Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHDHA:2025:489

Gerechtshof Den Haag
25-03-2025
26-03-2025
22-000696-23
Strafrecht
Hoger beroep

Functioneel daderschap. Eigenaar administratiekantoor, tevens eenmanszaak strafrechtelijk aansprakelijk voor omzetbelastingfraude werknemers.

Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2025040101

Uitspraak

Rolnummer: 22-000696-23

Parketnummer: 83-133531-22

Datum uitspraak: 25 maart 2025

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 februari 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

adres: [woonadres], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van het voorarrest en een geldboete ter hoogte van € 25.000. Voorts is als bijkomende straf opgelegd de ontzetting van de verdachte van het recht tot de uitoefening van het beroep waarbij de verdachte betrokken is bij belastingaangiftes dan wel financiële administratie voor de duur van 3 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij, handelend onder [bedrijf 1], op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 januari 2017, te Den Haag en/of Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een (elektronische) aangifte/aangiftebiljet voor de omzetbelasting over de maanden februari 2014 en /of april 2014 en/of mei 2014 en/of juni 2014 en/of juli 2014 en/of augustus 2014 en/of oktober 2014 en/of november 2014 en/of december 2014 en/of januari 2015 en/of februari 2015 en/of april 2015 en/of mei 2015 en/of juni 2015 en/of juli 2015 en/of augustus 2015 en/of september 2015 en/of oktober 2015 en/of november 2015 en/of december 2015 en/of januari 2016 en/of februari 2016 en/of maart 2016 en/of april 2016 en/of mei 2016 en/of juli 2016 en/of augustus 2016 en/of september 2016 en/of november 2016 en/of december 2016 ten name van [bedrijf 2] en/of [medeverdachte],

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of laten doen, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s), (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der belastingen (digitaal) ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) tijdvak(ken) (telkens) een te laag, althans onjuist, bedrag aan belasting opgegeven en/of vermeld, althans doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat feit (telkens)ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij, handelend onder [bedrijf 1], op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot en met 3 1 januari 2017, te Den Haag en/of Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

een (elektronische) aangifte/aangiftebiljet voor de omzetbelasting over de maand(en) februari 2014 en/of maart 2014 en/of april 2014 en/of mei 2014 en/of juni 2014 en/of juli 2014 en/of augustus 2014 en/of oktober 2014 en/of november 2014 en/of december 2014 en/of januari 2015 en/of februari 2015 en/of april 2015 en/of mei 2015 en/of juni 2015 en/of juli 2015 en/of augustus 2015 en/of september 201 5 en/of oktober 2015 en/of november 2015 en/of december 2015 en/of januari 2016 en/of februari 2016 en/of maart 2016 en/of april 2016 en/of mei 2016 en/of juni 2016 en/of juli 2016 en/of augustus 2016 en/of september 2016 en/of oktober 2016 en/of november 2016 en/of december 2016 ten name van [bedrijf 2] en/of [medeverdachte],

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door hogere aangifte(n) en/of lagere aangifte(n) en/of nihilaangifte(n) te doen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de straf, en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, een geldboete ter hoogte van € 25.000,- en dat als bijkomende straf wordt opgelegd de ontzetting van de verdachte van het recht tot de uitoefening van het beroep waarbij de verdachte betrokken is bij belastingaangiftes dan wel financiële administratie voor de duur van 3 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij, handelend onder [bedrijf 1], op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 januari 2017, te Den Haag en/of Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (elektronische) aangifte/aangiftebiljet voor de omzetbelasting over de maanden februari 2014 en /of april 2014 en/of mei 2014 en/of juni 2014 en/of juli 2014 en/of augustus 2014 en/of oktober 2014 en/of november 2014 en/of december 2014 en/of januari 2015 en/of februari 2015 en/of april 2015 en/of mei 2015 en/of juni 2015 en/of juli 2015 en/of augustus 2015 en/of september 2015 en/of oktober 2015 en/of november 2015 en/of december 2015 en/of januari 2016 en/of februari 2016 en/of maart 2016 en/of april 2016 en/of mei 2016 en/of juli 2016 en/of augustus 2016 en/of september 2016 en/of november 2016 en/of december 2016 ten name van [bedrijf 2] en/of [medeverdachte], (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of laten doen, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s), (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der belastingen (digitaal) ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) tijdvak(ken) (telkens) een te laag, althans onjuist, bedrag aan belasting opgegeven en/of vermeld, althans doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere overweging

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat gedurende de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 januari 2017 door het administratiekantoor [bedrijf 1], de eenmanszaak van de verdachte, vele onjuiste aangiftes omzetbelasting (waaronder 17 zogenaamde nihilaangiftes) op naam van de medeverdachte [medeverdachte] zijn gedaan. Deze aangiftes zijn opgemaakt en ingediend door twee medewerkers van het administratiekantoor, te weten [medewerker 1] en [medewerker 2], terwijl zij wisten dat deze onjuist waren. Niet is gebleken dat de verdachte enige directe betrokkenheid had bij het opmaken en indienen van deze onjuiste aangiftes; de belastende verklaring op dit punt van [medewerker 1] wordt tegengesproken door de verklaringen van [medewerker 2] en van de verdachte zelf, zodat het hof daar niet zonder meer vanuit kan gaan.

(Functioneel) daderschap

Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde (functioneel) daderschap is in een geval als het onderhavige vereist dat komt vast te staan dat de verdachte erover vermocht te beschikken of het opmaken en indienen van onjuiste aangiftes voor de omzetbelasting door haar twee werknemers zouden plaatsvinden en dat deze gedragingen door de verdachte werden aanvaard of plachten te worden aanvaard (de zogenaamde IJzerdraadciteria). Van aanvaarding is niet alleen sprake indien de verdachte wist dat een verboden gedraging plaatsvond of wist dat het in het algemeen op een dergelijke manier gebeurde, maar ook indien de verdachte (tenminste) heeft nagelaten de zorg te betrachten die in redelijkheid van haar of hem kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de verboden gedraging (zie het zogenaamde Drijfmest-arrest, HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938 en HR 8 december 2015 ECLI:NL:HR:2015:3487 in welk arrest het verruimde aanvaardingscriterium ook is doorgetrokken naar de functionele dader).

Vast staat dat de verdachte erover kon beschikken of de gedragingen van haar werknemers [werknemer 1] en [werknemer 2] zouden plaatsvinden. [bedrijf 1] was een relatief klein administratiekantoor met ongeveer vijf à zes werknemers, waaraan de verdachte leiding gaf. De twee hierboven genoemde werknemers waren bij de verdachte in dienst en er bestond een gezagsverhouding tussen haar en beide werknemers. De verdachte had aldus feitelijke zeggenschap over hun werkzaamheden en instructiebevoegdheid ten aanzien van de wijze waarop deze dienden te worden uitgevoerd, hetgeen tevens impliceert dat zij in een positie was om in te grijpen. Daarmee is aan het criterium van de beschikkingsmacht voldaan.

Aanvaarding door de verdachte?

Ten aanzien van de vraag of het opzettelijk doen van onjuiste aangiftes door verdachtes werknemers door de verdachte werd of placht te worden aanvaard, is van belang wat de verklaringen van de verdachte inhouden over de werkzaamheden van [bedrijf 1] en de relatie met [medeverdachte].

De verdachte heeft onder meer verklaard dat [bedrijf 1] aangiftes omzetbelasting voor haar klanten indient op basis van de gegevens die zij op dat moment beschikbaar heeft. Als [bedrijf 1] geen aangifte indient krijgt de klant immers een ambtshalve aanslag. Vaak wordt achteraf door [bedrijf 1] wel een suppletie gedaan, als er achteraf nog extra gegevens beschikbaar komen. Bij [medeverdachte] was het echter, in de woorden van de verdachte, zo'n zooitje dat [bedrijf 1] tot lang na de tenlastegelegde periode bezig was om onvolledigheden te herstellen. “Alle meiden van kantoor klaagden dat zij hun werk niet goed konden doen, omdat zij stukken misten en heel erg achter [medeverdachte] moesten aanzitten om de benodigde informatie te krijgen”, aldus de verdachte. Zij gaf aan twee lastige klanten te hebben die de benodigde gegevens niet tijdig en volledig aanleverden, waarvan [medeverdachte] er een was. Zij heeft voorts verklaard dat zij ervan uitging dat haar medewerksters de aangiftes juist en volledig indienden. Zij heeft dat niet gecontroleerd, want naar eigen zeggen is dat is niet te doen per klant en het ontbrak haar daarvoor aan tijd.

Hoewel niet is gebleken dat de verdachte wist dat haar werknemers de onjuiste aangiftes omzetbelasting voor de medeverdachte [medeverdachte] opmaakten en indienden of dat dat in het algemeen gebeurde, stelt het hof vast dat de verdachte ervan op de hoogte was dat [medeverdachte] weliswaar stukken aanleverde, maar – naar zeggen van de verdachte - nooit op tijd en vaak incompleet.

Het hof is voorts gebleken dat de verdachte binnen [bedrijf 1] zelf verantwoordelijk was voor het opstellen van de jaarrekeningen van [bedrijf 2] en voor het indienen van de aangiftes voor de inkomstenbelasting op naam van [medeverdachte]. Deze aangiftes waren voor de jaren 2014, 2015 en 2016 (nog) niet gedaan. De verdachte heeft verklaard dat zij bij het afronden van de jaarcijfers voor een klant een jaaromzetbelastingstaat uitdraait. Op dat moment kan zij ook zien hoe vaak [bedrijf 1] nihilaangiftes heeft gedaan voor een klant. Voor [medeverdachte]/[bedrijf 2] is dat in de tenlastegelegde periode niet gebeurd, nu zij de administratie van [bedrijf 2] nooit heeft afgemaakt omdat het dossier steeds niet compleet was. Zij is daardoor aan een jaaroverzichtstaat voor de omzetbelasting niet toegekomen, terwijl haar medewerksters nooit met haar hebben gesproken over het indienen van nihilaangiftes voor [medeverdachte], hetgeen zij in de tenlastegelegde periode 17 keer hebben gedaan. In dat verband heeft de verdachte verklaard: “Ik heb geen contacten met mijn medewerksters over de aangiftes omzetbelasting. Ik ben al blij als ik de jaarcijfers op tijd af krijg".

Uit het voorgaande leidt het hof af dat [medeverdachte] bij [bedrijf 1] en bij de verdachte als leidinggevende een slechte reputatie had waar het ging om het deugdelijk, compleet en tijdig aanleveren van stukken. Dit brengt mee dat er een reëel risico was dat [bedrijf 1], uitgaande van de op het moment van de aangifte beschikbare, maar incomplete gegevens, onjuiste aangiftes omzetbelasting zou indienen voor [medeverdachte]. Onder deze omstandigheden had de verdachte naar het oordeel van het hof beter toezicht moeten houden op de werkzaamheden die haar werknemers ten behoeve van [medeverdachte]/[bedrijf 2] verrichtten. Het verweer dat niet van haar gevergd kan worden dat zij per klant de aangiftes omzetbelasting zou controleren en accorderen treft geen doel. Blijkens haar eigen verklaring was [medeverdachte] immers een van slechts twee lastige klanten die de benodigde gegevens niet tijdig en volledig aanleverden. Zijn handelwijze bracht haar bovendien ook zelf in de problemen bij het uitvoeren van de jaarafsluitingen, die zij bij gebreke van een compleet dossier meermalen niet kon afronden. Hierdoor liet zij ook de gelegenheid tot het achteraf controleren van de cijfers en het uitvoeren van correcties onbenut.

Door onder de onderhavige omstandigheden te verzuimen om toezicht te houden en controle uit te voeren heeft de verdachte nagelaten de zorg te betrachten die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van het indienen van onjuiste aangiftes. Aldus kan worden geconcludeerd dat de verdachte de strafbare gedragingen van haar werknemers heeft aanvaard en dat dit handelen ook aan haar kan worden toegerekend. Daarnaast is er sprake van voorwaardelijk opzet nu de verdachte door het aanvaarden van de gedragingen van de werknemers tevens bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er onjuiste en/of onvolledig aangifte omzetbelasting werd gedaan.

Nu het handelen van de medewerkers aan de verdachte kan worden toegerekend en deze medewerkers handelden in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] is ook sprake van medeplegen. Dit brengt mee dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich als eigenaresse van haar eenmanszaak [bedrijf 1], in die hoedanigheid samen met anderen gedurende bijna drie jaar, schuldig gemaakt aan belastingfraude door het opzettelijk onjuist indienen van aangiftes omzetbelasting. Door dit handelen heeft de verdachte het door de Belastingdienst gehanteerde systeem, dat erop berust dat steeds op de juistheid van de gedane aangiftes en onderliggende administratie moet kunnen worden vertrouwd,

ondergraven. Hierdoor is de overheid, en daarmee de gehele samenleving benadeeld en is de algemene belastingmoraal ondermijnd. Het benadelingsbedrag bedraagt bijna € 450.000,-.

Justitiële Documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 februari 2025, waaruit blijkt dat zij recentelijk niet is veroordeeld voor enig soortgelijk delict.

Persoon van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals naar voren gebracht ter terechtzitting in hoger beroep. Zo heeft de verdachte, onderbouwd met medische stukken, verklaard dat haar medische toestand slecht is. Zij heeft daarnaast een hoge schuldenlast.

Overschrijding redelijke termijn

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf alsmede een geldboete ter hoogte van € 12.500,- in beginsel een passende en geboden sanctie is. Het hof neemt echter in aanmerking dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Immers, de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden met 1 jaar en 8 maanden, nu de verdachte op 24 juni 2019 in verzekering is gesteld en de rechtbank op 28 februari 2023 uitspraak heeft gedaan. Het hof stelt daarnaast vast dat de redelijke termijn in hoger beroep in geringe mate is overschreden met 2 weken. Gelet hierop zal het hof in plaats van een geldboete ter hoogte van

€ 12.500,- een geldboete van € 10.000,- alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen.

Anders dan de advocaat-generaal, ziet het hof gelet op het tijdsverloop en de huidige medische situatie van de verdachte thans geen grond meer om als bijkomende straf op te leggen de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep waarbij de verdachte betrokken is bij belastingaangiftes dan wel financiële administratie.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van

€ 10.000,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door, mr. K. Versteeg, als voorzitter, en mr. W.J. van Boven en mr. M.S. Lamboo, leden, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 maart 2025.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.