De inhoud van de afgelegde verklaringen heeft het hof echter om verschillende redenen niet overtuigd van hun geloofwaardigheid. Het hof overweegt daarover als volgt.
Tussen de verklaringen en in de verklaringen zitten verschillen die ogenschijnlijk niet veel om het lijf hebben, omdat zij zich afspelen op detailniveau. Toch vallen die verschillen op, omdat zij betrekking hebben op details van gewicht. Bovendien zijn er in de loop van het geding in eerste aanleg en hoger beroep telkens nieuwe verschillen opgetreden.
[appellante] en haar man hebben niet gelijkluidend verklaard over de betrokkenheid van [appellante] bij de pinopnamen van [de moeder] . [appellante] heeft verklaard dat ze een afstand van een paar meter bewaarde, terwijl haar moeder pinde; haar man heeft verklaard dat zijn vrouw er altijd bij was, op een metertje afstand. Die laatste verklaring lijkt erop te wijzen dat de betrokkenheid van [appellante] bij de pinopnamen groter was dan zij zelf voor haar rekening heeft genomen. Dat roept de nodige vragen op. Dat geldt te meer nu haar zoon [M] als getuige voor zijn rekening heeft genomen dat zijn grootmoeder bij het pinnen hulp nodig had. Dat heeft hij weliswaar maar één keer waargenomen, maar zijn verklaring bevat weinig houvast voor de veronderstelling dat het bij andere opnamen anders zou zijn geweest.
[appellante] heeft aanvankelijk als getuige een voorstelling van zaken gegeven als zou zij nooit hebben gepind met de pinpas van haar moeder. Later bleek dat anders te zijn en heeft zij verklaard eenmaal € 3.000,- te hebben gepind ten behoeve van een huwelijkscadeau voor kleindochter [K] . Dat zou zijn gebeurd na de verhuizing van haar moeder naar [het zorgcentrum] . Een dergelijke opname valt niet terug te vinden in het overzicht van banktransacties, wel drie kasopnamen van elk € 1.500,- op 25 november 2008. Dit gedeelte van de getuigenverklaring van [appellante] is voorts zonder toelichting, die ontbreekt, niet in overeenstemming te brengen met hetgeen zij eerder heeft verklaard bij gelegenheid van de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen, als volgt: “Ook bij de bankopnames van 26 november 2008 was moeder zelf aanwezig; ze wilde [K] € 4.500,- geven, omdat de andere kleinkinderen dit bedrag hadden gekregen als huwelijkscadeau. [K] was nog niet getrouwd, en moeder vond het belangrijk het haar toch nog te geven.” Wat daarvan verder zij, in ieder geval moet het hof hieruit afleiden dat het gebruik van de pinpas van [de moeder] minder exclusief door [de moeder] was dan [appellante] het aanvankelijk heeft voorgesteld. Dat laatste is overigens ook de lezing van de gebeurtenissen die [appellante] in eerste aanleg bij conclusie van antwoord heeft gegeven.
Zowel [appellante] als haar echtgenoot heeft verklaard dat [de moeder] contant geld ter beschikking heeft gesteld om een etentje in een wokrestaurant te bekostigen. In het overzicht van hetgeen op de bankrekening van [de moeder] is voorgevallen in de jaren 2005 tot en met 2008 wordt vermeld dat op 8 januari 2007 een bedrag groot € 119,-, op 11 februari 2008 een bedrag groot € 161,85 en op 18 februari 2008 een bedrag van € 251,- is afgeboekt ten gunste van [wokrestaurant] . Zonder toelichting, die ontbreekt, heeft het er daarom alle schijn van dat het etentje in het wokrestaurant niet met contant geld is betaald.
Zowel [J] als [M] heeft verklaard dat door [de moeder] contant geld is aangewend om kleinkinderen geschenken te geven, onder meer met feestdagen. In bovengenoemd overzicht van banktransacties wordt -onder meer- in december 2005 en december 2006 vermeld dat ten gunste van de vijf kleinkinderen bedragen zijn afgeboekt als kerstcadeau alsmede in april 2006 paascadeau ’s ten gunste van drie kleinkinderen. Ook hier heeft weer te gelden dat deze transacties zonder toelichting, die ontbreekt, onverenigbaar zijn met hetgeen de getuigen [J] en [M] hebben verklaard.
[J] heeft als getuige voor zijn rekening genomen dat contante opnamen altijd gebeurden als zijn vrouw, zijn schoonmoeder en hij een zogenoemd ‘rondje’ gingen maken. Hetgeen [M] heeft verklaard over de door hem bijgewoonde pinopname, past niet goed in dat scenario. In het bijzonder het onderdeel van die laatste verklaring dat inhoudt dat [de moeder] zelf met behulp van een rollator naar een pinautomaat in [a] kon lopen, roept vragen op, met name de vraag waarom zij, anders dan in werkelijkheid is gebeurd, niet telkens dichtbij haar woonhuis in [a] heeft gepind, al of niet met hulp van haar dochter [appellante] .
De fricties die het hof heeft geconstateerd, zijn van zodanig gewicht dat zij tezamen genomen ernstig afdoen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de door [appellante] voorgebrachte getuigen.