GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 8 mei 2013
Zaaknummer : 200.103.297/01
Rekestnummer rechtbank : F2 RK 10-483
[appellant],
wonende te [woonplaats],
domicilie kiezende te Mijdrecht,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. L.A.M. Hartman te Mijdrecht,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat voorheen mr. M.S. Clarenbeek.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
regio Rotterdam Rijnmond,
locatie Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 7 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 december 2011 van de rechtbank Rotterdam.
De moeder heeft op 25 april 2012 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 13 maart 2012 aanvullende stukken, behorend bij het appelschrift;
- op 14 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 4 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 16 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
van de zijde van de raad:
- op 10 mei 2012 een brief van 9 mei 2012 met de raadsrapportage.
De zaak is op 30 mei 2012 mondeling behandeld. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. De hierna te noemen minderjarigen [voornamen] zijn in raadkamer gehoord. De zaak is pro forma aangehouden in afwachting van bericht van partijen.
Nadien zijn de volgende stukken bij het hof ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 11 juni 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage;
- op 10 september 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 17 oktober 2012 een faxbericht;
- op 10 december 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 13 februari 2013 een brief van 12 februari 2013 met bijlagen;
- op 11 maart 2013 een brief van diezelfde datum met bijlage;
- op 18 maart 2013 een brief van diezelfde datum met bijlage;
van de zijde van de moeder:
- op 4 oktober 2012 een faxbericht.
Op 8 januari 2013 heeft de advocaat van de moeder het hof laten weten zich als zodanig te onttrekken.
Van de zijde van de moeder is op 12 maart 2013 een brief bij het hof ingekomen, welke naar haar is teruggestuurd nu deze niet is ingediend door tussenkomst van een advocaat.
De mondelinge behandeling is op 20 maart 2013 voortgezet.
Ter zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en mevrouw M.H.A. Burger, tolk in de taal Engels;
- de heer F. Dekkers namens de raad.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is de vader het recht op omgang voor de duur van een jaar met de na te noemen minderjarigen ontzegd. Tevens is bepaald dat de moeder aan de vader eenmaal per kwartaal een recente en goed gelijkende kleurenfoto van de minderjarigen doet toekomen en hem maandelijks schriftelijk op hoogte stelt omtrent belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de minderjarigen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de omgang tussen de vader en de minderjarigen:
- [naam], geboren [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats];
- [naam], geboren [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats], en
- [naam], geboren [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats].
2. De vader verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de zorgregeling betreft, en een zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen vast te stellen van om het weekend van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 19.00 uur en dat de eerste vijf contacten zullen plaatsvinden in het Rotterdams Omgangshuis. Voorts verzoekt de vader te bepalen dat de vader gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen omgang zal hebben met de minderjarigen.
3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn grieven, althans zijn verzoeken in appel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.
4. Bij schrijven van 10 december 2012 heeft de vader zijn verzoek aangevuld als volgt. Hij verzoekt het hof een dwangsom te verbinden bij niet nakoming van de verzochte zorgregeling van € 500,- per keer. Daarnaast verzoekt hij het hof te bepalen dat de moeder met onmiddellijke ingang het hulpverleningstraject bij mevrouw Graatsma inzet en zich zal houden aan de aanwijzingen van mevrouw Graatsma aangaande dit traject op straffe van een dwangsom van
€ 500,- per keer. Voorst verzoekt de vader het hof om een (omgangs)ondertoezichtstelling uit te spreken, zodat de hulpverlening in een gedwongen kader kan plaatsvinden en de moeder niet meer de kans krijgt zich aan de hulpverlening of de omgangsregeling te onttrekken, althans een zodanige beschikking te geven als het hof juist acht.
5. Nu de advocaat van de moeder zich heeft onttrokken en de moeder niet ter terechtzitting van 20 maart 2013 is verschenen en zij derhalve tegen de nadere verzoeken van de vader geen verweer heeft kunnen voeren, zal het hof de aanvullende verzoeken van de vader buiten bespreking laten. Daarnaast wijst het hof er op dat het aan de behandeling van de verzoeken ook niet meer toekomt, gelet op het navolgende.
6. De vader kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat er thans geen omgang tussen de vader en de minderjarigen kan plaatsvinden, omdat de zwaarwegende belangen van de minderjarigen door omgang in het geding zouden komen. De raad heeft ter zitting in eerste aanleg gesteld dat de kans op ouderverstoting/-vervreemding groter wordt naarmate de contacten tussen de vader en de minderjarigen langer worden uitgesteld en dat dit zal leiden tot een scheefgroei in de identiteitsontwikkeling van de minderjarigen. Dit is niet in het belang van de minderjarigen. Door Cafcass is in 2007 vastgesteld dat er geen contra-indicaties zijn voor een omgangsregeling. Pas op een later moment hebben de minderjarigen onder invloed van de moeder aangegeven geen omgang met de vader te willen. De moeder moet de minderjarigen stimuleren tot omgang met de vader. Indien zij direct had meegewerkt aan de voorlopige zorgregeling bij het omgangshuis, had het contact tussen de vader en de minderjarigen hersteld kunnen worden. Indien de omgang werkelijk tot grote emotionele problemen zou hebben geleid had dit door het omgangshuis kunnen worden gesignaleerd en aan de rechtbank worden gerapporteerd. De moeder heeft echter haar medewerking aan het omgangshuis geweigerd. De moeder probeert vanaf het begin de omgang tussen de vader en de minderjarigen tegen te houden. Ter zitting in eerste aanleg is gesproken over psychologische hulp aan de minderjarigen. De moeder heeft echter nadien niet meer van zich laten horen.
7. De moeder stelt dat de rechtbank juist heeft beslist. De minderjarigen hebben een sterke wens om geen omgang met hun vader te hebben, hetgeen het directe gevolg is van het handelen en de gedragingen van hun vader. De minderjarigen zijn bang voor de vader en verstijven als zij iemand zien die op hem lijkt. Omgang met de vader brengt voor de minderjarigen onrust en ernstige spanningen mee. Dit is schadelijk voor de minderjarigen en brengt ernstig nadeel voor hun ontwikkeling met zich mee. De moeder acht het in het belang van de minderjarigen dat zij omgang hebben met hun vader en zij probeert hun hierin te stimuleren, de minderjarigen houden echter voet bij stuk en willen geen contact met de vader. De minderjarigen kennen hun vader en zijn opgegroeid met huiselijk geweld. De minderjarigen herinneren zich de vader als snel boos en opvliegerig. De minderjarigen hebben geen positieve ervaringen opgedaan tijdens de omgangsmomenten in het verleden en zijn derhalve standvastig geweest in hun beslissing niet naar het omgangshuis te gaan. De moeder heeft de hulp van ontwikkelingspsycholoog Annelies Hendriks ingeschakeld om de minderjarigen de juiste hulpverlening te kunnen bieden, maar deze heeft haar doorverwezen naar mevrouw Graatsma. In verband met de financiële nood van de moeder heeft zij niet zo snel de hulp voor de minderjarigen op kunnen starten. De vader voldoet nog altijd geen enkele bijdrage in de kosten van de minderjarigen.
8. De raad heeft ter zitting verklaard dat langdurig ontbreken van contact niet goed is voor de ontwikkeling van kinderen, maar dat het niet zinvol is een omgangsregeling door te drukken. Het is maar zeer de vraag of een ondertoezichtstelling de zaak vlot kan trekken. Het is noodzakelijk dat er naar de minderjarigen wordt geluisterd en dat zij rust en psychologische hulp krijgen. Het raadsrapport dateert inmiddels van twee en een half jaar geleden.
9. Het hof is van oordeel dat er gronden zijn tot het opleggen van een tijdelijk contactverbod aan de vader en overweegt daartoe als volgt.
10. Gebleken is dat de psychologische begeleiding van de minderjarigen waartoe de zaak was aangehouden, niet van de grond is gekomen, althans dat de vader hier in ieder geval niet bij betrokken is geweest. Het hof acht aannemelijk dat dit te maken heeft met de beperkte financiële middelen waarover de moeder beschikt. Ter zitting zijn de andere mogelijkheden tot herstel van het contact tussen de vader en de minderjarigen besproken, maar van geen van allen is vastgesteld dat het tot iets zal leiden. De mogelijkheid van een deskundigenonderzoek in de vorm van een zogenaamd ‘ouderschapsonderzoek’ is door de vader afgewezen.
11. De minderjarigen, thans 15, 13 en 11 jaar oud, hebben de vader inmiddels vier jaar niet gezien en de oudste twee hebben meerdere malen duidelijk te kennen gegeven ernstige bezwaren te hebben tegen omgang met de vader. Ook ten overstaan van dit hof hebben zij geëmotioneerd doch stellig en eenduidig hun mening gegeven. Zij willen graag rust en in Nederland een nieuwe start maken. Van de jongste minderjarige kan, gelet op haar afhankelijkheid van haar bestaan in de gezinssituatie, niet worden verwacht of verlangd dat zij alleen het contact met de vader aangaat, daarin niet gesteund door haar broer en zus en de moeder.
12. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vader geen inzicht heeft in zijn eigen aandeel in het ontbreken van contact tussen hem en de minderjarigen en de problemen enkel en alleen aan de moeder wijt. Uit dezelfde stukken blijkt echter dat er tijdens het huwelijk van partijen sprake was van huiselijk geweld en buitenechtelijke relaties van de vader waarvan de minderjarigen in meerdere of mindere mate getuige zijn geweest. Na het uiteengaan van partijen heeft de moeder aanvankelijk ook meegewerkt aan een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen, maar de vader is uiteindelijk een contactverbod van twee jaar opgelegd. De onvoorspelbaarheid van de vader, zijn woedeaanvallen en laatdunkende uitlatingen over de moeder jegens de minderjarigen zorgden er ook voor dat de minderjarigen angstig waren en het contact met de vader als zeer spanningsvol hebben ervaren. Ook liet de vader geen ruimte voor enig contact van de minderjarigen met hun moeder gedurende de weekenden waarin de minderjarigen bij hem waren. Uit de in hoger beroep overgelegde e-mailwisseling tussen partijen blijkt dat de vader zich niet kan beheersen en zich agressief en uitgesproken grievend jegens de moeder uitlaat. In deze feiten en omstandigheden ligt zeker ook een aandeel van de vader besloten in het gegeven dat de (twee oudste) minderjarigen van ernstige bezwaren tegen contact hebben blijk gegeven.
13. Voorts blijkt uit de stukken dat het vertrek uit Groot-Brittannië van de moeder en de minderjarigen in ieder geval mede het gevolg was van het feit dat de vader ophield met betaling van de lasten van de woning waarin de moeder en de minderjarigen woonden en de moeder niet over financiële middelen beschikte. Onweersproken is dat de vader na het uiteengaan van partijen nimmer heeft bijgedragen in de kosten van de minderjarigen, terwijl hij ter zitting heeft verklaard een fulltime baan te hebben.
14. Al deze feiten en omstandigheden brengen het hof tot de vaststelling dat de verhouding tussen de ouders ernstig verstoord is zonder uitzicht op verbetering en dat de minderjarigen al jarenlang de gevolgen hiervan ondervinden. Een belang aan de zijde van de minderjarigen tot oplegging van een tijdelijk verbod aan de vader tot contact met hen is onder deze omstandigheden aanwezig. Het hof gaat er overigens vanuit dat de moeder de minderjarigen niet zal belemmeren wanneer zij zelf het contact met de vader aan wensen te gaan.
De rechtbank heeft de vader het recht op omgang met de minderjarigen ontzegd, hetgeen echter niet juist is. Immers, zoals de rechtbank onbestreden in de tussenbeschikking van 4 augustus 2010 heeft overwogen, dient ervan te worden uitgegaan dat sprake is van gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarigen.
15. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
16. Het voorgaande brengt mee dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking, uitsluitend voor zover het betreft de uitgesproken ontzegging en, in dat opzicht opnieuw recht doende:
legt aan de vader het verbod op met de minderjarigen contact te hebben voor de duur van één jaar, te rekenen vanaf heden;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van den Wildenberg en Jansen, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2013.