Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHSHE:2014:6248

Gerechtshof 's-Hertogenbosch
29-07-2014
04-02-2019
HD 200.128.232_01
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:9244
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:3651
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2288
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3511
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:384
Civiel recht
Hoger beroep

pensioen in eigen beheer, afstorting

Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.128.232/01

arrest van 29 juli 2014

in de zaak van

[appellante] ,
wonende [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. P. Quist te Naaldwijk,

tegen

1 [geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. Stichting Directiepensioenfonds [stichting directiepensioenfonds] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. W.M.U. van der Blom te Haarlem,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 mei 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg gewezen vonnis van 17 april 2013 tussen appellante – de vrouw – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerden – de man en de stichting – als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/258982/FT-RK 13.228)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het vonnis van 2 november 2011 van de rechtbank Middelburg, waarbij – voor zover thans van belang – een comparitie van partijen is gelast.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord;

- de akte van de zijde van de vrouw d.d. 9 juli 2013;

- de brief met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 20 mei 2014;

- de pleitnotities van mr. Quist.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft in rov. 2 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal hierna deze feiten opnieuw weergeven en aanvullen met hetgeen tussen partijen – als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd betwist – voorts vast staat.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

Partijen zijn op 8 december 1992 te Westerschouwen, gemeente Schouwen-Duiveland, na het opmaken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Deze huwelijkse voorwaarden (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) luiden – voor zover van belang – als volgt:

“(…)

Algehele uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

(…)

Pensioenrechten

Artikel 9

Ingeval van beëindiging van het huwelijk anders dan door de dood en voor zover de ene echtgenoot na de sluiting van het huwelijk met de andere echtgenoot en voor de beëindiging van het huwelijk als hiervoor bedoeld pensioenaanspraken heeft opgebouwd, zal geen verrekening van ouderdomspensioen plaatshebben.

(…)”

4.1.2.

Op 18 april 2002 hebben partijen bij notariële akte hun huwelijkse voorwaarden gewijzigd, althans aangevuld (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg). Deze gewijzigde huwelijkse voorwaarden luiden – voor zover van belang – als volgt:

“(…)

en thans over te willen gaan tot wijziging van de huwelijksvoorwaarden in die zin dat vanaf de dag na heden de tussen hen geldende huwelijksvoorwaarden zijn aangevuld met:

Afrekening aan het einde van het huwelijk

Artikel 10

  1. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden of tussen echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, vindt er verrekening van hun vermogens plaats zo, dat ieder van de partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn indien tussen de echtgenoten de algehele gemeenschap van goederen had bestaan.

  2. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk door de dood of ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, naar de toestand per aanvang van de dag van het instellen van het verzoekschrift daartoe.

De beschrijving van de vermogens zal plaats hebben binnen zes maanden na de ontbinding van het huwelijk of de scheiding van tafel en bed.

3. Het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden.

(…)

Aanspraken op al dan niet ingegaan pensioen worden niet in deze verrekening betrokken.

De vaststelling van de beide vermogens alsmede de bepaling van de waarde daarvan zullen geschieden in onderling overleg of bij gebreke daarvan door een of meer deskundigen als door de aard van de goederen wordt vereist, zulks ter beoordeling van na te melden kantonrechter. Vorenbedoelde deskundigen dienen te worden benoemd door de ter plaatse waar de goederen zich bevinden bevoegde kantonrechter. Bevinden de goederen zich in het buitenland dan vindt de benoeming plaats door de kantonrechter te Amsterdam. Het onderling overleg wordt als gestaakt beschouwd indien niet binnen twee maanden na dagtekening van een aangetekende brief waarbij door de ene echtgenoot aan zijn of haar mede-rechthebbende(n) om mededeling van hun inzichten dienaangaande is verzocht, overeenstemming is bereikt over de waarde.

4. De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert zo, dat ieder van hen de helft geniet van de waarde van de vermogens.

5. De uitkering moet worden gedaan in geld en wel binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk of, ingeval van scheiding van tafel en bed, binnen een jaar nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

6. Ingeval gewichtige redenen zich tegen prompte voldoening verzetten zullen de echtgenoten een redelijke betalingsregeling – al of niet met zekerheidstelling en al of niet met rente – treffen, waarbij de belangen van beiden in acht worden genomen.

7. Geen verrekening vindt plaats indien op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed een echtgenoot: in surséance van betaling verkeert dan wel een echtgenoot in staat van faillissement verkeert of heeft verkeerd; na het einde van het faillissement zal wel verrekening plaatsvinden indien het vermogen van de desbetreffende ex-gefailleerde echtgenoot positief is.

(…)”

4.1.3.

Bij beschikking van 18 november 2009 van de rechtbank Dordrecht is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 3 december 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.1.4.

Partijen hebben ter zake de vermogensrechtelijke gevolgen van hun echtscheiding afspraken gemaakt welke zijn vastgelegd in het op 4 juni 2009 door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant. Dit echtscheidingsconvenant, met daaraan gehecht een bijlage houdende een vermogensoverzicht per 31 december 2008, maakt integraal onderdeel uit van de echtscheidingsbeschikking d.d. 18 november 2009 (productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg).

In dit convenant is – voor zover thans van belang – het volgende overeengekomen:

“(…)

4.1.

Als datum van scheiding en deling wordt overeengekomen 31 december 2008.

(…)

4.4.

Partijen hebben een aandelenportefeuille. Aan ieder der partijen worden aandelen/effecten toegescheiden die op hun naam staan geadministreerd, onder verrekening van de helft van de waarde.

(…)

4.9.

Op grond van bovenstaande verdeling wordt de man overbedeeld. Partijen komen overeen dat binnen één maand na inschrijving van de echtscheiding de man aan de vrouw uitkeert een bedrag van € 304.099,-- (voor berekening zie bijlage), tegen algehele en finale kwijting.

4.10.

Op grond van de huwelijksvoorwaarden zijn er geen pensioenaanspraken die voor verdeling in aanmerking komen, uitgezonderd eventuele aanspraken op partnerpensioen, waartoe hierbij aan de vrouw een voorwaardelijk eigen recht wordt toegekend.

4.11.

Alle baten en lasten opgekomen na 1 januari 2009 worden toegescheiden aan c.q. komen toe voor rekening van degene die ze betreffen, voor zover daar in het vorenstaande geen anders luidende regeling voor is getroffen.

(…)

6.1.

Partijen verklaren met inachtneming van bovenstaande bepalingen ter zake van de scheiding en deling niets meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen elkaar over en weer te dier zake finale kwijting.

(…)”

4.1.5.

Vast staat dat partijen bij de opstelling van het echtscheidingsconvenant en de daaraan ten grondslag liggende berekening er ten onrechte van uit zijn gegaan dat het ABN AMRO effectendepot op naam stond van de man. Nadien is echter gebleken dat de rekening op naam van beide partijen stond. De waarde van het depot op de peildatum is verrekend.

4.2.

De vrouw heeft in eerste aanleg – voor zover thans van belang – gevorderd:

- de man te veroordelen over te gaan tot verdeling van het effectendepot bij de ABN AMRO Bank, op straffe van een dwangsom, en tot betaling van € 11.125,55, althans (subsidiair) tot betaling van ten minste € 158.075,55, onder toescheiding van de depotrekening aan de man;

- de man en de pensioenstichting hoofdelijk te veroordelen tot het verrichten van al het nodige om over te gaan tot afstorting van € 293.000,--, bij een door de vrouw aan te wijzen pensioenverzekeraar, op straffe van een dwangsom, althans de pensioenstichting te veroordelen tot betaling van dat bedrag op de derdengeldrekening van haar advocaat;

4.2.1.

De man heeft – voor zover in dit hoger beroep van belang – een reconventionele vordering ingesteld bij wege van rectificatie vast te stellen dat het door de man aan de vrouw uit hoofde van overbedeling verschuldigde bedrag € 301.078,-- bedraagt, alsmede de vrouw te veroordelen tot medewerking om het complex van (effecten)rekeningen rond [rekeningnummer] in zijn geheel op naam van de man te zetten, op straffe van een dwangsom.

4.2.2.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – :

In conventie

bepaald dat het effectendepot dat is gekoppeld aan rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van de man en de vrouw wordt toegedeeld aan de man zonder nadere verrekening;

In de overwegingen van het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat de vordering van de vrouw tot afstorting van de aan haar toekomende pensioenrechten, zal worden afgewezen. Deze beslissing is niet in het dictum van het vonnis opgenomen.

in reconventie

vastgesteld dat het bedrag dat de man wegens overbedeling aan de vrouw verschuldigd is in plaats van het in het echtscheidingsconvenant vermelde bedrag van € 304.099,--, de somma beloopt van € 301.078,-- en de vrouw veroordeeld tot medewerking om het complex van effectenrekeningen rond [rekeningnummer] in zijn geheel op naam van de man te stellen, een en ander op straffe van een dwangsom van €1.000,-- per dag.

4.3.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

Ontvankelijkheid

4.4.

In het dictum van het bestreden vonnis is geen eindbeslissing ten aanzien van het pensioen opgenomen. De rechtbank heeft echter wel reeds overwogen dat de vordering van de vrouw tot afstorting van de aan haar toekomende pensioenrechten, zal worden afgewezen. De vrouw kan van deze beslissing thans reeds in appel komen nu het bestreden vonnis een deelvonnis betreft (gedeeltelijk tussenvonnis en gedeeltelijk eindvonnis) en de mogelijkheid bestaat om tegelijk met het appel tegen het eindvonnis tegen het interlocutoire gedeelte van het vonnis te appelleren (HR 23 januari 2004, LJN AL7051; NJ 2005/510).

De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar appel, ook voor wat betreft haar grief met betrekking tot de pensioenrechten.

4.5.

De grieven van de vrouw betreffen - zakelijk weergegeven - :

- de verdeling van het effectendepot (grief 1);

- de afstorting van pensioenrechten (grief 2).

Effectendepot ABN AMRO (geregistreerd onder nr. [rekeningnummer] )

4.6.

De eerste grief van de vrouw richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat voornoemde depotrekening verdeeld moet worden in die zin dat deze volledig aan [geïntimeerde] wordt toegescheiden, zonder verrekening van enige waarde.

De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen.

“(…)

Vaststaat dat partijen bij de opstelling van het echtscheidingsconvenant en de daaraan ten grondslag liggende berekening er ten onrechte van zijn uitgegaan dat het ABN effectendepot in het vermogen van [geïntimeerde] viel. De waarde van het depot op de peildatum is tussen partijen verrekend.

Naar de rechtbank begrijpt, beroept [appellante] zich bij haar vordering onder III niet op dwaling. Zij heeft dienaangaande immers geen relevante feiten gesteld en geen beroep gedaan op de vernietigbaarheid van het echtscheidingsconvenant.

Beoordeeld zal worden of het effectendepot alsnog verdeeld moet worden en welke gevolgen dat dan dient te hebben in financiële zin. Bij deze beoordeling dient naar het oordeel van de rechtbank zoveel mogelijk te worden aangesloten bij hetgeen partijen bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant voor ogen stond. [appellante] heeft niet gesteld dat er destijds een andere financiële regeling zou zijn getroffen indien partijen zich zouden hebben gerealiseerd dat het effectendepot op hun beider naam stond geregistreerd. De nadien bekend geworden omstandigheid dat sprake was van een vermogensbestanddeel van één partij maar van een gemeenschappelijk goed, brengt dan ook niet mee dat [geïntimeerde] geen nakoming meer kan verlangen van de overeengekomen financiële regeling. Het ligt daarentegen het meest bij de bedoeling van de bij het convenant door partijen gemaakte afspraken om de depotrekening te verdelen in die zin dat deze volledig aan [geïntimeerde] wordt toegescheiden, zonder verrekening van enige waarde. Die waardeverrekening heeft immers al in het convenant plaatsgevonden. [appellante] kan in redelijkheid thans niet verwachten dat zij alsnog meedeelt in de door tijdsverloop sinds de peildatum gestegen waarde van de effecten en de inmiddels vervallen rente. De vordering van [appellante] onder III zal dan ook uitsluitend worden toegewezen voor wat betreft de toescheiding van de depotrekening aan [geïntimeerde] , onder afwijzing van hetgeen zij overigens gevorderd heeft.

(…)”

4.6.1.

De vrouw stelt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de effectenportefeuille niet is verdeeld. Immers, in het convenant is met geen woord gerept over gezamenlijke effectenportefeuilles, alleen over effectenportefeuilles die op naam van een van beide partijen staan. De betreffende effectenportefeuille is opgenomen als effectenportefeuille op naam van de man.

De vrouw stelt dat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk een andere financiële regeling zou hebben getroffen als zij zich zou hebben gerealiseerd dat het effectendepot op beider naam stond geregistreerd.

Voor zover nodig beroept de vrouw zich ook op dwaling, nu zij ten tijde van de ondertekening van het convenant evident van een verkeerde voorstelling van zaken is uitgegaan. De vrouw vordert in hoger beroep derhalve partiële vernietiging van het convenant voor zover het bewuste effectendepot aan de man is toebedeeld.

Volgens de vrouw doet zich de situatie voor van artikel 6:228 lid 1 onder b juncto c BW. De man wist of behoorde te weten dat het betreffende depot op beider naam stond en had uit dien hoofde de vrouw behoren te informeren, althans beide echtelieden zijn van dezelfde onjuiste voorstelling van zaken uitgegaan.

Met inachtneming van deze (voorwaardelijke) vernietiging dient het effectendepot alsnog bij gelijke helfte verdeeld te worden tussen de echtelieden, onder de gehoudenheid van de vrouw de somma van € 59.515,-- alsnog in deze partiële nadere verdeling in te brengen gelijk de man dient in te brengen alle vruchten die hij na de peildatum heeft ontvangen ter zake het effectendepot in de vorm van rentes of overige baten onder welke titel dan ook, de vrouw begroot deze op € 100.000,-- als de man weigerachtig mocht blijven inzage te geven in de door hem genoten vruchten c.q. baten. De vrouw doet expliciet een beroep op artikel 6:20 lid 2 BW.

Daarnaast wordt zoveel nodig een beroep gedaan op artikel 3:196 BW nu tevens sprake is van benadeling met meer dan een kwart.

Voor zover mocht worden toegekomen aan uitleg van het onderhavige convenant dan geldt onverkort hetgeen hiervoor is betoogd. Een redelijke uitleg ter zake van de klaarblijkelijk bestaande leemte – immers een gemeenschappelijk depot is als zodanig in het convenant niet benoemd – lijkt toch ervan te mogen uitgaan dat die zaken die voor verdeling vatbaar zijn zoveel mogelijk bij gelijke helfte dienen te worden verdeeld tussen partijen.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de vrouw zich voorts nog beroepen op art. 3:194 lid 2 BW en (subsidiair) op art. 3:178 BW.

4.6.2.

De man voert verweer.

Voor zover de vrouw al aan haar stelplicht ten aanzien van dwaling op grond van artikel 6:228 BW voldoen, hetgeen de man betwist, is dit artikel niet van toepassing, gelet op het bepaalde in artikel 3:199 BW. Ingeval van verdeling kan alleen aan de orde zijn de bijzondere regeling van artikel 3:196 BW, bij benadeling voor meer dan een kwart. De vrouw heeft haar stelling dat van een dergelijke benadeling sprake is op geen enkele wijze onderbouwd. De man betwist de benadeling, nu de staat van verdeling volstrekt in evenwicht is. Tegen het ter gelegenheid van het pleidooi door de vrouw gedane beroep op artikel 3:194 lid 2 en art. 3:178 BW heeft de man bezwaar gemaakt, nu dit naar zijn stelling te laat is aangevoerd.

4.6.3.

Het hof overweegt als volgt.

Bij gelegenheid van het pleidooi is gebleken dat het effectendepot destijds is geopend in opdracht en op naam van een Besloten Vennootschap (B.V.) van de man - naar het hof begrijpt een B.V. waarvan de man enig aandeelhouder was - die inmiddels is beëindigd en geliquideerd. Het effectendepot is vervolgens op naam van beide partijen gesteld. Het vermogen waarmee de effecten zijn aangeschaft betreft in oorsprong (zo is onbestreden bij pleidooi gesteld) vennootschappelijk vermogen van de man en betreft dus, na liquidatie van de BV privévermogen van de man. Het feit dat het effectendepot op naam van beide partijen is gesteld, doet hieraan niet af. De tenaamstelling van het depot en de daaraan gekoppelde rekening is niet beslissend voor de beantwoording van de vraag wie gerechtigd is tot het saldo van die rekening en tot het effectendepot. De tenaamstelling zegt alleen iets over de verhouding van de rekeninghouders ten opzichte van de bank. Of de vrouw gerechtigd is tot enig deel van het saldo en / of het effectendepot hangt af van de bedoeling van partijen bij de wijziging van de tenaamstelling. Geen van partijen heeft feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat dat het de bedoeling (van de man) is geweest om het effectendepot door de tenaamstelling gemeenschappelijk te doen zijn. De man heeft gesteld dat er niet over is gesproken tussen partijen. Nu - naar het oordeel van het hof - het effectendepot behoorde tot het vermogen van de man en niet is gebleken van een intentie van zijn zijde dit door naamswijziging gemeenschappelijk te doen zijn, brengt dit met zich dat partijen ten aanzien van dit depot en op basis van de huwelijkse voorwaarden op correcte wijze hebben afgerekend. Hetgeen de vrouw overigens nog heeft aangevoerd in de toelichting op grief I behoeft geen bespreking meer. Grief I faalt.

Grief 2. Afstorting pensioenrechten

4.7.

De tweede grief van de vrouw richt zich tegen het afwijzen van haar vordering de man en de stichting te veroordelen tot afstorting van € 293.000,-- bij een door haar aan te wijzen pensioenverzekeraar.

Het gaat hier om het in eigen beheer, in de toenmalige onderneming van de man, opgebouwde pensioen, waarbij het volledige voor de pensioenaanspraak benodigde kapitaal inmiddels door partijen is overgedragen aan een – met dat doel opgerichte – stichting, de Stichting Directiepensioenfonds [stichting directiepensioenfonds] .

De man was bij aanvang van de procedure in eerste aanleg nog enig bestuurder van de stichting. Uit het bij akte van 2 mei 2012 overgelegde uittreksel uit het handelsregister blijkt dat de stichting inmiddels de volgende bestuurders heeft: WA-IT B.V., [bestuurder 1] en [bestuurder 2] , die allen gezamenlijk bevoegd zijn.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestuur van de stichting voldoet aan de eis van onafhankelijkheid en dat daarmee geen sprake (meer) is van een situatie waarin de man de rechtspersoon waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht volledig, dan wel in overwegende mate beheerst. De rechtbank concludeert dat er thans geen grond (meer) is om aan te nemen dat [geïntimeerde] dan wel de stichting gehouden is/zijn zorg te dragen door afstorting van de aan de vrouw toekomende pensioenrechten.

4.7.1.

De vrouw is van mening dat de rechtbank er bij de beoordeling van alle omstandigheden aan voorbij is gegaan dat het niet de vrouw is die moet bewijzen dat niet zorgvuldig wordt omgegaan met het belegde vermogen, maar aan de man en de stichting om klemmende omstandigheden aan te wijzen die ertoe kunnen nopen de vordering tot afstorting af te wijzen.

De vrouw stelt dat het in het vermogen van de man ligt om bestuurders te benoemen en te ontslaan zoals hem dat belieft. Uit een recent uittreksel uit het handelsregister blijkt dat thans de heer [bestuurder 3] is toegetreden tot het bestuur. Van enige consistente gedragslijn is geen sprake, nu in een tijdsbestek van ruim anderhalf jaar de facto vier keer een bestuurswisseling heeft plaatsgevonden.

De vrouw wijst er op dat uit de jaarrekening blijkt dat de kosten zijn geëxplodeerd. De vrouw is van mening dat het “potje” leeg is op deze wijze als zij aan de beurt is.

Voorts blijkt dat de man met de Stichting een rekening-courantverhouding heeft. De man heeft een vordering op de stichting en over deze vordering wordt rente vergoed.

4.7.2.

De man wijst er op dat het hier niet gaat om een vennootschap waarin pensioenvermogen in eigen beheer wordt gehouden, met alle risico’s die aan bedrijfsvoering zijn verbonden. Het gaat om een pensioenstichting, een afgezonderd vermogen waarmee zakelijk geen risico wordt gelopen. Het betreft een constructie waarvoor partijen beiden hebben gekozen.

De rechtbank heeft terecht geconstateerd dat de man niet in een positie verkeert waarin hij de stichting beheerst. De stichting heeft haar eigen bestuur. De bestuursleden zijn verantwoordelijk voor de wijze waarop de stichting wordt bestuurd en de leden van het bestuur bepalen zelf wie hen – zo al aan de orde – als bestuurder opvolgt.

De stichting legt in dit verband ‘als trustee’ verantwoording af aan haar belanghebbenden, zowel aan de man als de vrouw.

Als de onafhankelijkheid van de stichting is gewaarborgd, in die zin dat de man de rechtspersoon niet beheerst, vervalt de grondslag aan de vordering van de vrouw en heeft de rechtbank deze terecht afgewezen, aldus de man.

4.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

De vraag die aan het hof voorligt is of er grond is de man te verplichten tot afstorting van het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraak bij een door de vrouw aan te wijzen pensioenverzekeraar.

Conform vaste jurisprudentie zullen de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, in het algemeen meebrengen dat de tot verevening verplichte echtgenoot die als directeur en enig aandeelhouder de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, dient zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak. De beantwoording van de vraag of daarop in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt, moet geschieden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (HR 9 februari 2007, NJ 2007, 306).

De man stelt zich op het standpunt dat, nu hij de stichting waarin de pensioenaanspraak is ondergebracht niet beheerst, hij niet gehouden is tot afstorting.

4.7.4.

Het hof overweegt dat, hoewel de man formeel geen bestuurder is van de pensioenstichting en zowel de man als de heer [bestuurder 3] , als vertegenwoordiger van het bestuur van de pensioenstichting, hebben gesteld dat het bestuur van de stichting volledig onafhankelijk is, partijen het er over eens zijn dat geen sprake is van pensioen bij een externe pensioenverzekeraar. Het hof is van oordeel dat pensioen in de voorliggende vorm in beginsel risicovoller is dan pensioen dat is ondergebracht bij een externe pensioenverzekeraar. Het hof overweegt voorts dat ook in het geval de gewezen echtgenoot niet in beginsel aanspraak kan maken op afstorting (omdat – zoals hier – de man de pensioenstichting niet beheerst, als bedoeld in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2007) in een concreet geval de eisen van de redelijkheid en billijkheid mee kunnen brengen dat niettemin tot afstorting dient te worden overgegaan. De omstandigheden van het geval zijn daarbij beslissend. In dit verband is voorts van belang dat niet slechts de verhouding tussen partijen na echtscheiding beheerst wordt door de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar ook de verhouding tussen de gewezen echtgenoot en het uitvoeringsorgaan (dus bij ‘eigen beheer’: de werkmaatschappij, pensioen-BV of pensioenstichting (HR 12 maart 2004, NJ 2004, 636).

4.7.5.

In het licht van het voorgaande en hetgeen door partijen in de stukken en ten pleidooie is aangevoerd, heeft het hof een aantal vragen. Het hof acht op dit punt deskundigenonderzoek noodzakelijk. Het hof is voornemens aan de te benoemen deskundige(n) de volgende vragen voor te leggen:

  1. Wat is de consequentie van afstorting bij een externe pensioenverzekeraar voor de positie (ten voordele dan wel ten nadele) van zowel de man als de vrouw, in vergelijking met de situatie dat de volledige pensioenaanspraak bij de stichting ondergebracht blijft?

  2. Is er in algemene zin iets te zeggen over het verschil in positie wat onafhankelijkheid betreft, tussen een stichting als de onderhavige en een externe pensioenverzekeraar?

  3. Indien het hof tot het oordeel zou komen dat de man over moet gaan tot afstorting van het kapitaal dat nodig is voor het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraak, welk bedrag is hiermee dan gemoeid?

Het hof is voornemens, ter beantwoording van voorgaande vragen tot deskundige te benoemen de heer H. Bets van Actuarieel Adviesbureau Confident BV, [adres] , [postcode] [kantoorplaats] (tel. [telefoonnummer] ). Naar het voorlopig oordeel van het hof kan met benoeming van één deskundige worden volstaan.

4.7.6.

Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de te benoemen deskundige(n), met name over het voornemen van het hof tot benoeming van één deskundige, als onder 4.7.5. beschreven. Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

4.7.7.

Het hof is gelet op de omstandigheden van dit geding voornemens de kosten van de deskundige voorshands gelijkelijk ten laste van partijen te brengen.

5 De uitspraak

Het hof:

Verwijst de zaak naar de rol van 26 augustus 2014 voor akte uitlating partijen omtrent het voornemen van het hof tot deskundigenbenoeming en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen als beschreven in de overwegingen 4.7.5 tot en met 4.7.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, C.A.R.M. van Leuven en A.R. Autar, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 juli 2014.

griffier rolraadsheer

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.