3.1
Op grond van artikel 14 van Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten1 moeten de lidstaten in procedures inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten regelen dat de verliezende partij de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten draagt die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Deze bepaling heeft in de Nederlandse wetgeving een plaats gekregen in artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Die regelgeving en latere rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU en van de
Nederlandse Hoge Raad hebben geleid tot de al genoemde regeling voor tarieven in
IE-zaken. In bodemzaken zoals deze, is onder meer onderscheid gemaakt tussen zeer eenvoudige en eenvoudige zaken. In het eerste geval geldt het liquidatietarief dat de kantonrechter heeft toegepast; in het tweede geval moet worden uitgegaan van werkelijk gemaakte kosten voor werkzaamheden van de advocaat, tot een maximum van € 8.000,-, met inbegrip van de buitengerechtelijke advocaatkosten. Als de gevorderde proceskosten zijn onderbouwd, dan worden de redelijke en evenredige proceskosten toegewezen.
3.2
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een eenvoudige of zeer eenvoudige zaak, kan worden gelet op (i) de omvang van het redelijkerwijs noodzakelijke feitenonderzoek, (ii) de omvang van het relevante feitencomplex, (iii) de grondslagen van de vorderingen, (iv) de omvang van het verweer, (v) het aantal proceshandelingen, (vii) het aantal relevante producties en (viii) het financiële belang van de zaak.
3.3
In dit geval heeft een op zichzelf overzichtelijke claim geleid tot een hoog oplopend conflict en een uitgebreide discussie, waarin diverse juridische verweren zijn gevoerd.
Merk Fryslân heeft onder meer aangevoerd dat de foto’s niet auteursrechtelijk beschermd zijn, dat [appellant] niet de auteursrechthebbende is en dat de foto’s niet zijn gebruikt in de door hem gestelde omvang. Mede daardoor is [appellant] genoodzaakt geweest zijn vorderingen uitgebreid te onderbouwen en onderzoek te doen naar de aard en omvang van de inbreuken. Daarbij deden zich nog enkele complicaties voor: de foto’s werden via diverse kanalen verspreid en Merk Fryslân heeft zich erop beroepen dat zij (althans haar rechtsvoorganger) een aantal van de foto’s van Wetterskip Fryslân heeft verkregen, terwijl het Wetterskip wel het recht had de foto’s te gebruiken. Bovendien zijn de foto’s opnieuw op de beeldbank van Merk Fryslân beland nadat ze door haar waren verwijderd. Dat had als reden dat Merk Fryslân een doorstart maakte na het faillissement van haar voorganger. Dat alles heeft
Merk Fryslân ter onderbouwing van haar verweer aangevoerd.
3.5
Het hof stelt vast dat de gevorderde kosten uitstijgen boven de schade die [appellant] heeft geleden. Dat betekent echter niet dat hij die kosten had kunnen beperken of dat ze niet redelijk zijn, bijvoorbeeld omdat het gehanteerde tarief disproportioneel hoog is. Dat laatste is niet aan de orde, en de omvang van de kosten (het totaal aan gedeclareerde uren) is in essentie het gevolg van het verweer van de zijde van Merk Fryslân. Van [appellant] kan niet worden verlangd dat hij ervan afziet zich tegen inbreuken op zijn intellectuele eigendom te verzetten omdat (zodra) de kosten die dat meebrengt dreigen uit te stijgen boven de schade die door de inbreuken wordt veroorzaakt. Een dergelijk standpunt is onverenigbaar met een belangrijke doelstelling van Richtlijn 2004/48: het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom in de interne markt2.
3.6
[appellant] heeft een gespecificeerde onderbouwing gegeven van het aan zijn gemachtigde betaalde salaris van in totaal € 4.526,55,-, met inbegrip van
buitengerechtelijke kosten en kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid (in totaal 21,3 uren tegen een uurtarief van € 175,-/€ 200,-/€ 210,- en 5% kantoorkosten). Zoals gezegd, acht het hof dat redelijke tarieven en heeft [appellant] deze kosten ook in redelijkheid kunnen maken. Dat pogingen van beide partijen om de zaak minnelijk te regelen niet tot resultaat hebben geleid, kan daaraan niet afdoen. Daarom zal Merk Fryslân worden veroordeeld tot betaling van die kosten.
3.7
Ook in dit hoger beroep zal zij in de proceskosten van [appellant] worden veroordeeld. Ten aanzien daarvan is de regeling voor Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven niet van toepassing, omdat het hoger beroep slechts betrekking heeft op de hoogte van een toe te wijzen geldvordering (tariefgroep I, 1 punt).
1. vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland in Leeuwarden van 19 mei 2020 voor zover dat onder 5.3, 5.4 en 5.5 en 5.6 is gewezen en neemt de volgende beslissing:
2. veroordeelt Merk Fryslân tot betaling aan [appellant] van € 4.526,- exclusief btw aan salaris van de gemachtigde. Deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
3. veroordeelt Merk Fryslân ook tot betaling van € 163,- aan nakosten. Dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,-- als Merk Fryslân niet heeft betaald binnen 14 dagen nadat de deurwaarder deze uitspraak aan Merk Fryslân bekend heeft gemaakt. Als daarna niet is betaald, dan worden die kosten verder verhoogd met de wettelijke rente;
4. bekrachtigt het genoemde vonnis met inachtneming van het voorgaande voor zover dat onder 5.1, 5.2, 5.7 en 5.8 is gewezen;
5. veroordeelt Merk Fryslân in de proceskosten in hoger beroep. Tot nu toe worden die aan de kant van [appellant] vastgesteld op
€ 419,99,- aan procedurele kosten (verschotten) en
€ 787,- aan salaris;
6. verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
7. wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, R.E. Weening en M. Willemse en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op
6 april 2021