Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHDHA:2023:736

Gerechtshof Den Haag
25-04-2023
25-04-2023
200.302.332/01B
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2021:5337
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:12496
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2024:2099
Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep,Tussenuitspraak

Shell / Milieudefensie. Algemeen belangactie. Vordering tot voeging

Zie ook: ECLI:NL:GHDHA:2023:735

Rechtspraak.nl
Sdu Nieuws Ondernemingsrechtpraktijk 2023/151
JOM 2023/214
NJF 2023/252
AB 2023/195 met annotatie van R. Stolk
M en R 2023/114 met annotatie van B. Arentz

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.302.332/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/571932 / HA ZA 19-379

arrest van 25 april 2023 in het incident tot voeging, opgeworpen door:

Stichting Milieu en Mens,

gevestigd in Amsterdam,

verzoekster in het incident tot voeging,

advocaat: mr. D.J.B. Bosscher kantoorhoudend te Halfweg,

in de zaak van

Shell Plc.,

gevestigd in Londen, Verenigd Koninkrijk,

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot voeging,

advocaat: mr. D.F. Lunsingh Scheurleer kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

1 Vereniging Milieudefensie,

gevestigd in Amsterdam,

2. Stichting Greenpeace Nederland,

gevestigd in Amsterdam,

3. Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee,

gevestigd in Harlingen,

4. Stichting ter bevordering van de Fossielvrij-beweging,

gevestigd in Amsterdam,

5. Stichting Both ENDS,

gevestigd in Amsterdam,

6. Vereniging Jongeren Milieu Actief,

gevestigd in Amsterdam,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweersters in het incident tot voeging,

advocaat: mr. R.H.J. Cox kantoorhoudend te Maastricht.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk M&M, Shell en Milieudefensie c.s.

1 Zaak in het kort

Milieudefensie c.s. zijn een procedure tegen Shell begonnen om Shell te gebieden haar CO2-emissies drastisch te beperken. De rechtbank heeft Milieudefensie c.s. grotendeels in het gelijk gesteld. Daarop is Shell in hoger beroep gekomen. In dit door M&M opgeworpen incident gaat het erom dat M&M verzoekt om zich mogen voegen aan de zijde van Shell. Het hof wijst deze vordering toe.

2 Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 24 augustus 2021, waarmee Shell in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2021, voor zover gewezen tussen Milieudefensie c.s. enerzijds en Shell anderzijds;

  • -

    het proces-verbaal van de op 13 december 2021 gehouden regiezitting;

  • -

    de memorie van grieven van Shell, met bijlagen;

  • -

    de memorie van antwoord van Milieudefensie c.s., met bijlagen;

  • -

    de memorie houdende incident voor voeging ex artikel 217 Rv van M&M, met de producties 1 en 2;

  • -

    de memorie van antwoord in het incident van M&M ex artikel 217 Rv (en het verwante incident tot interventie van de Climate Intelligence, waarover het hof vandaag bij separaat arrest eveneens beslist);;

  • -

    de memorie van antwoord in het incident tot voeging van Milieudefensie c.s., met de producties 1 tot en met 16;

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties van Milieudefensie c.s., met de producties 17 tot en met 24;

  • -

    de aanvullende producties 3 en 4 van M&M.

2.2

Op 15 maart 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in het onderhavige voegingsincident. Tijdens deze mondelinge behandeling is ook het door Stichting Climate Intelligence opgeworpen tussenkomst- en voegingsincident behandeld. De advocaten (mr. Bosscher voor M&M, mr. Reij voor Milieudefensie c.s. en mr. Lunsingh Scheurleer voor Shell) hebben een toelichting gegeven aan de hand van pleitaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden.

2.3

Het hof heeft ervan kennis genomen dat de Vereniging Jongeren Milieu Actief (verweerder sub 6) op 1 september 2022 is ontbonden en de activiteiten van de vereniging zijn overgenomen door de jongerenorganisatie van Milieudefensie (voetnoot 1 akte overlegging producties Milieudefensie c.s.).

3 Feiten

3.1

In het tussen Milieudefensie c.s. en Shell gewezen vonnis van 26 mei 2021 heeft de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.5 een aantal feiten vastgesteld. Tussen Milieudefensie c.s. en Shell zijn deze feiten niet in geschil.

3.2

Voor zover voor de beoordeling van de incidentele vordering van belang, staat tussen Shell en Milieudefensie c.s. het volgende vast.

  1. Milieudefensie c.s. zijn belangenorganisaties die zich ten doel stellen – kort gezegd – de bescherming van de natuur en het milieu.

  2. Shell is de tophoudstermaatschappij van de Shell-groep.

  3. Sinds het begin van de industriële revolutie gebruikt de mensheid op grote schaal energie die voornamelijk wordt gewonnen door fossiele brandstoffen te verbranden. Hierbij komt kooldioxide (CO2) vrij. CO2 houdt tezamen met andere broeikasgassen de door de aarde uitgestraalde warmte vast in de atmosfeer. Dit wordt het broeikaseffect genoemd. Het broeikaseffect wordt sterker naarmate meer CO2 in de atmosfeer terecht komt. Er is een direct, lineair verband tussen de door de mens veroorzaakte uitstoot van broeigaskassen, die mede wordt veroorzaakt door de verbranding van fossiele brandstoffen, en de opwarming van de aarde. De aarde is nu opgewarmd met gemiddeld ongeveer 1,1oC ten opzichte van de gemiddelde temperatuur aan het begin van de industriële revolutie.

  4. In de wetenschap die zich bezighoudt met het klimaat en klimaatverandering bestaat al geruime tijd internationaal consensus dat de gemiddelde temperatuur op aarde niet mag toenemen met meer dan 2oC ten opzichte van de gemiddelde temperatuur in het pre-industriële tijdperk om te voorkomen dat zich een gevaarlijke en onomkeerbare klimaatverandering voordoet. Om dit te bereiken dient de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer beneden een bepaald niveau te blijven.

  5. In 2016 is het Akkoord van Parijs in werking getreden. Daarin is onder meer vastgelegd dat de mondiale opwarming ruim onder 2oC moet blijven ten opzichte van het pre-industriële tijdperk, met een streven naar 1,5oC. Ieder land moet ambitieuze nationale klimaatplannen opstellen om deze doelstelling te halen, omdat de huidige plannen onvoldoende zijn om de gemiddelde temperatuurstijging ruim onder de 2oC te houden. Verder vermeldt het Akkoord van Parijs dat er snel een eind moet komen aan het gebruik van fossiele brandstoffen omdat dit een belangrijke oorzaak is van de overmatige CO2-uitstoot.

  6. De mondiale gevolgen van klimaatverandering zijn onder meer kenbaar uit rapporten van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de Verenigde Naties. IPCC heeft vastgesteld dat er brede consensus bestaat dat om de opwarming tot 1,5oC te beperken, moet worden gekozen voor reductiepaden waarin de CO2-uitstoot in 2030 met netto 45% is teruggebracht ten opzichte van 2010, en in 2050 met netto 100%.

4 De procedure bij de rechtbank

4.1

Milieudefensie c.s. hebben een verklaring voor recht gevorderd:

a. dat het gezamenlijke jaarlijkse volume aan CO2-emissies naar de atmosfeer (scope 1, 2 en 31) dat is verbonden aan de bedrijfsactiviteiten en verkochte energiedragende producten van Shell en (kort gezegd) de Shell-groep onrechtmatig is jegens Milieudefensie c.s. en (i) dit emissievolume moet worden gereduceerd en (ii) deze reductieverplichting dient plaats te vinden ten opzichte van het emissieniveau van de Shell-groep van het jaar 2019 en in overeenstemming met de mondiale temperatuurdoelstelling in het Akkoord van Parijs en de daaraan verbonden best beschikbare (VN) klimaatwetenschap;

dat Shell onrechtmatig handelt jegens Milieudefensie c.s. indien Shell en de Shell-groep niet uiterlijk per ultimo 2030 het gezamenlijke jaarlijkse volume van alle aan de bedrijfsactiviteiten en verkochte energiedragende producten van de Shell-groep verbonden CO2-emissies naar de atmosfeer heeft verminderd of heeft doen verminderen met

o primair: ten minste 45% (althans netto 45%) in vergelijking met het niveau van het jaar 2019;

o subsidiair: ten minste 35% (althans netto 35%) in vergelijking met het jaar 2019;

o meer subsidiair: ten minste 25% (althans netto 25%) in vergelijking met het jaar 2019.

Verder hebben Milieudefensie c.s. een bevel gevorderd dat Shell het gezamenlijke jaarlijkse volume van alle aan de bedrijfsactiviteiten en verkochte energiedragende producten van de Shell-groep verbonden CO2-emissies naar de atmosfeer (scope 1, 2 en 3), zodanig beperkt of doet beperken dat dit volume aan het eind van het jaar 2030:

o primair: met ten minste 45% (althans netto 45%) zal zijn verminderd in vergelijking met het niveau van het jaar 2019;

o subsidiair: met ten minste 35% (althans netto 35%) zal zijn verminderd in vergelijking met het niveau van het jaar 2019;

o meer subsidiair: met ten minste 25% (althans netto 25%) zal zijn verminderd in vergelijking met het niveau van het jaar 2019.

4.2

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis – voor zover van belang – het volgende geoordeeld:

  • -

    Milieudefensie c.s. zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun collectieve vorderingen voor zover zij het belang dienen van de hele wereldbevolking bij het tegengaan van door CO2-uitstoot veroorzaakte gevaarlijke klimaatverandering.

  • -

    Shell is bevolen om het gezamenlijke jaarlijkse volume van alle aan de bedrijfsactiviteiten en verkochte energiedragende producten van de Shell-groep verbonden CO2-emissies naar de atmosfeer (scope 1, 2 en 3), zodanig te beperken of doen beperken dat dit volume aan het eind van het jaar 2030 zal zijn verminderd met netto 45% in vergelijking met het niveau van het jaar 2019.

5 De beoordeling van de incidentele vordering

5.1

M&M heeft bij wijze van incidentele vordering gevorderd dat het hof:

  1. Milieudefensie c.s. en Shell zal bevelen M&M te voorzien van hun processtukken in de eerste aanleg en het hoger beroep tot op heden;

  2. M&M zal toestaan zich te voegen aan de zijde van Shell in deze appelprocedure.

5.2

Shell heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

5.3

Milieudefensie c.s. hebben geconcludeerd dat het hof M&M niet-ontvankelijk zal verklaren in het incident, althans de vordering tot voeging zal afwijzen.

De belangen die M&M stelt te vertegenwoordigen

5.4

M&M is op 3 februari 2022 opgericht. Haar statutaire doelstelling houdt, voor zover van belang, het volgende in (art. 3 van haar statuten):

“1. De Stichting heeft ten doel om de belangen en rechten van Nederlandse burgers in verband met energie, in brede zin (inclusief democratie, economie, omgeving, klimaat en gezondheid), te beschermen, behartigen en vertegenwoordigen, daaronder begrepen het in rechte vertegenwoordigen van die belangen en rechten en het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

2. De Stichting bevordert het algemeen belang, heeft een ideëel doel en is een algemeen nut beogende instelling. Zij heeft geen winstoogmerk.

3. De Stichting tracht haar doel onder meer te bereiken door:

a. het voeren van juridische procedures teneinde de belangen en rechten van Nederlandse burgers ter zake van energie (zoals hierboven omschreven) te verdedigen, beschermen en in rechte erkend te krijgen c.q. te handhaven en af te dwingen;

(…)”

5.5

M&M heeft aangevoerd dat het belangrijk is dat er een klimaat- en energiebeleid tot stand komt dat draagvlak heeft in de samenleving en waarbij alle Nederlandse huishoudens hun energie kunnen blijven betalen. M&M streeft in het bijzonder naar een beleid dat op democratische manier tot stand is gekomen met maximaal evenwicht tussen milieu en mens. Zij geeft invulling aan haar bestaan door middel van informatie-uitwisseling op haar website en debat via (onder meer) social media, deelname aan brainstormsessies en symposia. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft M&M een lijst met bijeenkomsten en activiteiten overgelegd die zij sinds haar oprichting heeft georganiseerd, althans waaraan zij heeft deelgenomen. M&M wil op deze manier bevorderen dat de gevolgen van het klimaatbeleid voor de gewone Nederlander al vroeg betrokken worden in de zoektocht naar een evenwichtig klimaatbeleid waar betaalbare energie niet onderdoet voor het belang van het milieu. M&M hanteert daarbij als criterium dat betaalbare, betrouwbare energie essentieel is voor welvaart omdat alleen dan de mens in staat is zorg te hebben voor het milieu, dus een klimaatbeleid dat rekening houdt met milieu én mens.

5.6

M&M heeft tijdens de mondelinge behandeling verder nog naar voren gebracht dat zij vreest dat als er uitvoering wordt gegeven aan het bestreden vonnis, dit direct of indirect zal leiden tot een (kunstmatige) schaarste aan de beschikbaarheid van fossiele energie en daarmee ook tot hogere prijzen. Voor de klimaattransitie is meer tijd nodig dan die Milieudefensie c.s. noodzakelijk achten. Gedurende de energietransitie naar een op elektriciteit gebaseerde samenleving blijft nog lange tijd fossiele energie nodig, aldus M&M.

5.7

Naar het hof begrijpt komt M&M op voor het belang van energiezekerheid (tegen een redelijke prijs) van de Nederlandse burgers. M&M is van mening dat deze energiezekerheid in het gedrang komt als het bestreden vonnis in stand blijft en acht het in het belang van haar achterban dat dit vonnis wordt vernietigd. Dit strookt met haar statutaire doelstelling die inhoudt dat M&M zich ten doel stelt de belangen en rechten van Nederlandse burgers in verband met energie, in brede zin, te beschermen, behartigen en vertegenwoordigen.

Ontvankelijkheid ex art. 3:305a BW

5.8

Het hof heeft allereerst te onderzoeken of M&M ontvankelijk is in haar vordering om te interveniëren in de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. Nu M&M niet opkomt voor haar eigen belang, maar voor de belangen van andere personen, moet zij voldoen aan het bepaalde in art. 3:305a BW. Uit art. 68a OBW volgt dat op M&M het huidige art. 3:305a BW van toepassing is. In de gegeven omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om de vereisten van art. 1018c Rv toe te passen.

5.9

Art. 3:305a lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon, zijnde een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt en deze belangen voldoende zijn gewaarborgd. Art. 3:305a lid 2 BW bepaalt dat de belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, voldoende zijn gewaarborgd, wanneer de rechtspersoon voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen.

5.10

Ingevolge art. 3:305a lid 3 is een rechtspersoon slechts ontvankelijk indien (samengevat en voor zover relevant weergegeven):

  1. de bestuurders geen winstoogmerk hebben dat via de rechtspersoon wordt gerealiseerd;

  2. de rechtsvordering een voldoende nauwe band heeft met Nederland;

  3. de rechtspersoon in de gegeven omstandigheden voldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de verweerder te bereiken.

Verder is vereist dat de rechtspersoon een bestuursverslag en een jaarrekening opstelt dat op de internetpagina van de rechtspersoon wordt gepubliceerd (art. 3:305a lid 5 BW).

5.11

Tot slot is van belang dat M&M kan worden aangemerkt als een stichting met een ideëel belang, omdat zij geen winstoogmerk heeft en de belangen die zij nastreeft niet (rechtstreeks) op geld waardeerbaar zijn. M&M wil evenmin een op geld waardeerbare vordering instellen, maar beoogt met haar interventie in deze procedure – kort gezegd – de energiebelangen van de Nederlandse burgers te behartigen. Dit alles brengt mee dat de rechter ingevolge art. 3:305a lid 6 BW M&M ontvankelijk kan verklaren zonder dat zij voldoet aan de vereisten van het lid 2, subonderdelen a tot en met e en lid 5.

5.12

Over de vraag of M&M aan alle ontvankelijkheidsvereisten voldoet, oordeelt het hof als volgt.

5.13

M&M wil in deze procedure opkomen voor het belang van energiezekerheid (tegen een redelijke prijs) van de Nederlandse burgers. Zij is van mening dat deze energiezekerheid in het gedrang komt als het bestreden vonnis in stand blijft en acht het in het belang van haar achterban dat dit vonnis wordt vernietigd. Dit belang strookt met haar statutaire doelstelling die inhoudt dat M&M zich ten doel stelt de belangen en rechten van Nederlandse burgers in verband met energie te beschermen, behartigen en vertegenwoordigen. M&M is daarmee aan te merken als een stichting die zich in de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. wil voegen met een doel dat strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen.

5.14

Het hof verwerpt de stelling van Milieudefensie c.s. dat M&M onvoldoende heeft geconcretiseerd welke feitelijke activiteiten zij heeft ontplooid om haar doelstelling te realiseren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft M&M toegelicht welke activiteiten zij in haar – relatief korte – bestaan heeft ontplooid en die activiteiten houden verband met haar statutaire doelstelling.

5.15

Verder is het hof van oordeel dat bij M&M de belangen van haar achterban voldoende zijn gewaarborgd: mede gelet op haar achterban is M&M voldoende representatief. Dit oordeel zal het hof hieronder toelichten.

5.16

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor het huidige art. 3:305a BW is het volgende vermeld over de representativiteitseis2:

“Deze eis voorkomt dat een stichting of vereniging een rechtsvordering kan instellen zonder de vereiste ondersteuning van een achterban. Niet iedere willekeurige organisatie kan zich opwerpen als verdediger van de belangen van gedupeerden. Op voorhand moet duidelijk zijn dat zij kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden opkomt. Wat genoeg is, verschilt per geval en kan alleen bepaald worden in relatie tot het totaal aantal gedupeerden. Dit kan bijvoorbeeld worden getoetst op basis van de bij een vereniging aangesloten leden of door middel van het aantal gedupeerden dat zich actief voor de vordering heeft aangemeld.”

5.17

Uit deze toelichting volgt dat een belangenorganisatie – kwantitatief gezien – een voldoende achterban moet hebben, al is niet helemaal duidelijk hoe bij een ideële actie, zoals de onderhavige, moet worden getoetst of de achterban een voldoende omvang heeft. In dit geval is niet vast te stellen hoe groot de groep personen is, die zich kan vinden in het door M&M behartigde belang dat het klimaatbeleid er niet toe moet leiden dat de energiezekerheid (tegen een betaalbare prijs) in het gedrang komt, en of M&M in dat verband beschikt over voldoende steunbetuigingen. Dit neemt niet weg dat voldoende is komen vast te staan dat M&M beschikt over een achterban. Zo heeft M&M – naar eigen zeggen – inmiddels ongeveer 5000 steunbetuigingen ontvangen terwijl zij slechts één jaar bestaat. Ook heeft M&M deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer om het door haar vertegenwoordigde belang te behartigen.

5.18

Bij dit alles moet worden bedacht dat het bij de vraag of M&M ontvankelijk is, niet erom gaat of het standpunt van M&M dat het bestreden vonnis de energiezekerheid in gevaar brengt, juist is. Evenmin is van doorslaggevend belang of het door M&M behartigde belang slechts door een minderheid van de Nederlandse bevolking wordt onderschreven. Het gaat erom of M&M zich wil voegen teneinde gelijksoortige belangen van andere personen te behartigen en of M&M in dat verband voldoende representatief is. Aan deze beide voorwaarden is voldaan.

5.19

Wat betreft de vereisten van het derde lid van art. 3:305a BW geldt het volgende. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen dat aan de eerste twee eisen (ontbreken van winstoogmerk van bestuurders, voldoende nauwe band met Nederland) is voldaan. Anders dan Milieudefensie c.s. aanvoeren, is het hof van oordeel dat ook is voldaan aan het vereiste dat er voldoende overleg is gevoerd. Gezien de aard van de vordering van M&M en het vergevorderde stadium van de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. is het nauwelijks denkbaar dat het verschil van mening tussen M&M en Milieudefensie c.s. door middel van overleg had kunnen worden opgelost. Tussen partijen staat vast dat M&M vlak na haar oprichting Milieudefensie c.s. heeft benaderd over de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. en dat M&M nadat zij haar vordering tot voeging had ingediend zich bereid heeft getoond om in gesprek te gaan. In de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat daarmee aan het overlegvereiste is voldaan. Gezien het feit dat M&M pas in februari 2022 is opgericht, moet worden aangenomen dat zij nog niet heeft kunnen voldoen aan de vereisten van het vijfde lid (publicatie bestuursverslag en jaarrekening). Deze omstandigheid behoort dan ook geen consequenties te hebben voor de ontvankelijkheid van M&M.

5.20

De conclusie is dat M&M ontvankelijk is in haar vordering om zich aan de zijde van Shell te voegen in de onderhavige procedure.

Voeging

5.21

Ingevolge art. 217 Rv kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een belang bij voeging is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich voegt.3 Onder nadelige gevolgen moet worden verstaan de feitelijke of juridische gevolgen van de toe- of afwijzing van de vordering of het gezag van gewijsde dat de in de procedure gegeven eindbeslissingen kunnen hebben voor degene die voeging vordert.4 In precedentwerking is niet een voldoende belang gelegen, ook niet als het gaat om sterk op elkaar gelijkende zaken tussen deels dezelfde partijen.5

5.22

Een gevoegde partij is bevoegd zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden verweer te voeren.6 Uit het karakter van voeging vloeit evenwel voort dat de rol van de gevoegde partij beperkt is tot het aandragen van feiten en gronden ten behoeve van het standpunt van de partij die zij ondersteunt.7 De gevoegde partij kan alleen feiten en gronden aanvoeren die de partij die zij ondersteunt, ook zelf zou kunnen aanvoeren. Een gevoegde partij kan niet verhinderen dat de partij aan wier zijde zij zich voegt, bepaalde feiten erkent, met als gevolg dat deze komen vast te staan. Hij moet het geding aanvaarden in de stand waarin het zich ten tijde van de voeging bevindt.8 De gevoegde partij is gebonden aan de door de appellant en geïntimeerde getrokken grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep.9

5.23

M&M heeft over het belang om zich te voegen het volgende aangevoerd. Volgens M&M schaadt het bestreden vonnis de daarbij niet betrokken Nederlandse burger en bedrijfsleven. Zij vindt het belangrijk dat er een energiebeleid tot stand komt dat draagvlak heeft in de samenleving waarbij alle Nederlandse huishoudens hun energie kunnen blijven betalen. M&M streeft naar een klimaatbeleid dat voldoende rekening houdt met de consequenties daarvan voor de Nederlandse samenleving en haar inwoners. Volgens haar wordt deze ambitie doorkruist door het vonnis, omdat in deze procedure tegen één enkele uitstotende partij gestalte wordt gegeven aan het klimaatbeleid, zonder rekening te houden met de gewone Nederlander en het MKB.

5.24

M&M heeft vastgesteld dat Milieudefensie c.s. op basis van het vonnis andere (vermeende) grote uitstoters van CO2 aanschrijven. Er wordt een sterk normatieve betekenis gegeven aan het vonnis, waardoor er een maatschappelijk precedent ontstaat dat zijn weerga niet kent. Volgens M&M leggen Milieudefensie c.s. het vonnis op aan derden. Het kan dan ook niet anders dan dat het vonnis direct of indirect invloed heeft op prijzen van producten en diensten van burgers en bedrijven, omdat de eisen die Milieudefensie c.s. stellen hogere kosten veroorzaken. Omdat M&M zich het belang aantrekt van energiezekerheid en betaalbare energie voor Nederlandse burgers, heeft zij belang bij vernietiging van het vonnis en afwijzing van de vorderingen van Milieudefensie, aldus M&M.

5.25

Naar het oordeel van het hof heeft M&M toereikend toegelicht waarom zij belang heeft bij voeging. Het gaat erom dat de feitelijke gevolgen van de toewijzing van de vorderingen van Milieudefensie c.s. nadelig kunnen zijn voor de achterban van M&M en de door M&M volgens haar statuten nagestreefde belangen. M&M vreest dat de prijzen van fossiele brandstoffen zullen stijgen als gevolg van toewijzing van die vorderingen.

5.26

Anders dan Milieudefensie c.s. aanvoeren, gaat het M&M niet uitsluitend om de precedentwerking die van het bestreden vonnis kan uitgaan. Onder precedentwerking in de hier bedoelde zin moet worden verstaan dat Milieudefensie c.s. in eventuele procedures tegen andere bedrijven met een hoge CO2-uitstoot, een beroep zouden kunnen doen op oordelen die in de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. over bepaalde onderwerpen zijn gegeven. Het door M&M gestelde belang ziet niet (uitsluitend) op deze precedentwerking. Het gaat M&M immers (ook) om de feitelijke gevolgen die kunnen uitgaan van het bestreden vonnis voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van energiedragende producten die afkomstig zijn van Shell. Naar de aard van de zaak kan het bestreden vonnis aldus niet alleen gevolgen hebben in de verhouding tussen Shell en Milieudefensie c.s., maar kan het ook de feitelijke belangen van derden raken, waaronder de achterban van M&M. Daarmee is het belang van M&M om zich te voegen aan de zijde van Shell, gegeven.

5.27

Milieudefensie c.s. hebben nog aangevoerd dat de voeging van M&M zal leiden tot vertraging van de procedure. Dit is op zichzelf juist, maar de vertraging is niet van dien aard dat het verzoek tot voeging op die grond moet worden afgewezen. M&M heeft tijdens de mondelinge behandeling van het incident te kennen gegeven dat zij op een betrekkelijk korte termijn een inhoudelijke memorie zal kunnen nemen. Daarop zullen Milieudefensie c.s. en (desgewenst) Shell vervolgens gelijktijdig kunnen reageren. Vervolgens zal – desgewenst – een mondelinge behandeling in de hoofdzaak kunnen plaatsvinden. Alles bij elkaar levert de voeging van M&M daarmee slechts een vertraging van enkele maanden op, wat gezien het belang van de zaak niet onoverkomelijk is.

5.28

De conclusie is dat M&M een voldoende belang heeft om zich in de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. te voegen aan de zijde van Shell. Deze voeging is niet in strijd met de goede procesorde.

6 Slotsom

6.1

De slotsom is dat het hof M&M zal toelaten zich te voegen aan de zijde van Shell.

6.2

Het hof zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.

6.3

De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol van 6 juni 2023 voor een memorie aan de zijde van M&M. Op 6 juni 2023 zal er tevens een regiezitting plaatsvinden om met partijen de verdere voortgang van de procedure te bespreken. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7 Beslissing

Het hof:

in het incident:

  • -

    laat M&M toe als gevoegde partij aan de zijde van Shell in de tussen Shell enerzijds en Milieudefensie c.s. anderzijds aanhangige hoofdzaak;

  • -

    beveelt Milieudefensie c.s. en Shell om M&M te voorzien van hun processtukken in de eerste aanleg en het hoger beroep tot op heden;

  • -

    houdt de beslissing over de kosten van dit incident aan tot de eindbeslissing in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

  • -

    verwijst de zaak naar de rol van 6 juni 2023 voor een memorie aan de zijde van M&M;

  • -

    beveelt partijen deugdelijk vertegenwoordigd door hun raadslieden, op dinsdag 6 juni 2023 om 13.30 uur te verschijnen in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag met als doel het maken van nadere regieafspraken;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, J.J. van der Helm en P. Glazener, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2023 in aanwezigheid van de griffier.

1 Het Greenhouse Gas Protocol maakt onderscheid tussen drie niveaus van broeikasgasemissies van een partij: directe emissies, indirecte emissies afkomstig van o.a. toeleveranciers en overige emissies afkomstig van o.a. klanten.

2 Kamerstukken II 2016–2017, 34 608, nr. 3, p. 18-19.

3 HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168 (rov. 3.3).

4 HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787 (rov. 2.3).

5 HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:750 (rov. 2.4).

6 HR 9 april 2010, , NJ 2010/388 (rov. 3.2).

7 HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3241 NJ 2016/474 (rov. 3.12).

8 Nr. 45 van de conclusie AG Ten Kate voor HR 25 september 1987, NJ 1988/939, onder verwijzing naar HR 18 mei 1923, NJ 1923, p. 904.

9 HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168 (rov. 3.3). en HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787 (rov. 2.4.3).

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.