De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “een voorrangsvoertuig (van bijvoorbeeld ambulance, brandweer of politie) niet voor laten gaan”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 juni 2021 om 15:25 uur op de Rijksweg (A)12 in Utrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de gedraging niet is verricht, althans dat de omstandigheden van het geval het opleggen van een sanctie niet rechtvaardigen. De bestuurder van de auto, [naam2] , werd ingehaald door een busje dat daarmee zijn uitzicht naar achteren belemmerde. [naam2] zag daardoor te laat dat er van achteren een ambulance aan kwam. Hij is direct daarna naar rechts gegaan. Hij reed netjes 100 km per uur. Hij rijdt 50.000 km per jaar, zijn geschiedenis betreffende bekeuringen is erg overzichtelijk. Er is geen wettelijke bepaling die aangeeft binnen hoeveel seconden men een voorrangsvoertuig voor moet laten gaan. De bestuurder stelt dat dit moet op het moment dat die mogelijkheid er is of wanneer hij
ervan op de hoogte is dat een voorrangsvoertuig met geluidssignalen wil passeren. Het zou niet redelijk zijn een sanctie op te leggen terwijl de bestuurder geprobeerd heeft het voorrangsvoertuig zo snel mogelijk voor te laten gaan. Uit het zaakoverzicht komt niet naar voren hoe lang de bestuurder vóór het voorrangsvoertuig bleef rijden en of de bestuurder de gelegenheid had om zich te verplaatsen. Gelet daarop is de gedraging ook onvoldoende bewezen.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat het betrokken voertuig zijn voertuig voor de ambulance reed. De ambulance reed met optische en geluidssignalen richting het Universitair Medisch Centrum. De bestuurder van het betrokken voertuig leek niet door te hebben dat er een ambulance en een politievoertuig met optische en geluidssignalen reed.
Soort weg: autoweg (…)
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 60.4R. (…)
Reden geen staandehouding: verbalisanten reden met optische en geluidssignalen achter de ambulance aan.”
5. De gedraging betreft een overtreding van artikel 50 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), dat bepaalt dat weggebruikers bestuurders van een voorrangsvoertuig voor moeten laten gaan. De Nota van toelichting (Staatsblad 1990, 495, pag 100) houdt in dat uit deze bepaling voortvloeit dat aan voorrangsvoertuigen onder alle omstandigheden voorrang moet worden verleend. Onder een voorrangsvoertuig wordt ingevolge artikel 1 van het RVV 1990 verstaan een motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29 van het RVV 1990.
6. Het begrip ‘voor laten gaan’ is in het RVV 1990 niet gedefinieerd. Wel is in artikel 1 van het RVV 1990 “voorrang verlenen” gedefinieerd als “het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen.” Het is vaste jurisprudentie van het hof dat waar het RVV 1990 spreekt over ‘voor laten gaan’, hiermee wordt bedoeld ‘voorrang verlenen’ in de zin van artikel 1 van het RVV 1990 (vgl. ECLI:NL:GHARL:2022:1006 en ECLI:NL:GHARL:2018:2969).
7. De opvatting van de gemachtigde dat nu een wettelijke bepaling ontbreekt die aangeeft binnen hoeveel seconden men een voorrangsvoertuig voor moet laten gaan, de bestuurder daartoe de nodige ruimte heeft en de ambtenaar daarom zal moeten vermelden of er mogelijkheden waren om aan de kant te gaan en hoe lang het heeft geduurd voordat een betrokkene dat deed, vindt geen steun in het recht.
8. Gelet op het voorgaande, de verklaring van de ambtenaar en de verklaring van de bestuurder dat hij te laat zag dat hem van achteren een ambulance naderde, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
9. Van weggebruikers mag worden verwacht dat zij hun aandacht bij het verkeer houden en dus ook alert zijn op het naderen van voorrangsvoertuigen. De algemene ervaring leert dat wanneer weggebruikers een sirene horen, zij niet altijd onmiddellijk kunnen bepalen waar het voertuig dat dit geluidssignaal voert zich bevindt. Aangezien weggebruikers bestuurders van een voorrangsvoertuigen voor moeten laten gaan, mag van hen worden verwacht dat zij, zolang zij een voertuig dat geluidssignalen voert niet gelokaliseerd hebben, hun snelheid zodanig aanpassen dat zij in staat zijn om dit voertuig voor te laten gaan indien dit hen zou blijken te naderen en zich daartoe op een auto(snel)weg naar de rechter rijstrook begeven. De gevolgen van de omstandigheid dat de bestuurder de ambulance niet heeft gezien en kennelijk de geluidssignalen van twee achter elkaar rijdende voorrangsvoertuigen ook niet tijdig heeft gehoord en bij het naderen van deze voertuigen niet aan de kant is gegaan, dienen voor zijn rekening te blijven. De omstandigheid dat de bestuurder jaarlijks 50.000 kilometer rijdt en niet veel ‘bekeuringen’ heeft gehad, vormt evenmin aanleiding om het bedrag van de sanctie te matigen.
10. Verder voert de gemachtigde aan dat de betrokkene in haar (het hof begrijpt: de bestuurder in zijn) verdediging is geschaad doordat in strijd met artikel 5 van de Wahv geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Het is de bestuurder onduidelijk hoe hij nu zijn onschuld moet bewijzen nu hem de kans om bewijs te verzamelen is ontnomen. Hij verkeert in bewijsnood met betrekking tot de omstandigheden van het geval. Het had op de weg van de officier van justitie gelegen om een aanvullend proces-verbaal bij de ambtenaar op te vragen teneinde hierover duidelijkheid te verkrijgen. Gelet op het tijdsverloop zal het niet meer mogelijk zijn deze informatie van de ambtenaar te verkrijgen. Dit dient voor rekening en risico van de officier van justitie te blijven.
11. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
12. De verklaring van de ambtenaar dat hij als voorrangsvoertuig achter de ambulance aan reed, houdt genoegzaam in dat er geen reële mogelijkheid is geweest tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig. Er kon dan ook worden volstaan met het opleggen van de sanctie aan de kentekenhouder. Anders dan de gemachtigde veronderstelt, strekt artikel 5 van de Wahv er niet toe dat een bestuurder bewijsmiddelen kan vergaren om zich tegen de sanctie te verdedigen (vgl. ov. 5.3 en 5.4. van het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 1993, NJ 1994, 177). Bij deze stand van zaken bestaat er geen aanleiding voor het opvragen van nadere informatie bij de ambtenaar.
13. Nu de aangevoerde gronden geen doel treffen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Er bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.