Beoordeling van het hoger beroep
11. Het gaat in deze zaak om het recht op de betaling van overwerk. In art 1 van de cao is bepaald dat er sprake is van overwerk als de werknemer in opdracht van de werkgever werkzaamheden verricht buiten de feitelijke (overeengekomen) arbeidsduur. Het debat spitst zich dan ook toe op de vraag of het Havenbedrijf opdracht heeft gegeven om overwerk te verrichten.
11. [appellant] heeft over de jaren 2018 en 2019 in totaal voor een bedrag van
€ 99.664,95 aan salaris ontvangen voor het door hem gestelde overwerk. Dit bedrag is volgens het Havenbedrijf onverschuldigd aan [appellant] betaald, omdat van overwerk geen sprake was. Het Havenbedrijf heeft in eerste aanleg - na verrekening met salaris en de eindafrekening (r.o. 3.9) – een bedrag van € 88.953,70 bruto op grond van onverschuldigde betaling (art. 6:203 lid 2 BW) van [appellant] teruggevorderd.
Stelplicht en bewijslast onverschuldigde betaling
13. De kantonrechter heeft terecht vooropgesteld dat de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de onverschuldigdheid van de betaling van het bedrag van € 99.664,95 bij het Havenbedrijf liggen (art. 150 Rv).
13. De bewijslast heeft de kantonrechter echter omgekeerd, op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. [appellant] diende – kort gezegd – het overwerk te bewijzen. Daarbij heeft de kantonrechter ook geoordeeld dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat het Havenbedrijf opdracht had gegeven de fotowerkzaamheden buiten zijn gebruikelijke werktijd te verrichten (r.o. 5.7 van het tussenvonnis van 20 augustus 2021). Daarmee waren de fotowerkzaamheden in eerste aanleg geen thema van de bewijsopdracht.
13. Met grief 1 betoogt [appellant] onder meer dat de bewijslast ten onrechte is omgekeerd. Deze grief slaagt in dit opzicht. Bij het omkeren van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid dient de rechter terughoudend te zijn. Het hof ziet bij deze terughoudende toets niet in waarom de redelijkheid en billijkheid en vergen dat de bewijslast moet worden omgedraaid.
Het overwerk ziet alleen op fotowerkzaamheden
16. In eerste aanleg ging het processuele debat over overwerk uitsluitend over het verrichten van fotowerkzaamheden.
16. Met grief 2 betoogt [appellant] dat er ten onrechte geen onderscheid is gemaakt tussen de gedeclareerde overwerkuren voor de reguliere functie en de fotowerkzaamheden. Het is volgens [appellant] daarom verkeerd om alleen naar de fotowerkzaamheden te kijken. [appellant] heeft dit als volgt toegelicht.
17.1.
[appellant] mocht voor zijn reguliere werk overwerkuren maken zonder voorafgaand expliciete toestemming hiervoor. Dat paste binnen zijn functie, waarbij hij onder meer toezicht hield op het onderhoud van de kademuren. Dit werk kon naar de aard niet steeds binnen de werktijd gebeuren. De functie is op papier hetzelfde gebleven, maar is wel veranderd. Eerst zag het werk alleen op verzakkingen van kademuren, maar eind 2017/begin 2018 moesten ook bestratingswerkzaamheden worden uitgevoerd. Dat moest vooral in de avonden en weekenden worden uitgevoerd.
17.2.
[appellant] was de enige medewerker van de afdeling die veel overwerkte. [leidinggevende] wist dat [appellant] buiten kantoortijden overwerkuren maakte.
17.3.
[appellant] heeft in de periode van 2018 tot en met januari 2020 de overwerkuren bijgehouden in een eigen notitieblok. Deze overwerkuren corresponderen met de overwerkurenbriefjes die zijn geaccordeerd door [leidinggevende] . De meeste overwerkuren zijn gemaakt tijdens de wachtdienst, waarbij [appellant] de bereikbaarheidsdienst heeft uitgevoerd voor spoedincidenten.
17.4.
[appellant] heeft in totaal 597,50 overwerkuren gemaakt binnen zijn reguliere functie.
18. Het Havenbedrijf heeft daar het volgende tegenin gebracht.
18.1.
Het nu in hoger beroep opgenomen standpunt van [appellant] over het overwerk is nieuw en in strijd met wat hij eerder verklaarde, namelijk dat het overwerk alleen zag op fotowerkzaamheden, maar dat hij vond dat [leidinggevende] niet over deze overuren ging, zodat deze niet ter accordering aan hem voorgelegd moesten worden.
18.2.
[appellant] heeft jarenlang dezelfde functie uitgeoefend. Deze functie is nimmer gewijzigd. Over de jaren voor 2018 heeft [appellant] nooit zoveel overuren geschreven als in 2018 en 2019. In de jaren voor 2018 schreef hij in zeer beperkte mate betaalde overuren. [appellant] geeft voor deze grote toename geen goede verklaring.
18.3.
De stelling dat [appellant] bereikbaarheidsdiensten - ook wel piketdiensten genoemd - heeft gedraaid en dat de meeste overuren daar op zien staat haaks op het ook door hem ingenomen standpunt dat hij 'regulier' overwerk heeft verricht, waarbij hij 'gewoon' heeft gewerkt gedurende die uren. Bovendien was er in de functie van [appellant] al sinds augustus 2012 geen sprake (meer) van (standaard)bereikbaarheidsdiensten. Bereikbaarheid is iets anders. De cao kende een specifieke regeling voor bereikbaarheidsdiensten, de Regeling B. Een werknemer ontving bij zo’n dienst een (beperkte) vaste compensatie en pas bij een oproep en het verrichten van extra werk, kwam de werknemer in aanmerking voor een overwerkvergoeding conform art. 19 van deze cao.
18.4.
Het is niet zo dat [appellant] zelf kon bepalen of hij overwerk moest en mocht verrichten. Dat blijkt ook uit niets. [appellant] hoefde in zeer beperkte mate overwerk te verrichten in het kader van zijn reguliere werkzaamheden. Het is gebruikelijk dat een werknemer met de functie van [appellant] gemiddeld 11 uren per maand overwerk verricht. De overuren die [appellant] daarboven heeft genoteerd in de jaren 2018 en 2019 zien allemaal op de foto-werkzaamheden.
18.5.
Uit niets blijkt dat [appellant] in de jaren 2018 en 2019 opdracht heeft gekregen om meer dan 11 uren per maand overwerk te verrichten, noch dat hij dit overwerk zou hebben verricht.
18.6.
De slechts zeven loonstroken waarop [appellant] zich, in verband met de hoeveelheid overwerk op beroept, geven een verkeerd en onvolledig beeld. Het had voor de hand gelegen dat hij alle loonstroken had overgelegd en daarmee het volledige beeld had geschetst. Uit het overgelegde extract uit de administratie van het Havenbedrijf volgt dat het aantal overuren van [appellant] vóór 2018 substantieel lager was, zelfs lager dan het genoemde gemiddelde van 11 uur per maand. Over 2016 was het namelijk een gemiddelde van 4,67 overuren per maand, over 2015 een gemiddelde van 5,17 per maand en over 2014 een gemiddelde van 3,83 per maand.
18.7.
Het Havenbedrijf plaats vraagtekens bij de betrouwbaarheid van het door [appellant] overgelegde notitieblok. Het notitieblok vangt pas aan met 20 september 2018 als eerste datum, terwijl het blok blijkbaar op 15 juni 2022 door de heer Arie de Jong ingevuld. Het handschrift in het notitieblok komt niet overeen met het handschrift op de tijdbrieven en bovendien verschilt het handschrift ook in het notitieblok zelf. Ook is opmerkelijk dat [appellant] dit notitieblok pas in hoger beroep inbrengt. Gezien alle discussies in en buiten rechte had [appellant] dit notitieblok allang kunnen delen, maar heeft dat niet gedaan. Dat laatste had wel voor de hand gelegen.
18.8.
Het is niet duidelijk hoe [appellant] met een notitieblok een tabel heeft gemaakt en daarop baseert dat hij in totaal 597,50 overwerkuren heeft gemaakt in zijn reguliere functie. Het Havenbedrijf betwist dit.
18.9.
[appellant] heeft een tabel opgesteld met het aantal gewerkte uren over 2013 t/m 2020, gebaseerd op een uitdraai van het UWV. Deze uitdraai is niet compleet en niet is na te gaan hoe het UWV tot deze uren komt of op de volledige uitdraai nog relevante informatie is vermeld. [appellant] geeft zelf al aan dat in de jaren 2013 en 2014 de reguliere arbeidsuren zijn gewerkt, te weten 1872 uur per jaar (gedeeld door 52 weken is 36 uur per week; de standaard arbeidsomvang bij het Havenbedrijf). Omdat de functie van
[appellant] niet is gewijzigd, schetst het aantal van 1872 uur in feite het correcte beeld. De conclusie die [appellant] trekt uit de tabel is onjuist.
19. Naar het oordeel van het hof dient voor het in het geding zijnde overwerk alleen te worden gekeken naar de fotowerkzaamheden. De onderbouwing van het betoog van [appellant] dat het overwerk ook ziet op werk in de reguliere functie overtuigt het hof niet. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
19.1.
De stelling dat het overwerk in belangrijke mate is toe te rekenen aan overwerk in de reguliere functie, is nieuw. Het debat in eerste aanleg ging uitsluitend over overwerk door het verrichten van fotowerkzaamheden. Er is echter geen formeel/procesrechtelijk bezwaar tegen het innemen van deze nieuwe stelling.
19.2.
Dat neemt niet weg dat deze nieuwe stelling wezenlijk afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het standpunt van [appellant] over het overwerk, omdat een goede verklaring voor deze draai ontbreekt. Op dit punt is van belang dat het geschil ziet op 886 overwerkuren in 2018 en 1114 uren overwerk in 2019 (inleidende dagvaarding 15), dus totaal 2000 uren overwerk.
[appellant] heeft het over 597,50 uren aan overwerk in de reguliere functie (memorie van grieven 38). Dat is bijna 30% van het totaal aan overuren. Als dat (hoge) percentage klopt ligt het voor de hand om aan te nemen dat
[appellant] dit wist. Dat geldt temeer nu hij zich beroept op een notitieblok waaruit dit zou blijken. Dan is niet goed in te zien waarom dit relevante en zichtbare punt niet eerder door hem in eerste aanleg aan de orde is gesteld. In de correspondentie tussen partijen gaat het ook alleen maar over overwerk door het verrichten van fotowerkzaamheden (r.o. 3.7, 3.8 en 3.10).
19.3.
[appellant] heeft de gestelde toename van overwerk in 2018 onder meer verklaard doordat sprake zou zijn van inhoudelijke wijziging van zijn. Die verklaring is echter onvoldoende onderbouwd. Daarbij is van belang dat [appellant] ook stelt dat de meeste overuren zijn gemaakt tijdens de wachtdienst, waarbij [appellant] de bereikbaarheidsdienst heeft uitgevoerd voor spoedincidenten (memorie van grieven 37). Het Havenbedrijf heeft echter, niet weersproken, aangevoerd dat [appellant] deze diensten al sinds augustus 2012 niet meer uitvoerde. niet als overwerk gelden omdat daar een specifieke regeling voor bestaat, die voorziet in een vaste vergoeding en alleen bij daadwerkelijk verrichten van werkzaamheden recht geeft op een vergoeding van overwerk (zie r.o. 18.3). [appellant] heeft dit niet weersproken. Van belang is verder dat [appellant] niet inzichtelijk maakt hoe deze wachtdiensten zich dan verhouden tot de gestelde extra werkzaamheden/werkuren. Evenmin maakt [appellant] duidelijk hoe het kan dat hij in vrijwel elk weekend substantieel overuren heeft gemaakt. Ook is van belang dat [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat de functie niet is gewijzigd, maar na de schorsing van deze zitting heeft gezegd dat hij wel meer uren moest maken. Bij deze stand van zaken gaat het hof voorbij aan de stelling dat het toegenomen overwerk vanaf 2018 is te verklaren door de wijziging van de functie.
19.4.
Het hof acht de onderbouwing met het notitieblok, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door het Havenbedrijf, ontoereikend. [appellant] heeft niet gereageerd op de stelling van het Havenbedrijf dat er geen reden was om een notitieblok bij te houden. Daar komt bij dat niet zonder meer is in te zien dat deze uren destijds zijn bijgehouden als het zo is – en dat voert [appellant] aan – dat [leidinggevende] het overwerk steeds heeft geaccordeerd. Het hof gaat er daarom van uit dat er voor het bijhouden van overuren in een notitieblok geen reden was. Verder is de onderbouwing aan de hand van het notitieblok niet goed te volgen.
19.5.
De onderbouwing aan de hand van enkele loonstroken en een incomplete uitdraai van UWV is, gelet op de reactie daarop van het Havenbedrijf (r.o. 18.6 en 18.9), ook onvoldoende.
19.6.
Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat hij zelf mocht bepalen of hij overwerk moest/mocht verrichten. Anders dan [appellant] leest het hof in de getuigenverklaringen van [leidinggevende] en [asset manager] niet dat dit geoorloofd was. De verwijzing naar Whatsapp- berichten over de werkzaamheden van [appellant] werpt hierop geen ander licht.
20. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen grondslag was voor het declareren van meer overwerk in verband met reguliere werkzaamheden dan gemiddeld elf uur per maand. Daarmee komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of er recht op betaling van overwerk bestond vanwege het verrichten van fotowerkzaamheden.
Fotowerkzaamheden
21. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] tegenover de betwisting door het Havenbedrijf geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat het Havenbedrijf [appellant] opdracht heeft gegeven de fotowerkzaamheden buiten zijn gebruikelijke werktijd te verrichten, laat staan dat hij deze uren als overwerk mocht declareren (r.o. 5.7 van het tussenvonnis van
20 augustus 2021).
21. Het hof stelt voorop dat niet in geschil is dat [appellant] al dan niet op verzoek van de communicatie-afdeling van het Havenbedrijf met regelmaat foto’s maakte. De vraag is echter wel of hij daarvoor overwerk mocht schrijven. Met de grieven 1, 2 en 3 betoogt [appellant] dat dit het geval was. Daartoe voert hij het volgende aan.
22.1.
[appellant] heeft in opdracht van de corporate-communicatie afdeling diverse foto’s genomen. Vanwege de hoge werkdruk in zijn reguliere functie heeft
[appellant] de fotowerkzaamheden buiten kantoortijden en in de weekenden uitgevoerd. [leidinggevende] heeft impliciet bevestigd dat de fotowerkzaamheden buiten kantoortijden kwalificeren als overwerk. Ook uit de emailcorrespondentie tussen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [appellant] blijken deze opdrachten.
22.2.
[leidinggevende] heeft als getuige verklaard dat hij bekend was met de fotowerkzaamheden van [appellant] .
22.3.
[appellant] heeft bij de uitvoering van de fotowerkzaamheden veel moeten fotograferen en rijden. Dat mocht van [leidinggevende] . Deze heeft verklaard dat [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] van de afdeling corporate-communicatie [appellant] opdrachten gaven om foto's te maken en te bewerken. Uit de verklaring van [leidinggevende] blijkt ook dat [appellant] wel eens vanuit huis werkte om de foto’s te bewerken voor het Havenbedrijf.
22.4.
[appellant] had een fotobewerkingsprogramma nodig voor onder meer het verwijderen van vlekken op de foto’s. Dit programma heeft [appellant] thuis op zijn privé computer geïnstalleerd omdat het hem niet was toegestaan dit programma op zijn werkcomputer te installeren. Indien dat wel had gemogen had [appellant] de fotobewerking tijdens zijn reguliere werktijden in plaats van thuis als overwerk kunnen.
22.5.
Het is niet juist dat [appellant] heeft erkend dat hij steeds/structureel ten onrechte overuren heeft gedeclareerd. De erkenning van [appellant] zag maar op enkele uren die hij abusievelijk als overuren heeft gedeclareerd. Een zo’n geval was omdat hij van slag was door het verlies van zijn schoondochter in november 2019. Daarnaast heeft [appellant] door gezondheidsproblemen van hem en zijn zoon enkele keren ten onrechte overwerkuren gedeclareerd of is juist vergeten deze te declareren. Door hem is ook erkend dat voor het sleutelen aan brommers geen overuren mochten worden gedeclareerd.
22.6.
Er was onduidelijkheid over de afspraken voor het declareren van de werkuren voor de fotowerkzaamheden. Het is onaanvaardbaar om de onduidelijkheid en het ontbreken van een concreet werkbeleid hierover voor rekening van [appellant] te brengen. [appellant] was in de veronderstelling dat hij gerechtigd was tot het declareren van alle gemaakte uren. [appellant] heeft daadwerkelijk overwerkuren voor de fotowerkzaamheden gemaakt. [appellant] heeft nimmer een waarschuwing gehad voor het declareren van de werkuren. Wel kreeg hij in 2018 een opmerking over de vele overuren die werden geschreven voor de fotowerkzaamheden, maar niet dat hij deze werkzaamheden diende te staken.
23. Het Havenbedrijf heeft daar het volgende tegen ingebracht.
23.1.
Overuren dienen maandelijks door de werknemer te worden voorgelegd aan de leidinggevende met tijdbrieven. De leidinggevende dient de tijdbrieven goed te keuren om de overuren uitbetaald te krijgen. [leidinggevende] heeft de tijdbrieven van [appellant] iedere maand voorgelegd gekregen en geaccordeerd. In die tijdbrieven waren de overuren beperkt tot slechts enkele uren per dag per maand.
23.2.
[appellant] heeft over 2018 en 2019 echter extreem veel overuren geschreven. Het inkomen van [appellant] is in 2018 met 66,92% gestegen ten opzichte van 2016. In 2019 was dit een stijging van maar liefst 84,1% ten opzichte van 2016. In drie jaar tijd heeft [appellant] zijn jaarinkomen in dezelfde functie bijna verdubbeld. Gezien de aard van zijn functie is dit onmogelijk.
23.3.
Het Havenbedrijf wist niet dat [appellant] zoveel overuren schreef. Het Havenbedrijf is hier pas van op de hoogte geraakt toen zij het bericht ontving van de Manager HR Support dat het salaris van [appellant] over 2019 het maximum pensioengevend loon voor 2019 (€ 107.593) had overstegen. Nadat dit was geconstateerd, is bekeken waardoor dit kwam. Toen pas werd duidelijk dat [appellant] maandelijks een grote hoeveelheid overuren declareerde en uitbetaald had gekregen.
23.4.
Het Havenbedrijf heeft toen besloten om [appellant] hiermee niet direct te confronteren, maar de tijdbrief over januari 2020 af te wachten. Begin februari 2020 heeft [appellant] , zoals gebruikelijk, zijn tijdbrief aan [leidinggevende] voorgelegd ter accordering. Op dat moment stonden er slechts drie (3) dagen genoteerd met enkele overuren. [leidinggevende] heeft deze tijdbrief geaccordeerd. Nadat [leidinggevende] de tijdbrief weer had teruggegeven aan [appellant] , heeft
[appellant] de tijdbrief ingeleverd bij de administratie voor uitbetaling. Toen bleek dat [appellant] achteraf nog negen dagen aan overwerk erbij had geschreven.
23.5.
Er heeft toen op 14 februari 2020 een gesprek met [appellant] plaatsgevonden. [appellant] erkende in dat gesprek dat hij de extra overuren op de tijdbrieven had genoteerd, nadat [leidinggevende] de tijdbrieven had geaccordeerd. Hij erkende ook dat hij over januari 2020 eerst drie dagen aan overwerk had genoteerd om vervolgens, nadat [leidinggevende] die tijdbrief had geaccordeerd, de tijdbrief aan te vullen met extra dagen en uren aan overwerk. Het Havenbedrijf heeft [appellant] toen tevens geconfronteerd met twee specifieke dagen in november 2019, te weten zaterdag 23 november en zondag 24 november 2019. Op die dagen was [appellant] in Friesland, vanwege familiebezoek. Over deze dagen had [appellant] echter wel acht en zeven uur aan overwerk geschreven. De reactie hierop van [appellant] was dat deze overuren waarschijnlijk op een 'fout' berustten. Op de vraag waarom [appellant] al die 'overuren' achteraf op de tijdbrieven bijschreef en declareerde gaf [appellant] het antwoord dat hij geen kwaad zag in deze handelwijze, omdat hij die uren had gewerkt voor fotowerkzaamheden ten behoeve van het Havenbedrijf.
23.6.
De hier aan de orde zijnde overwerkuren zijn alle, zonder accordering door [leidinggevende] , door [appellant] op de tijdbrieven bijgeschreven.
23.7.
Het Havenbedrijf betwist niet dat [appellant] veel fotowerkzaamheden heeft verricht, maar wel dat hij daarvoor overwerkuren mocht schrijven.
23.8.
Het initiatief voor de fotowerkzaamheden kwam van [leidinggevende] , omdat
[appellant] vanwege lichamelijke klachten zijn contracturen niet vol kon maken. Aangezien [appellant] fotograferen als hobby had en hij ook op verschillende locaties kwam waar het Havenbedrijf actief was, was dit volgens [leidinggevende] een goede en alternatieve invulling van de werkzaamheden voor
[appellant] . Op die wijze kon [appellant] toch betrokken blijven bij het arbeidsproces en het Havenbedrijf.
23.9.
Over deze inzet zijn toen met de communicatie-afdeling afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een e-mail van 24 oktober 2017 (productie 10 bij inleidende dagvaarding). Daarin is vermeld:
“zoals besproken blijf je bij AM [hof: Asset Management] werkzaam en stem je met […] [hof: [leidinggevende] ] je werkzaamheden en werktijden af”.
23.10.
[leidinggevende] bevestigt dit in zijn getuigenverklaring:
“Ik was ermee bekend dat [appellant] in opdracht van de afdeling corporate communications foto’s maakte. Ik had dat zelf voorgesteld.
[appellant] had wat lichamelijke klachten en kon de 40 uur niet volmaken.”
23.11.
Met ingang van 30 oktober 2017 is [appellant] in verband met een operatie ziek uitgevallen, waarna hij vanaf 4 december 2017 is gestart met re-integratiewerkzaamheden voor halve dagen.
23.12.
Het is dus niet zo dat [appellant] vanwege de hoge werkdruk in zijn reguliere functie de fotowerkzaamheden buiten kantoortijden en in de weekenden heeft uitgevoerd.
23.13.
[leidinggevende] heeft over het maken van foto’s verklaard dat dit buiten de werktijden als hobby zou gelden, anders gezegd: geen overwerk was. Zo verklaart [leidinggevende] :
“Ik wist dat [appellant] opdracht kreeg van de afdeling communicatie voor het fotograferen van hotspots en daar veel voor moest fotograferen en rijden. Ik heb hem niet geweigerd om opdrachten daarvoor uit te voeren. Ik heb hem wel aangegeven dat als hij op andere tijdstippen ging fotograferen dat wel gewoon hobby was.”
23.14.
Dit sluit aan de correspondentie tussen [appellant] en de communicatie-afdeling. Daaruit blijkt dat er regelmatig opdrachten en verzoeken aan
[appellant] waren. Daaruit blijkt echter niet dat daarvoor overwerk mocht worden verricht. Zo is in aansluiting op de gemaakte afspraken in de e-mail van mevrouw Van [naam 2] van 13 april 2018 vermeld: “eigen werk gaat voor he”.
24. Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat [appellant] geen overwerk mocht schrijven voor de fotowerkzaamheden. Door [appellant] zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien deze bij wege van tegenbewijs worden bewezen, tot een ander oordeel daarover kunnen leiden. Het hof licht dit oordeel als volgt toe.
24.1.
Op het Havenbedrijf rusten als gezegd (zie r.o. 13) de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de onverschuldigdheid van de betaling van het bedrag van
€ 99.664,95. Dat geldt dus ook voor de feiten en omstandigheden waaruit deze onverschuldigdheid volgt. Het gaat dan concreet om de stellingen (1) dat [appellant] geen opdracht had om overwerk te verrichten dan wel (2) er niet op mocht vertrouwen dat hij dit mocht.
24.2.
Dat neemt niet weg dat het op de weg ligt van [appellant] om goed te onderbouwen dat er wel sprake was van overwerk. Het gaat hier om een extreme hoeveelheid overuren. Daar moet een goede verklaring voor zijn te geven.
24.3.
Het Havenbedrijf heeft concreet onderbouwd wat de achtergrond was van het feit dat [appellant] fotowerkzaamheden heeft verricht. Het ging om een goede en alternatieve invulling van de werkzaamheden voor [appellant] , die om – kort gezegd – medische redenen niet in staat was zijn bedongen werkzaamheden volledig te verrichten. Hiervan is bewijs geleverd aan de hand van de verklaring van [leidinggevende] en de bevestiging van gemaakte afspraken ter zake. Dit is door [appellant] niet gemotiveerd weersproken. Zo heeft [appellant] geen alternatieve verklaring gegeven voor het feit dat hij deze fotowerkzaamheden mocht verrichten. Het hof gaat daarom uit van deze verklaring van het Havenbedrijf.
24.4.
Bij een dergelijke alternatieve invulling van de werkzaamheden ligt het niet zonder meer voor de hand dat daarvoor (ook) overwerk mocht worden geschreven.
24.5.
Het Havenbedrijf heeft tevens onderbouwd dat er geen opdracht voor overwerk is gegeven. Dit doet zij met de verklaring van [leidinggevende] . Deze is onder ede gehoord, juist ook over de vraag of er een opdracht voor overwerk is gegeven. [appellant] voert niet aan dat de verklaring van [leidinggevende] onwaar is.
24.6.
[leidinggevende] heeft echter verklaard dat deze werkzaamheden binnen werktijd dienden plaats te vinden en dat wat er daarbuiten gebeurt ‘hobby’ is. Ook is gewezen op de e-mail van 13 april 2018 van mevrouw [naam 2] , waaruit kan worden afgeleid dat het eigenlijke werk van [appellant] voor ging op de fotowerkzaamheden. Door [appellant] is in hoger beroep niet goed toegelicht hoe de communicatie-afdeling dan wel [leidinggevende] aan hem dan toch een of meer opdrachten voor overwerk heeft gegeven. Tegenbewijs is hier dus niet aan de orde.
24.7.
In eerste aanleg heeft [appellant] aangevoerd – akte na bewijslevering – dat de foto’s moesten worden bewerkt, dat hij toen met [naam 2] en [naam 3] heeft besproken dat hij het thuis in de avonduren en de weekenden kon doen. Mevrouw [naam 3] heeft volgens [appellant] toen aangegeven dat er geen budget was, maar dat ze er met de heer [leidinggevende] over zou praten, waarbij ze aangaf dat als [appellant] niets zou horen, dat het dan goed was. Dit punt is in hoger beroep weliswaar niet aan de orde gesteld, maar het gaat ook inhoudelijk niet op. Immers, [leidinggevende] heeft verklaard dat hij het in het geding zijnde overwerk niet had goedgekeurd en dat er uren op de tijdbrieven/tijdlijsten waren bijgeschreven. Volgens [leidinggevende] zou [appellant] daarover hebben gezegd:
“Ik weet niet meer precies wat er gezegd is in het gesprek van
14 februari 2020. Nu u het mij zo vraagt kan ik mij wel herinneren dat er is gezegd dat er uren zijn bijgeschreven. Over die uren (van de foto werkzaamheden) ging [leidinggevende] niet, zei [appellant] . Die hoefde hij niet te accorderen.”
24.8.
Bij deze stand van zaken heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd waarom hij uit het “niets zou horen” van [leidinggevende] – die er kennelijk volgens
[appellant] niet over ging – toch mocht concluderen “dat het dan goed was”. Tegenbewijs is ook hier dus niet aan de orde.
24.9.
[leidinggevende] heeft verklaard dat hij de in het geding zijnde uren niet had geaccordeerd en verder – impliciet – dat [appellant] erkende dat hij die uren steeds achteraf had bijgeschreven. Zo verklaart [leidinggevende] , in aanvulling op het citaat in r.o. 24.6:
“- Ik accordeerde in de gehele periode 2017 tot januari 2020 de tijdbrieven van [appellant] . Die werden op mijn bureau gelegd en dan keek ik naar de data en tijden en tekende ik ze af. Af en toe vroeg ik door waar de uren voor waren. Die werden ook via Whatsápp en soms ook mondeling doorgegeven. Het was ook een kwestie van vertrouwen.
- Ik weet zeker dat de uren waar het nu om gaat niet op de tijdbrieven stonden toen ik ze tekende. Gemiddeld ging het om 3 tot 5 regels. Ik kan niet verklaren hoe het komt dat de tijdbrieven keurig op datum volgorde zijn ingevuld.
- Ik was aanwezig bij het gesprek op 14 februari 2020. Er is toen gesproken over het feit dat de tijdbrieven niet overeen kwamen met degene die ik getekend heb. Dat hadden we gedaan aan de hand van een test. Er bleek toen dat er meer regels opstonden dan ik had goedgekeurd. Dat hebben we geconstateerd en medegedeeld. We hebben ook de historie onderzocht. Het waren naar mijn idee 3 tot 5 regels, maar toen bleek het hele A4tje vol te staan.”
Dit sluit aan op de brieven van het Havenbedrijf aan [appellant] van 14 en
20 februari 2020 (r.o. 3.7 en 3.9). Op 20 februari 2020 had het laatste gesprek plaats. Deze bevestiging in samenhang met de verklaring van [leidinggevende] – waarvan [appellant] niet zegt dat deze onwaar is – overtuigt het hof er van dat [appellant] het achteraf bijschrijven heeft erkend. De betwisting van deze erkenning pas bij brief van de gemachtigde van [appellant] van 25 juni 2020 – vier maanden later – overtuigt het hof niet. Het Havenbedrijf is de confrontatie over het hoge aantal overuren met [appellant] aangegaan, nadat zij bij wijze van proef heeft willen zien wat er met de tijdbrief over januari 2020 zou gebeuren. Toen daarvan bleek dat [appellant] aantoonbaar tijd had bijgeschreven werd een patroon zichtbaar. Dat er toen slechts sprake was van incidentele foutjes, zoals [appellant] stelt, is vaag. [appellant] geeft ook niet concreet aan hoe het gesprek van 14 en/of 20 februari 2020 dan is verlopen. Tegenbewijslevering op dit punt is daarom niet aan de orde.
25. De conclusie is dat de in het geding zijnde overuren onverschuldigd zijn betaald.
25. [appellant] heeft onder meer met grief IV aangevoerd dat het Havenbedrijf allang nader onderzoek had kunnen doen en schadebeperkend had kunnen handelen. Derhalve kan [appellant] geen verwijt worden gemaakt voor het declareren van werkuren, nu blijkt dat hij daadwerkelijk overwerkuren heeft gemaakt en dat dit bekend was bij zijn leidinggevende. Daarentegen heeft het Havenbedrijf hierin een grote rol, daar zij toezicht had moeten houden op de personeelsadministratie en daarmee de gemaakte en gedeclareerde werkuren. Het Havenbedrijf had bij de budgetanalyse en de voor- en nacalculatie moeten constateren dat er veel overwerkuren werden gedeclareerd. Er is dus sprake van eigen schuld en een schadebeperkingsplicht. Met grief III betoogt [appellant] ook dat het Havenbedrijf niet heeft voldaan aan haar klachtplicht.
25. Het hof verwerpt dit standpunt, om de volgende redenen.
27.1.
Het systeem ten aanzien van het overwerk was dat de leidinggevende de tijdbrieven met daarop het overwerk accordeert. In dit geval heeft [appellant] stelselmatig achteraf overwerk bijgeschreven. Dat was dus voor [leidinggevende] niet zichtbaar. Deze handelwijze [appellant] kan het Havenbedrijf dus niet worden tegengeworpen. En daarmee ook niet dat er geen systeem was waarin deze handelwijze niet kon voorkomen.
27.2.
Het hof verwerpt de stelling dat het Havenbedrijf niet heeft voldaan aan haar klachtplicht, omdat dit niet inzichtelijk is uitgewerkt.
27.3.
Het Havenbedrijf heeft bestreden dat de overuren voor haar kenbaar waren en dat zij daarvan pas wist toen zij het bericht ontving van de Manager HR Support dat het salaris van [appellant] over 2019 het maximum pensioengevend loon had overstegen. Dit is door [appellant] onvoldoende gemotiveerd weersproken.
27.4.
Een beroep op eigen schuld en de schadebeperkingsplicht (art. 6:101 BW) gaat niet op omdat het in deze zaak niet gaat om schadevergoeding maar om onverschuldigde betaling. Overigens ziet het hof in wat [appellant] aanvoert geen reden om de vordering van het Havenbedrijf te matigen.
28. Met grief V betoogt [appellant] dat er geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn omdat hem geen termijn van 14 dagen is gegund voor betaling, een en ander in de zin van art. 6:96 lid 4 BW. Deze grief faalt. Het Havenbedrijf heeft met een verwijzing naar haar brief van 3 juni 2020 gesteld dat hem deze termijn wel is gegund. [appellant] is daar niet op ingegaan.
Slotsom
29. De slotsom is dat het hoger beroep faalt. Het eindvonnis zal worden bekrachtigd. Dat is niet aan de orde voor de tussenvonnissen omdat daarin geen voor executie vatbare beslissing is opgenomen. Bij deze uitkomst past dat [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Deze proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.