GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.294.109
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 8708773)
arrest van 22 februari 2022
[appellant]
,
wonende te [woonplaats1] ,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. R. Smink,
[geïntimeerde]
,
handelende onder de namen [naam1] en [naam2],
wonende te [woonplaats2] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. T.J.K. van Santen.
2 Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[appellant] en [geïntimeerde] hebben op 4 januari 2017 schriftelijk een overeenkomst gesloten, een “Restaurierungsvertrag”, op grond waarvan [geïntimeerde] de oldtimer Opel GT van [appellant] zou monteren en opbouwen (hierna: de overeenkomst). Partijen zijn in de overeenkomst voor de werkzaamheden van [geïntimeerde] een bedrag van € 50,- per uur inclusief btw overeengekomen, exclusief onderdelen en uit te besteden werkzaamheden.
2.2.
[geïntimeerde] heeft bij [appellant] voorschotten op zijn werkuren in rekening gebracht. Het gaat daarbij in totaal om € 24.000,- voor 480 arbeidsuren. Daarnaast heeft [geïntimeerde] voor ingekochte onderdelen en uitbestede werkzaamheden € 8.875,25 in rekening gebracht.
2.3.
[appellant] heeft de werkplaats van [geïntimeerde] in november 2019 bezocht. De Opel GT was nog niet gerestaureerd. Hierna heeft hij aan [naam3] van ZTA-expertise B.V. opdracht gegeven om aan de hand van een inspectie van de Opel GT een aantal vragen te beantwoorden. In het rapport van [naam3] van 24 februari 2020 is onder meer vermeld dat er tot en met januari 2020 maximaal 200 uur werk aan de auto had mogen zijn besteed en dat de kwaliteit van de uitbestede werkzaamheden onder de maat is.
2.4.
[appellant] heeft aan de kantonrechter een vordering tot vergoeding van € 20.461,13 aan schade voorgelegd, verhoogd met rente en kosten. Hij beriep zich er op dat [geïntimeerde] hem teveel uren in rekening heeft gebracht en te hoge rekeningen voor uitbesteed werk heeft doorberekend. [appellant] heeft tevens gesteld dat de overeenkomst was ontbonden wegens wanprestatie, althans is vernietigd op grond van dwaling.
2.5.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen op de grond dat het door [geïntimeerde] gedane beroep op rechtsverwerking slaagt.
2.6.
Het hof oordeelt hieronder dat er geen sprake is van rechtsverwerking, maar dat de vorderingen niettemin terecht zijn afgewezen omdat niet is gebleken dat [geïntimeerde] wanprestatie heeft gepleegd en ook niet dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst heeft gedwaald. Hieronder zal het hof uitleggen hoe het tot dat oordeel is gekomen.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1.
De grief van [appellant] ten aanzien van het beroep van [geïntimeerde] op rechtsverwerking is naar het oordeel van het hof terecht voorgesteld. Noch de tekst van de overeenkomst noch de wijze waarop daaraan uitvoering is gegeven door partijen brengt mee dat [appellant] de prijs van het werk ongeacht het resultaat van de (tot dan toe) door [geïntimeerde] verrichtte werkzaamheden heeft aanvaard of zonder meer moet aanvaarden. [appellant] mocht, zeker gelet op het gegeven dat de werkzaamheden nog niet afgerond waren, [geïntimeerde] er op aanspreken of de prijs die [geïntimeerde] hem in rekening heeft gebracht gezien de stand van het werk afwijkt van wat is overeengekomen. Dat recht heeft [appellant] niet verwerkt noch staan de redelijkheid en billijkheid daaraan anderszins in de weg. Hoewel de grief van [appellant] dus terecht is voorgesteld, leidt dit er niet toe dat het bestreden vonnis wordt vernietigd. Het hof licht dit hierna toe.
3.2.
[appellant] stelt dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten en daarom de schade moet vergoeden die hij als gevolg daarvan heeft geleden (artikel 6:74 BW). [geïntimeerde] is tekort geschoten door teveel uren in rekening te brengen en ook doordat de rekeningen wegens het aan derden uitbestede werk te hoog waren, een en ander gelet op de (slechte) kwaliteit van het door [geïntimeerde] en de derden uitgevoerde werk, aldus [appellant] .
3.3.
Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomst van aanneming is aangegaan zonder dat voor het werk een vaste prijs of een richtprijs is overeengekomen: volgens de dagvaarding in eerste aanleg gaat het om een regieovereenkomst en [geïntimeerde] is het daar blijkbaar mee eens. [appellant] is daarom een ‘redelijke’ prijs verschuldigd (artikel 7:752 lid 1 BW). [appellant] vindt dat 480 uur voor het werk teveel is en verwijst daarvoor naar het rapport van [naam3] . Daarin beschrijft [naam3] – samengevat – dat [geïntimeerde] ongestructureerd te werk is gegaan en concludeert hij dat [geïntimeerde] het werk in 200 uren zou hebben kunnen uitvoeren (in plaats van de 325,75 uren die [geïntimeerde] tot dan toe had besteed aan het herstel) indien hij efficiënter zou hebben gewerkt.
3.4.
[geïntimeerde] is het daar niet mee eens en heeft op het concept-rapport van [naam3] gereageerd met zijn brief van 21 februari 2020 (overgelegd als onderdeel van productie 6 bij conclusie van antwoord). [geïntimeerde] heeft daarin aangedragen dat de conclusie van [naam3] op onjuiste aannames is gebaseerd doordat [naam3] geen rekening heeft gehouden met een aantal bijzonderheden die [geïntimeerde] in zijn brief nader beschrijft en die veel tijd hebben gekost. Een voorbeeld daarvan is dat [appellant] de onderdelen bij de auto niet compleet en niet gesorteerd aan [geïntimeerde] ter beschikking heeft gesteld en dat een deel daarvan onbruikbaar was. Voor de gekozen volgorde van de werkzaamheden heeft [geïntimeerde] redenen opgegeven, waarmee hij inhoudelijk bestrijdt dat die volgorde onlogisch was en dat hij het werk sneller had kunnen uitvoeren. Ook wijst [geïntimeerde] er in zijn brief op dat tekortkomingen van de derden aan wie werk is uitbesteed door die derden zouden moeten worden verholpen, onder de door hen verstrekte garanties.
3.5.
[naam3] reageert in zijn rapport gedeeltelijk op de brief van [geïntimeerde] , maar zijn reactie gaat naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet in op de argumenten van [geïntimeerde] . Een inhoudelijke reactie op de wijze waarop de gedemonteerde auto door [appellant] ter beschikking is gesteld en de extra tijd die aan het sorteren en compleet maken van de onderdelen moest worden besteed, ziet het hof in het rapport van [naam3] niet. Dat [geïntimeerde] niet alles op foto heeft vastgelegd en dat de metadata van een aantal van de foto’s die hij wel heeft gemaakt onlogisch zijn, zoals [naam3] heeft opgemerkt, neemt niet weg dat [geïntimeerde] tot de opname van het werk door [naam3] de door hem gespecifi-ceerde werkuren aan de Opel GT heeft besteed. Uit de brief van [geïntimeerde] blijkt dan ook dat deze een redelijk aantal werkuren in rekening heeft gebracht.
3.6.
[appellant] had daarom niet mogen volstaan met zijn verwijzing naar het rapport. Ook in de processtukken ontbreekt een concrete reactie op de argumenten van [geïntimeerde] .
Bovendien heeft [naam3] in zijn rapport erkend dat [geïntimeerde] gegronde argumenten heeft aangedragen om tot een andere begroting van het aantal werkuren te komen, ook al vindt [naam3] de kritiek slechts ‘zeer ten dele’ gegrond. Nergens wordt duidelijk gemaakt welke invloed dit moet hebben op de begroting van het aantal werkuren.
[geïntimeerde] heeft bij het aangaan van de overeenkomst een bedrag van € 15.000,- aan werkuren genoemd, maar volgens hem gaat het daarbij om een inschatting van het minimum aantal werkuren. De schriftelijke overeenkomst vermeldt dat het om maatwerk (‘Massarbeit’) gaat en dat niet precies kan worden ingeschat hoeveel tijd daarvoor nodig is. In het licht van die tekst van de overeenkomst had [appellant] nader moeten uitwerken welke verwachtingen hij aan de mededeling van het aantal werkuren (of de daarbij behorende prijs) mocht ontlenen. Hij heeft dat niet gedaan.
3.7.
Al met al heeft [appellant] onvoldoende concreet uitgewerkt dat het in rekening brengen van 480 werkuren voor het aangenomen werk wanprestatie van [geïntimeerde] oplevert en evenmin dat de rekeningen van degenen aan wie [geïntimeerde] werk heeft uitbesteed onredelijk hoog zijn. Van een andere tekortkoming van [geïntimeerde] blijkt evenmin.
3.8.
Dan resteert de vraag of [appellant] de overeenkomst kan vernietigen wegens dwaling. Volgens de dagvaarding in eerste aanleg van [appellant] had [geïntimeerde] hem op de hoogte moeten stellen van de benodigde aantal werkuren, maar volgens [geïntimeerde] wist deze daarover te weinig op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Aan de restauratie van een andere Opel GT is [geïntimeerde] pas anderhalf jaar later begonnen. [appellant] heeft in de memorie van grieven nog aangevoerd dat [geïntimeerde] wist dat hij 500 uur aan de auto moest werken om winst te kunnen maken, maar ook dit is door [geïntimeerde] ontkend. Dat [geïntimeerde] in de procedure opmerkt dat hij 500 uur zou moeten werken om aan de opdracht te kunnen verdienen, betekent niet dat hij dat ook al op 4 januari 2017 wist. [appellant] heeft dat laatste niet gesteld en ook al niet te bewijzen aangeboden. Zijn beroep op dwaling faalt daarom eveneens.
3.9.
[appellant] heeft in hoger beroep ook betoogd dat zijn vordering gebaseerd is op onverschuldigde betaling en op ongerechtvaardigde verrijking. Daarnaast betoogt [appellant] dat hij een onredelijke en onbilllijke prijs betaalde voor de restauratie van de auto. Het hof is het hier, gelet op het voorgaande, niet mee eens. De vorderingen die [appellant] in hoger beroep heeft ingesteld, stuiten af op wat hierboven staat.
3.10.
Het hof verwerpt het door [appellant] gedane aanbod om, onder meer door het horen van getuigen, bewijs te leveren. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen geen specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
3.11.
Uit het voorgaande blijkt dat het hof de Nederlandse rechter bevoegd vindt om over het geschil te beslissen en dat het bij de beoordeling Nederlands recht heeft toegepast. [appellant] woont in Duitsland. Het geschil heeft dus internationale aspecten, zodat ambtshalve onderzocht moet worden of de Nederlandse rechter bevoegd is daarvan kennis te nemen. Aangezien [geïntimeerde] zijn woonplaats in Nederland heeft, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 4 van de in deze zaak van toepassing zijnde Herschikte EEX-Verordening (Verordening (EU) nr. 1215/2012).
3.12.
Partijen hebben een rechtskeuze gemaakt voor het Nederlandse recht. Daarom is op grond van artikel 3 van de van toepassing zijnde Rome I-Verordening (Verordening (EG) Nr. 593/2008) het Nederlandse recht van toepassing.
4 De slotsom
4.1.
De grief van [appellant] tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van het beroep van [geïntimeerde] op rechtsverwerking is weliswaar terecht voorgesteld, maar kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het vonnis zal worden bekrachtigd.
4.2.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 772,- voor griffierecht en op € 2.228,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x tarief II).
5 De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 februari 2021;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 772,- voor griffierecht en op € 2.228,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, L.A. de Vrey en G.R. den Dekker en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2022.