Voorwaarden voor deelname aan een BBL opleiding op maat:
o (…)
o De deelnemers hebben een voor de uitvoering van de beroepspraktijkvorming relevante arbeidsovereenkomst van ten minste 24 uur per week.
o Uw bedrijf moet een door SVO erkend leerbedrijf zijn.
o Er moet een door SVO erkende praktijkopleider zijn.
(…)”
3.4.
Uit de gedingstukken blijkt dat met 36 werknemers van belanghebbende en haar opvolger een “Beroepspraktijkvormingsovereenkomst SVO-opleidingen” (BPO) is gesloten welke, behalve door de werknemer, steeds is ondertekend door een vertegenwoordiger van SVO en, namens het leerbedrijf, door een vertegenwoordiger van belanghebbende. In alle overeenkomsten is opgenomen dat de BBL-opleiding Assistent voedingsindustrie (crebocode 93760) zal worden gevolgd en dat de omvang van de beroepspraktijkvorming 40 uur bedraagt. De duur van het BPV-traject is blijkens de overeenkomsten 2 jaar. Voor zover de overeenkomsten zijn gesloten in 2011 vermelden zij belanghebbende als leerbedrijf; overeenkomsten gesloten in 2012 vermelden andere bedrijven als leerbedrijf. Op de praktijkovereenkomsten gesloten in 2011 staan als praktijkopleider vermeld [A] of [B] , werknemers van belanghebbende.
3.5.
Belanghebbende heeft in haar loonaangiften van de jaren 2011 en 2012 op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen (WVA) de afdrachtvermindering onderwijs toegepast voor haar werknemers. Voor het jaar 2011 bedraagt de door haar toegepaste afdrachtvermindering € 28.762 en voor het jaar 2012 € 43.432.
3.6.
Op 3 april 2013 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport met dagtekening 9 april 2013. De Inspecteur heeft daarin geconcludeerd dat niet volledig aan de voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs is voldaan. Daarom zijn aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslagen en verzuimboeten opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“10. De rechtbank is ten aanzien van het primaire standpunt van eiseres van oordeel dat verweerder bevoegd is om te toetsen of is voldaan aan de eisen voor toepassing van de afdrachtvermindering. Het andersluidende standpunt van eiseres vindt geen steun in de WVA.
11. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van eiseres neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WVA is de afdrachtvermindering onderwijs van toepassing met betrekking tot de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) bedoelde beroepsopleiding. Volgens artikel 1.1.1, onderdeel j, van de WEB is beroepspraktijkvorming het onderricht in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de WEB. Volgens artikel 7.2.8, eerste lid, van de WEB maakt van elke beroepsopleiding onderricht in de praktijk van het beroep deel uit. Een van de in artikel 7.2.2, eerste lid, van de WEB genoemde beroepsopleidingen is de assistentenopleiding. Volgens het tweede lid van dat artikel bestaat deze opleiding onder meer uit een beroepsbegeleidende leerweg die een praktijkdeel van 60% of meer van de studieduur omvat.
12. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat - nu verweerder gemotiveerd het standpunt inneemt dat eiseres niet aan de voorwaarden voor de afdrachtvermindering voldoet - eiseres aannemelijk dient te maken dat de door de werknemers gevolgde opleidingen voldoen aan de wettelijke bepalingen waardoor eiseres recht heeft op de afdrachtvermindering. Eiseres heeft daartoe onder meer de BPO’s van de werknemers die aan de opleiding hebben deelgenomen, studiemateriaal van een onbekende deelnemer, het praktijkleerboek van haar werknemer [C] alsmede diens ontwikkelmeter, assessments en certificaten overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee echter niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. Daartoe acht de rechtbank het volgende van belang.
13. Zoals hiervoor onder 11 overwogen stelt artikel 14 van de WVA als voorwaarde voor toepassing van de afdrachtvermindering dat de werknemer voor ten minste 60% van de studieduur de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg volgt. Eiseres heeft met de door haar overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat de werknemers voor de opleiding Assistent voedingsindustrie bij SVO zijn ingeschreven, dat zij aanwezig zijn geweest bij lessen Nederlands en dat certificaten zijn verstrekt voor assessments op taalniveau A1 en A2. Dat de werknemers voor ten minste 60% van de studieduur de beroepspraktijkvorming hebben gevolgd die hoort bij de beroepsbegeleidende leerweg van de opleiding Assistent voedingsindustrie, heeft eiseres echter niet aannemelijk gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de inhoud van de onder 3 vermelde overeenkomst volgt dat de opleiding grotendeels gericht was op de verwerving van Nederlandse taalvaardigheid door de werknemers. Weliswaar vermeldt de overeenkomst dat ook beroepscompetenties onderdeel uitmaken van de opleiding, maar uit de overeenkomst blijkt niet op welke wijze aan dat deel van de opleiding invulling zal worden gegeven. Dat, in afwijking van hetgeen in de overeenkomst is opgenomen, feitelijk wel in voldoende mate beroepspraktijkvorming heeft plaatsgevonden is evenmin aannemelijk geworden. Eiseres heeft weliswaar studiemateriaal overgelegd dat betrekking heeft op de praktijkvorming, maar onduidelijk is gebleven in hoeverre daarmee ook daadwerkelijk door de werknemers is gewerkt. Zo kan niet worden vastgesteld door wie de in dit studiemateriaal opgenomen opdrachten zijn uitgevoerd, ook al niet omdat daarin soms verschillende handschriften voorkomen. Voorts is niet vast te stellen of de opdrachten zijn uitgevoerd bij de ondernemingen waar de werknemers feitelijk werkzaam waren. Vast staat in ieder geval dat bij die ondernemingen geen praktijkbegeleiders waren aangewezen. Ook ter zitting is niet inzichtelijk geworden hoeveel tijd is besteed aan het praktijkdeel van de opleiding. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ter zitting namens eiseres is verklaard dat geen sprake was van een vast aantal praktijkuren per week; de werknemers werkten de hele week en op de momenten dat daar tijd voor was, vond praktijkbegeleiding plaats. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemers in de praktijk onderricht voor het beroep van Assistent voedingsindustrie hebben gekregen, laat staan dat aannemelijk is geworden dat dit praktijkdeel 60% of meer van de studieduur heeft gevormd.
14. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de constateringen van verweerder in het controlerapport worden bevestigd in het rapport van de Onderwijsinspectie van januari 2013, naar aanleiding van een tussen juli 2012 en november 2012 bij SVO uitgevoerd onderzoek. In het rapport wordt - samengevat - geconcludeerd dat de aangeboden opleiding geen beroepsopleiding is zoals bedoeld in artikel 7.2.2 van de WEB, dat het programma voornamelijk is geënt op de doelstelling de deelnemers een taalbasis te geven en slechts voor een gering deel bestaat uit elementen van de crebo-opleiding en dat er geen diploma-intenties zijn. Verder is in het rapport vermeld dat feitelijk geen sprake was van beroepspraktijkvorming of adequate begeleiding van opdrachten in het kader van de beroepsopleiding op de werkplek. Weliswaar heeft het onderzoek betrekking op het jaar 2012, maar de rechtbank ziet geen reden - mede in het licht van de constateringen van verweerder in het controlerapport - aan te nemen dat de situatie in het jaar 2011 anders was.
15. Eiseres heeft in dit verband meer subsidiair nog het standpunt ingenomen dat de naheffingsaanslagen dienen te worden verminderd voor zover zij betrekking hebben op de periode tot de publicatie van het rapport van de Onderwijsinspectie, aangezien zij steeds te goeder trouw heeft gehandeld. Eiseres kan dan tot die datum niet worden verweten dat zij onbekend was met (mogelijke) hiaten in de opleiding. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Het is aan eiseres te allen tijde een zodanige administratie te voeren dat daaruit kan worden afgeleid dat aan de voorwaarden voor de toepassing van de afdrachtvermindering is voldaan. De publicatie van het rapport is daarvoor niet van belang en met de goede trouw van eiseres heeft zulks niets van doen.
16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering is voldaan zodat de beroepen, voor zover deze zich richten tegen de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen, ongegrond verklaard dienen te worden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 9 is overwogen, dienen de beroepen, voor zover deze zich richten tegen de boetebeschikkingen, gegrond verklaard te worden.
17. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat naast de zaken van eiseres ook de zaak van [Y] BV is behandeld en deze als een met de zaken van eiseres samenhangende zaak kan worden beschouwd, aangezien het dezelfde vennootschap betreft (eiseres heeft slechts een naamswijziging ondergaan) en het inhoudelijk hetzelfde geschil betreft. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.836 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften met een waarde per punt van € 244 en 1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaken en wegingsfactor 1,5 vanwege 4 of meer samenhangende zaken).”
Beoordeling van het hoger beroep
7.1.
Artikel 3 van de WVA luidde in de jaren 2011 tot en met 2013, voor zover in hoger beroep van belang:
“1. De inhoudingsplichtige kan de over een tijdvak af te dragen loonbelasting, dan wel af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen verminderen, doch niet verder dan tot nihil, met: (…)
c. de afdrachtvermindering onderwijs; (…)
3. De afdrachtvermindering onderwijs (…) komen in mindering op de af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.”
7.2.
Artikel 14 van de WVA luidde in de jaren 2011 tot en met 2013, voor zover in hoger beroep van belang:
“1. De afdrachtvermindering onderwijs is van toepassing met betrekking tot:
a. de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven; (…)
6. De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f en g, bedoelde overeenkomst bij de loonadministratie.
7. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke gegevens de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f en g, bedoelde overeenkomsten ten minste dienen te bevatten voor de toepassing van deze wet alsmede welke partij of partijen de administratie voert onderscheidenlijk voeren die voortvloeit uit de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.”
7.3.
Artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) luidde in de jaren 2011 tot en met 2013, voor zover in hoger beroep van belang:
“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:(…)
j. beroepspraktijkvorming: het onderricht in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid; (…)
m. beroepsbegeleidende leerweg: de leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder b; (…)”
7.4.
Artikel 7.2.2 van de WEB luidde in de jaren 2011 tot en met 2013, voor zover in hoger beroep van belang:
“1. De volgende beroepsopleidingen worden onderscheiden:
a. de assistentopleiding, (…)
2. De in het eerste lid bedoelde opleidingen bestaan uit: (…)
b. een beroepsbegeleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van 60% of meer van de studieduur, dan wel (…)
3. De assistentopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de arbeidsmarkt. De basisberoepsopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het tweede, de vakopleidingen op de kwalificatie voor het derde en de middenkader- en specialistenopleidingen op de kwalificatie voor het vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening.
4. Aan de in het eerste lid bedoelde opleidingen kunnen ten behoeve van individuele deelnemers voorbereidende en ondersteunende activiteiten worden toegevoegd ter bevordering van het kunnen instromen in en met gunstig gevolg voltooien van de opleiding. Deze activiteiten maken geen deel uit van de opleiding. Voorbereidende en ondersteunende activiteiten zijn bestemd voor deelnemers wier vooropleiding naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende uitzicht biedt op het binnen een redelijke tijd behalen van de kwalificatie waarvoor de deelnemer en de instelling een onderwijsovereenkomst hebben gesloten.”
7.5.
Artikel 7.2.8 van de WEB luidde in 2011, voor zover in hoger beroep van belang:
“1. Van elke beroepsopleiding maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit.
2. De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 genoemde partijen. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde, ten minste bepalingen over:
a. de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het aantal te volgen praktijkuren per kalenderjaar,
b. de begeleiding van de deelnemer,
c. dat deel van de eindtermen dat de deelnemer tijdens de praktijkperiode dient te realiseren en de beoordeling daarvan, en
d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.”
In 2012 is lid 2, onderdeel c, als volgt gewijzigd:
“c. dat deel van de kwalificatie dat de deelnemer tijdens de beroepspraktijkvorming dient te behalen, en de beoordeling daarvan, en (…)
7.6.
Artikel 7.2.9 van de WEB luidde in de jaren 2011 tot en met 2013, voor zover in hoger beroep van belang:
“1. Het bevoegd gezag van de instelling draagt zorg voor de totstandkoming van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst. De overeenkomst wordt gesloten door de instelling, de deelnemer en het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt. De overeenkomst wordt voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft, mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven (…).”
7.7.
Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur bevoegd te toetsen of is voldaan aan de voorwaarden voor afdrachtvermindering onderwijs. De tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 14, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de WVA leveren aanknopingspunten op voor de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur niet bevoegd is te toetsen of werknemers daadwerkelijk beroepspraktijkvorming volgen dan wel hebben gevolgd van een in artikel 7.2.2 van de WEB bedoelde beroepsopleiding.
7.8.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op belanghebbende de bewijslast rust om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die kunnen leiden tot het oordeel dat zij recht heeft op afdrachtvermindering onderwijs. De afdrachtvermindering is immers een belastingverlagende post. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemers, voor wie zij de afdrachtvermindering heeft toegepast, de beroepspraktijkvorming die behoort bij de beroepsbegeleidende leerweg van de opleiding Assistent medewerker voedingsindustrie hebben gevolgd. De hiervoor onder 3.3 opgenomen overeenkomst met SVO ziet vrijwel geheel op verbetering van de Nederlandse taalvaardigheid van de werknemers en uit de gedingstukken volgt dat de werknemers lessen Nederlands hebben gevolgd en in dat kader assessments hebben afgelegd. In de overeenkomst wordt onder “Duur” wel vermeld dat in het programma van de opleiding zowel beroepscompetenties als taalverwerving aan de orde komt, maar op welke wijze invulling wordt gegeven aan de beroepscompetenties is niet vermeld. Met hetgeen belanghebbende in de van haar afkomstige stukken en ter zitting heeft aangevoerd heeft zij onvoldoende inzicht gegeven in de inhoud van het praktijkdeel van de opleiding, de begeleiding en het daarmee gemoeide tijdbeslag. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de werknemers in de praktijk onderricht voor het beroep Assistent medewerker voedingsindustrie hebben gekregen, laat staan dat het praktijkdeel 60% of meer van de studieduur betrof. De afgetekende opdrachten in de twee overgelegde werkboeken vormen daarvoor onvoldoende onderbouwing, evenals de door belanghebbende overgelegde verklaring van [D] , werkzaam op de afdeling personeelszaken bij een van de opdrachtgevers, aangaande de door haar verleende begeleiding. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt het Hof niet tot een ander oordeel.
7.9.
Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond. Beslist dient te worden zoals hierna is vermeld.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. S.E. Postema, voorzitter, mr. J.J.J. Engel en mr. O.C.R. Marres, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 28 september 2016 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan
binnen zes weken
na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
-
Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.