3.1.
De rechtbank heeft in rov. 2 (2.1 tot en met 2.9) van het bestreden vonnis de feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. De eerste grief van VanEps is onder meer gericht tegen de feiten die zijn beschreven in rov. 2.1 en 2.4. Omdat ABN AMRO de juistheid van de grief in zoverre erkent, houdt het hof daarmee rekening in zijn opsomming van de vaststaande feiten hierna.
De eerste grief houdt ook in dat de opsomming van de vaststaande feiten door de rechtbank niet volledig is. Daarmee miskent VanEps evenwel dat een rechterlijke uitspraak alleen de vaststaande feiten dient te vermelden waarop de beslissing is gebaseerd (art. 230 lid 1 onder e Rv), en de rechter vrij is in de keuze van de vaststaande feiten die voorafgaand aan de beoordeling worden vermeld. De grief faalt in zoverre.
3.2.
Voor zover in hoger beroep relevant en waar nodig aangevuld met andere feiten die inmiddels tussen partijen vaststaan, komen de vaststaande feiten neer op het volgende.
( i) VanEps exploiteert een advocatenkantoor. Ze is gevestigd in Willemstad (Curaçao), en heeft kantoren op Curaçao, Aruba, Bonaire en Sint Maarten. Ze houdt ook kantoor in Amsterdam, wat (in die zin) is ingeschreven in het Nederlandse handelsregister.
(ii) Ten tijde van de opzegging waar het in deze zaak om gaat, waren vier – en thans zijn vijf – van de ongeveer dertig advocaten van VanEps tevens als advocaat ingeschreven bij de Nederlandse Orde van Advocaten.
(iii) VanEps beschikt over bankrekeningen bij lokale grootbanken op Curaçao en heeft een dollarrekening bij First American Bank.
(iv) VanEps heeft sinds het begin van de jaren tachtig een zakelijke betaalrekening bij ABN AMRO. Ze neemt geen andere financiële diensten van ABN AMRO af. Ten behoeve van de betaalrekening zijn partijen op 6 december 2002 de Overeenkomst Toegang ABN AMRO aangegaan. Op deze overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Toegang ABN AMRO en de Voorwaarden Beleggen ABN AMRO Internet Bankieren van toepassing. Op grond van de toepasselijke voorwaarden is ABN AMRO gerechtigd om de overeenkomst met VanEps zonder opgave van reden en met inachtneming van een termijn van dertig dagen op te zeggen.
(
v) Bij brief van 3 maart 2021 heeft ABN AMRO haar opzeggingsbevoegdheid uitgeoefend en de bancaire relatie met VanEps opgezegd per 1 september 2021:
"Zoals telefonisch met u besproken, hebben wij helaas moeten besluiten om onze dienstverlening aan uw onderneming in Curaçao per 1 september 2021 te beëindigen. De reden hiervoor is dat de kosten van onze dienstverlening aan buitenlandse klanten aanzienlijk zijn gestegen.
(…).
Waarom stopt de dienstverlening?
We passen ons buitenlands beleid aan omdat we moeten voldoen aan steeds strengere Nederlandse, internationale én lokale wet- en regelgeving. Voor buitenlandse klanten maken we hierdoor veel kosten. Bijvoorbeeld voor het doen van klant- en transactieonderzoek om witwassen en andere vormen van fraude te voorkomen. Daarbij zijn onze Commercial Banking-klanten verspreid over meer dan 100 landen, waardoor de toetsing op lokale wetten en regels een kostbare kwestie is. Helaas kunnen wij hierdoor onze dienstverlening aan uw onderneming niet voortzetten.”
(vi) Bij brief van 25 oktober 2021 heeft (de advocaat van) ABN AMRO uiteengezet dat de
door VanEps tegen de opzegging aangevoerde belangen niet maken dat de opzegging onaanvaardbaar is en is een verlenging van de opzegtermijn van drie maanden aangeboden. Nadien heeft ABN AMRO zich bereid verklaard de opzegtermijn te verlengen tot 31 maart 2022.
(vii) Op vordering van VanEps heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam bij kortgedingvonnis van 9 december 2021 ABN AMRO verboden uitvoering te geven aan haar opzegging van de overeenkomst en bepaald dat VanEps aan deze veroordeling geen rechten kan ontlenen als zij de bodemprocedure niet binnen zes weken bij de rechtbank Amsterdam heeft aangebracht.
(viii) VanEps heeft de (onderhavige) bodemprocedure tijdig aanhangig gemaakt. ABN AMRO heeft bewilligd in voortzetting van de bancaire relatie met VanEps gedurende de procedure in hoger beroep.