,-- alsnog in deze partiële nadere verdeling in te brengen gelijk de man dient in te brengen alle vruchten die hij na de peildatum heeft ontvangen ter zake het effectendepot in de vorm van rentes of overige baten onder welke titel dan ook, de vrouw begroot deze op € 100.000,-- als de man weigerachtig mocht blijven inzage te geven in de door hem genoten vruchten c.q. baten. De vrouw doet expliciet een beroep op artikel 6:20 lid 2 BW.
Daarnaast wordt zoveel nodig een beroep gedaan op artikel 3:196 BW nu tevens sprake is van benadeling met meer dan een kwart.
Voor zover mocht worden toegekomen aan uitleg van het onderhavige convenant dan geldt onverkort hetgeen hiervoor is betoogd. Een redelijke uitleg ter zake van de klaarblijkelijk bestaande leemte – immers een gemeenschappelijk depot is als zodanig in het convenant niet benoemd – lijkt toch ervan te mogen uitgaan dat die zaken die voor verdeling vatbaar zijn zoveel mogelijk bij gelijke helfte dienen te worden verdeeld tussen partijen.
Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de vrouw zich voorts nog beroepen op art. 3:194 lid 2 BW en (subsidiair) op art. 3:178 BW.