GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/120
uitspraakdatum: 10 december 2024
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 20 december 2022, nummer AWB 21/5038, ECLI:NL:RBGEL:2022:7365, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.032. Belanghebbende heeft op 21 september 2020 verzocht om ambtshalve vermindering van deze aanslag. Dit verzoek is op 17 juni 2021 door de Inspecteur afgewezen.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 september 2021 het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend en de Inspecteur een conclusie van dupliek.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A.P. Flinterman, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] , [naam2] , [naam3] en [naam4] namens de Inspecteur. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met nummers 23/121 tot en met 23/124 en 23/1339. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2 Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende is geboren in het jaar 2000. In het jaar 2016 heeft hij een voltijdsopleiding voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs - basisberoepsgerichte leerweg gevolgd. Op 30 juni 2017 heeft hij zijn diploma behaald.
2.2.
De vader en moeder van belanghebbende drijven een bloemenhandel. De bloemenhandel is een onderneming voor de inkomstenbelasting. De onderneming wordt gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna ook: de vof).
2.3.
Belanghebbende stond vanaf 1 maart 2016 tot en met 26 oktober 2017 bij de Kamer van Koophandel (KvK) ingeschreven als vennoot in de vof.
2.4.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2016 gedaan waarin hij een winst heeft aangegeven van € 1.200 en een belastbare winst uit onderneming van € 1.032.
2.5.
De aanslag IB/PVV 2016 van belanghebbende is met dagtekening 25 augustus 2017 overeenkomstig de aangifte opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.032. Het te betalen bedrag bedraagt nihil.
2.6.
De Inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 van de vof en de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting van de vennoten over 2016.
2.7.
Het boekenonderzoek heeft geresulteerd in correcties van de winstaandelen van de vader en de moeder. De Inspecteur heeft geen correcties op het inkomen van belanghebbende toegepast. Nadat de Inspecteur de conceptrapporten van het boekenonderzoek aan de (ex)vennoten had toegezonden, heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2016 ingediend. In de herziene aangifte geeft belanghebbende een winst aan van € 12.000 in plaats van € 1.200. Rekening houdend met kosten, ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek en startersaftrek) en de MKB-winstvrijstelling bedraagt het aangegeven inkomen uit werk en woning volgens deze aangifte € 943. Deze herziene aangifte is door de Inspecteur opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering.
4 Beoordeling van het geschil
4.1.
Belanghebbende stelt in hoger beroep niet langer dat hij vennoot was in de vof. Primair stelt hij dat hij winst uit onderneming genoot omdat hij als ondernemer (een eenmanszaak) diensten verrichtte voor de vof. Voor de verrichte diensten factureerde hij € 1.000 (exclusief omzetbelasting) per maand aan de vof.
4.2.
Het Hof acht het niet aannemelijk dat belanghebbende in 2016 de werkzaamheden voor de vof als ondernemer heeft verricht. Het Hof onderbouwt dit oordeel als volgt. Belanghebbende had slechts één opdrachtgever, te weten de vof, en heeft geen enkele poging gedaan door acquisitie meer opdrachtgevers te verkrijgen. De stelling van belanghebbende dat de particulieren die de bloemen kochten zijn klanten waren, kan niet worden gevolgd. Uit niets blijkt dat de inkoop of verkoop van bloemen geschiedde voor eigen rekening en risico van belanghebbende. De facturen van € 1.000 per maand zijn opgesteld gebruik makend van software van de gemachtigde van belanghebbende. Alle facturen bevatten dezelfde fout met betrekking tot het e-mailadres van belanghebbende. Het Hof acht, gelet op het vorenstaande, aannemelijk dat alle facturen achteraf, gelijktijdig zijn opgesteld en dat deze niet afzonderlijk na afloop van elke maand waarover gefactureerd werd aan de vof zijn overhandigd. In dat geval zou het foutieve e-mailadres immers waarschijnlijk zijn opgevallen en verbeterd. Het Hof is van oordeel dat de facturen om die reden niet de stelling kunnen ondersteunen dat deze correct weergeven wat in 2016 tussen belanghebbende en de vof was afgesproken. Zelfs indien zou worden aangenomen dat de facturen van € 1.000 per maand waarheidsgetrouw weergeven wat tussen belanghebbende en de vof in 2016 was afgesproken, ondersteunen de facturen niet de verder niet door belanghebbende onderbouwde stelling dat, als er slecht verkocht werd, de vergoeding van € 1.000 per maand omlaag ging. Elke factuur gaat immers uit van een vast bedrag van € 1.000 per maand.
4.3.
Gelet op het bovenstaande heeft belanghebbende in 2016 geen recht op de door hem geclaimde zelfstandigenaftrek en startersaftrek tot een bedrag van € 7.280 respectievelijk € 2.123, aangezien een belastingplichtige hiervoor moet kwalificeren als ondernemer. De herziene aangifte kan dus niet leiden tot een lager belastbaar inkomen uit werk en woning. Het verzoek om ambtshalve vermindering is reeds om deze reden terecht door de Inspecteur afgewezen.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
6 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024.
De griffier, De voorzitter,
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
A. Vellema A.E. Keulemans
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 11 december 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.