4 Beoordeling van het geschil
De rechtbank heeft in haar uitspraak, voor zover hier van belang, als volgt overwogen.
1. Dit artikel is van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is
ingesteld:
a. die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden,
b. waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het
bestuursorgaan en
c. die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen.
2. Indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, deelt het bestuursorgaan dit zo spoedig mogelijk mede
aan de indiener van het bezwaarschrift.
3. Het horen geschiedt door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat
geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.
4. De commissie beslist over de toepassing van artikel 7:4. zesde lid, van artikel 7:5. tweede lid, en, voor zover
bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, van artikel 7:3.
5. Een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan wordt voor het horen uitgenodigd en wordt in de gelegenheid
gesteld een toelichting op het standpunt van het bestuursorgaan te geven.
6. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen.
7. Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden
voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.
10. In artikel 7 van de Wet OB is, voor zover hier van belang, bepaald dat ondernemer is
ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Onder bedrijf moet mede worden verstaan beroep.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de wetgever aan het
begrip ondernemer geen andere betekenis heeft willen toekennen dan aan het begrip
belastingplichtige in artikel 9 van de Btw-richtlijn. Artikel 7 van de Wet OB moet dus
richtlijnconform worden uitgelegd.
11. Volgens artikel 9, eerste lid, eerste alinea, van de Btw-richtlijn wordt als
belastingplichtige beschouwd eenieder die zelfstandig een economische activiteit verricht,
ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. Het begrip economische activiteit
omvat alle werkzaamheden van een dienstverrichter die tegen vergoeding worden verricht.
Er moet daarbij sprake zijn van een rechtstreeks verband tussen de prestatie en de
vergoeding. Het is vaste rechtspraak dat het begrip economische activiteiten een ruime
werkingssfeer heeft (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van
20 juni 2013 C-219/12, Finanzamt Freistadt Rohrbach Urfahr, ECLI:EU:C:2013:413).
12. In artikel 10 van de Btw-richtlijn is bepaald dat de in artikel 9, eerste lid, bedoelde
voorwaarde dat de economische activiteit zelfstandig moet worden verricht, loontrekkenden
en andere personen van de belastingheffing uitsluit, voor zover zij met hun werkgever een
arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een
verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en
bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever.
13. Vaststaat dat eiseres diensten heeft verricht aan de ministeries en dat zij daarvoor een
vergoeding heeft ontvangen. Eiseres heeft het bestaan van een rechtstreeks verband tussen
de diensten en die vergoeding niet bestreden. De hoogte van de vergoeding is ook
afhankelijk van het aantal dagdelen dat eiseres aan het bijwonen van een zitting of
vergadering besteedt en van de zwaarte van de zaak. Gesteld noch gebleken is dat sprake is
van een vorm van asymmetrie als bedoeld in het arrest van het HvJ van 12 mei 2016, C
520/14, Gemeente Borsele, ECLI:EU:C:2016:334. Voorts staat vast dat geen sprake is van
incidentele activiteiten. Eveneens staat vast dat geen sprake is van arbeidsovereenkomsten
gesloten tussen de ministeries en eiseres. Verder maakt eiseres als voorzitter van de
bezwaaradviescommissies van de ministeries ingevol2e artikel 7:13, eerste lid, van de Awb
geen deel uit van de ministeries en is zij niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de
ministeries. Dit leidt ertoe dat zij als voorzitter onafhankelijk van de ministeries optreedt.
Tussen partijen is overigens niet in geschil dat eiseres met betrekking tot de inhoud van de
door haar verrichtte werkzaamheden onafhankelijk is.
14. Zoals eiseres ter zitting uiteen heeft gezet, wordt zij door een expertisecentrum benaderd
niet het verzoek of zij als voorzitter wil optreden bij de advisering over een bezwaarschrift
en staat het haar volledig Vrij dat verzoek van het expertisecentrum afte wijzen. Eiseres is
dus op generlei wijze verplicht zich beschikbaar te houden voor de desbetreffende
werkzaamheden. Uit de stukken en het ter zitting gestelde volgt dat eiseres de daadwerkelijk
door haar bestede dagdelen declareert aan de ministeries. Dat op ziche1f de
dagdeelvergoeding die de ministeries bereid zijn te betalen aan een maximum lijkt te zijn
gebonden. maakt niet dat ten aanzien van de bezoldiging sprake is van ondergeschiktheid
van eiseres aan de ministeries. Het staat eiseres immers vrij om de werkzaamheden niet te
verrichten wanneer zij de vergoeding te laag vindt. Daarnaast heeft zij de mogelijkheid een
lagere vergoeding te berekenen en aldus meer in concurrentie te treden met andere juristen
die op dit vlak werkzaam (willen) zijn.
15. Eiseres bepaalt voorts zelf, binnen het kader van de Awb, op welke wijze zij invulling
geeft aan haar rol als voorzitter van de bezwaaradviescommissies. De ministeries zijn niet
bevoegd haar daartoe inhoudelijke aanwijzingen te geven. De door eiseres, met de overige
commissieleden, uitgebrachte adviezen kunnen door de ministeries worden overgenomen.
De adviezen kunnen echter ook terzijde worden geschoven. Dat eventuele bezwaarmakers
eiseres niet kunnen aanspreken op de inhoud of de kwaliteit van het advies neemt niet weg
dat indien de adviezen onder de maat zijn eiseres daarop door haar opdrachtgevers, de
ministeries, kan worden aangesproken. Dit kan tot gevolg hebben dat eiseres niet langer
door de ministeries zal worden ingeschakeld. Aldus ligt de verantwoordelijkheid en het
risico voor de kwaliteit van haar werkzaamheden volledig bij eiseres.
16. Gezien het voorgaande is eiseres voor haar werkzaamheden als voorzitter van de
bezwaaradviescommissies van de ministeries ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet
OB. Eiseres heeft dan ook terecht over de hiervoor ontvangen vergoeding omzetbelasting
voldaan. Het beroep is daarom ongegrond.”
5 Beoordeling van het geschil
5.1.
Belanghebbende voert ook in hoger beroep aan dat zij de werkzaamheden als lid/voorzitter van de bezwaaradviescommissies van de ministeries niet als ondernemer heeft verricht zodat zij in zoverre ten onrechte btw op aangifte heeft voldaan. De inspecteur meent daartegenover dat bedoelde bedragen de vergoedingen vormen voor door belanghebbende in het kader van haar onderneming verrichte diensten, zodat de belasting terecht op aangifte is voldaan.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende wegens het verrichten van andere dan de in geding zijnde werkzaamheden, ondernemer is in de zin van de Wet OB. Evenmin is in geschil dat de onderhavige werkzaamheden niet zijn verricht op grond van een arbeidsovereenkomst, dat zij een duurzaam karakter hebben, dat zij zijn verricht tegen een vergoeding die niet als ‘symbolisch’ kan worden aangemerkt en dat zij zijn verricht in rechtstreeks verband met de thans in geding zijnde vergoedingen.
5.3.
Partijen houdt verdeeld of de onderhavige prestaties zijn verricht in het economische verkeer en, zo dit het geval is, belanghebbende over voldoende zelfstandigheid beschikt om voor de in geding zijnde activiteiten als ondernemer te kwalificeren.
Het economisch karakter van de betrokken werkzaamheden
5.4.
Volgens artikel 9, lid 2, van de Btw-richtlijn, de interpretatiebasis van artikel 7 Wet OB 1968, omvat het begrip economische activiteiten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van onder meer de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen. Uit deze definitie blijkt, zoals ook terecht door de rechtbank is overwogen, dat het begrip economische activiteiten een ruime werkingssfeer heeft. Daarmee worden alle dienstverrichtingen van beoefenaren van vrije beroepen bedoeld. Voorts heeft voornoemd begrip een objectief karakter, in die zin dat elke activiteit op zichzelf wordt beschouwd, onafhankelijk van het (subjectieve) oogmerk van de beoefenaar of het resultaat van de activiteit. Gelet op het objectieve karakter van het begrip economische activiteiten doet aan dit oordeel niet af dat activiteiten van de leden/voorzitters van – zoals in het onderhavige geval – bezwaaradviescommissies het algemeen belang dienen noch dat deze activiteiten bij Wet zijn geregeld. Ingevolge artikel 25, onderdeel c, van de Btw- richtlijn zijn immers ook krachtens een Wet verrichte activiteiten aan het stelsel van de Btw onderworpen (vgl. HvJ van 26 maart 1987, zaak 235/85, r.o 10).
5.5.
De stelling dat voor de onderhavige activiteiten geen ‘markt’ zou bestaan, zoals belanghebbende aanvoert, waardoor deze een economisch karakter ontberen, wordt door het Hof verworpen reeds omdat een ieder die aan de gestelde kwalificaties voldoet – naar de inspecteur ter zitting van het Hof onvoldoende weersproken heeft gesteld (zie 2.5) en het Hof aannemelijk acht – op verzoek of desgevraagd kan worden benoemd (of niet kan worden benoemd) tot lid of voorzitter van een bezwaaradviescommissie. Anders dan belanghebbende stelt fungeert zij derhalve als deelnemer aan een markt, door het tegen vergoeding verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de bezwaaradviescommissies van de ministeries. Dat belanghebbende de werkzaamheden in persoon moet verrichten doet daaraan niet af, en evenmin, zoals hiervoor (5.4) overwogen, dat de activiteiten het algemeen belang dienen en/of bij Wet geregeld zijn. De onderhavige werkzaamheden zijn voor eigen rekening verricht en staan daarenboven niet op zichzelf; belanghebbende is duurzaam lid/voorzitter van diverse bezwaaradviescommissies zodat, gelet op de ruime werkingssfeer die het HvJ aan dit begrip toekent, sprake is van economische activiteiten in de zin van de Wet OB.
De zelfstandige uitoefening van deze activiteiten
5.6.
Artikel 10 van de Btw-richtlijn sluit al diegenen uit die met een werkgever een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever. Belanghebbende beroept zich op deze uitzondering op de btw-plicht en stelt dat ook indien ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van economische activiteiten, deze geen zelfstandig uitgeoefende activiteiten zijn, daar belanghebbende een juridische band heeft met de ministeries waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de ministeries.
5.7.
Belanghebbende voert in dat kader aan dat zij is benoemd als voorzitter/lid van een bezwaaradviescommissie door het desbetreffende ministerie voor een periode van vier jaar. Alleen personen die als zodanig benoemd zijn, kunnen deelnemen of gevraagd worden om deel te nemen aan de werkzaamheden van een bezwaaradviescommissie. Belanghebbende verricht haar werkzaamheden op verzoek en onder verantwoordelijkheid van het desbetreffende ministerie en loopt ter zake van deze werkzaamheden geen ondernemersrisico’s; zij kan niet aansprakelijk worden gesteld in gevallen waarin zij werkzaamheden niet naar behoren zou uitvoeren. Bovendien zijn haar arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden bij Wet bepaald zodat zij in wezen een positie bekleedt die goed vergelijkbaar is met die van een werknemer.
5.8.
Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Niet in geschil is dat belanghebbende – ondanks haar benoeming voor een periode van vier jaar – zich niet ervan verzekerd weet of en in welke mate zij zal worden gevraagd voor het daadwerkelijk verrichten van werkzaamheden voor een bezwaaradviescommissie in één of meer individuele gevallen. Voorts staat vast dat een ministerie aan belanghebbende enkel een vergoeding is verschuldigd als zij daadwerkelijk werkzaamheden voor een bezwaaradviescommissie heeft verricht. Belanghebbende draagt derhalve, anders dan zij stelt, in zoverre economische casu quo inkomensrisico’s. Tevens staat vast dat belanghebbende geen deel uit maakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een ministerie. Dit vloeit rechtstreeks voort uit het bepaalde in artikel 7:13, lid 1, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.9.
Het Hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden de positie van belanghebbende - die lid is van meerdere bezwaaradviescommissies - veeleer overeenkomt met die van een beoefenaar van een vrij of daarmee gelijkgesteld beroep, dat die althans onvoldoende vergelijkbaar is met die van een werknemer, zodat er geen plaats is voor een geslaagd beroep op de uitzondering als bedoeld in artikel 10 van de Btw-richtlijn.
De in geding zijnde bedragen vormen bijgevolg vergoedingen voor door belanghebbende in het kader van haar onderneming verrichte diensten, zodat de belasting terecht op aangifte is voldaan.
5.10.
Dit oordeel vindt steun in het arrest van het HvJ EU van 25 juli 1991, C-202/90, Ayuntamiento de Sevilla waarin ten aanzien van Spaanse ontvangers voor zover hier van belang is overwogen:
“11 Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden is er geen verhouding van ondergeschiktheid, wanneer ontvangers zelfstandig, binnen de door de wet gestelde grenzen, het personeel en materieel kunnen aantrekken en organiseren, dat nodig is voor de uitvoering van hun werkzaamheden.
12 In die omstandigheden is het feit dat de ontvangers functioneel afhankelijk zijn van het gemeentelijk gezag, dat hun instructies kan geven, alsmede dat zij tuchtrechtelijk aan dat gezag zijn onderworpen, niet doorslaggevend voor de wijze waarop hun juridische band met de gemeente in het licht van artikel 4, lid 4, van de richtlijn moet worden gekwalificeerd (…)
13 Ten aanzien van de bezoldigingsvoorwaarden is er geen verhouding van ondergeschiktheid, wanneer de ontvangers de economische risico’ s van hun werkzaamheden dragen, in zoverre de winst die zij daaruit behalen, niet alleen afhangt van het bedrag aan geïnde belastingen, maar ook van de uitgaven in verband met de organisatie van het voor hun werkzaamheden ingezette personeel en materieel.”
5.11.
Indien en voor zover belanghebbende een beroep heeft willen doen op het arrest van het HvJ EU van 18 oktober 2007, C-355/06, ECLI:EU:C:2007:615 (Van der Steen), waarin voor recht is verklaard dat een natuurlijke persoon die voor een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is, werkzaamheden verricht ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst, geen belastingplichtige is, wordt dit beroep verworpen reeds omdat te dezen geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de ministeries en belanghebbende (zie r.o. 5.2).
5.12.
Gezien vorenstaande is het Hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot een juist oordeel is gekomen.
5.13.
De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.