Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde – ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 augustus 2014 tot en met 28 november 2019, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen,
immers heeft hij, verdachte, (van) een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 42.000,- euro, te weten (van):
- zaaksdossier A: [adres 2] :
in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 15 februari 2016 een geldbedrag van in totaal ongeveer 26.650,- euro (huur) en/of een geldbedrag van in totaal ongeveer 4.100,- euro (commissie), in elk geval enig geldbedrag, met betrekking tot [adres 2] ;
- zaaksdossier D: [adres 3] :
in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 12 september 2017 een geldbedrag van in totaal ongeveer 3.750,- euro (huur) en/of een geldbedrag van in totaal ongeveer 3.750,- euro (borg) en/of een geldbedrag van in totaal ongeveer 3.750,- euro (commissie), in elk geval enig geldbedrag, met betrekking tot [adres 3] ;
- zaaksdossier [adres 4] :
in of omstreeks de periode van 1 mei 2019 tot en met 28 november 2019 een geldbedrag van in totaal ongeveer 12.950,- euro (huur) en/of een geldbedrag van in totaal ongeveer 3.700,- euro (borg), in elk geval enig geldbedrag, met betrekking tot [adres 4] ;
althans (van) een of meer geldbedragen (telkens) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) -onmiddellijk of middellijk - (telkens) afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde – voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde – wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte, nadat hij meerdere waarschuwingsgesprekken met de politie heeft gehad, alsnog heeft nagelaten voldoende onderzoek te doen naar (de identiteit- en inkomensgegevens van) zijn huurders, waardoor hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de contante huurpenningen die hij van zijn huurders ontving uit misdrijf afkomstig waren.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van al het hem tenlastegelegde.
Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat de strafbare feiten in de woningen zijn gepleegd na het ontvangen van de huurpenningen. Dit kan niet leiden tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde nu witwashandelingen niet kunnen plaatsvinden ten aanzien van een nog niet gepleegd gronddelict. Voorts heeft hij aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had dat de contante huurpenningen uit enig misdrijf afkomstig zouden zijn en dat hij dat evenmin redelijkerwijs had moeten vermoeden.
Het hof overweegt als volgt.
Naar bestendige jurisprudentie is voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, bewezen worden indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Bij de beantwoording van de vraag of een voorwerp of geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is moet, eveneens naar vaste rechtspraak, ook worden vastgesteld dat die voorwerpen of geldbedragen zijn verkregen door respectievelijk afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de tenlastegelegde witwasgedragingen.
Pas als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig (voorafgaand) misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Het openbaar ministerie heeft de volgende feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan hij stelt dat een witwasvermoeden gerechtvaardigd is.
Herengracht 455F
De verdachte heeft deze woning als woningbemiddelaar per 1 maart 2015 verhuurd aan [naam 1] en een persoon genaamd of genoemd [naam 2] , voor € 2.000,00 per maand. De huurpenningen ontving hij contant. In oktober 2015 is door [naam 2] een nieuwe bewoner, ene [naam 3] , geïntroduceerd. Vanaf deze datum betaalde [naam 3] de huur contant aan de verdachte. In het verhuurdossier dat de verdachte bijhield van deze woning zijn een huurcontract op naam van en een kopie van het paspoort van [naam 1] aangetroffen. Het verhuurdossier bevatte geen inkomensgegevens van [naam 1] . Van [naam 2] en [naam 3] zijn helemaal geen gegevens aangetroffen in het verhuurdossier.
In deze woning is op 15 februari 2016 een vuurwapen met munitie en € 14.550,00 aan contant geld aangetroffen.
Andreasplein 86
De verdachte verhuurde de woning als woningbemiddelaar per 1 augustus 2017 aan [naam 4] voor € 3.750,00 per maand en ontving de huurpenningen contant. In het verhuurdossier dat de verdachte bijhield van deze woning is het huurcontract op naam van [naam 4] , een kopie van de identiteitskaart van [naam 4] en een arbeidsovereenkomst van [naam 4] waarin staat opgenomen dat de laatste € 3.671,15 salaris per maand verdient aangetroffen.
Bij een doorzoeking van de woning op 12 september 2017 is 189 kilo cocaïne, 1,5 kilo amfetamine en € 19.000,00 aan contant geld aangetroffen.
Langswater 826
De verdachte verhuurde de woning als woningbemiddelaar vanaf 1 mei 2019 aan [naam 5] en [naam 6] voor € 1.850,00 per maand en heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij de huurpenningen contant ontving. In het verhuurdossier dat de verdachte bijhield van deze woning is een huurcontract op naam van [naam 5] en [naam 6] aangetroffen, evenals een brief van 5 juli 2019 van [naam 7] gericht aan [naam 5] met als bijlage een begrotingsplan van [naam 5] onderneming [onderneming].
In de woning is op 28 november 2019 bij een doorzoeking 7,5 kilo cocaïne, een geldtelmachine, een vacuümmachine en een jammer aangetroffen.
Het hof stelt voorop dat er geen bewijs is voor een specifiek gronddelict voorafgaand aan de tenlastegelegde witwashandelingen ten aanzien van de drie woningen.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp – het gaat hier om de huurpenningen voor de drie woningen – uit enig misdrijf afkomstig is.
Die vraag beantwoordt het hof ontkennend.
Voorwerpen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als 'afkomstig (...) uit enig misdrijf' in de zin van de artikelen 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen.
Uit het voorgaande volgt echter dat steeds geruime tijd nadat de verdachte de woningen verhuurd had en de huurpenningen daarvoor in ontvangst had genomen, in die woningen wapens, grote contante geldbedragen en/of hoeveelheden drugs werden aangetroffen.
Noch de onvolledige informatie die de verdachte verzamelde over de huurders noch het aannemen van contante huurpenningen zijn, op zichzelf of in onderling verband, voldoende om een witwasvermoeden te rechtvaardigen. De omstandigheid dat de politie op 9 januari 2013, 20 augustus 2014 en 11 juli 2017 de verdachte heeft gewaarschuwd dat hij, door de manier waarop hij verhuurt en bemiddelt, een groot risico loopt dat criminelen gebruik maken van zijn diensten, maakt dat niet anders.
Naar het oordeel van het hof is daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
BESLISSING
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van de onder 1, derde gedachtestreepje (‘zaaksdossier [adres 4] ’) cumulatief ten laste gelegde periode van 12 september 2018 tot en met 7 maart 2019 en tegen de beslissing ter zake van hetgeen hem onder 2 ten laste is gelegd.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Koek, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. R.D. van Heffen,
in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 oktober 2024.
mr. M. Koek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]