Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:CRVB:2025:445

Centrale Raad van Beroep
19-03-2025
26-03-2025
24/167 WIA
Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep

Beëindiging WIA-uitkering per 9 september 2022 omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De Raad concludeert dat de geschiktheid voor de maatmanarbeid niet kan worden onderschreven en dat de primaire grondslag van het bestreden besluit niet kan worden gehandhaafd. De Raad bevestigt wel het subsidiaire standpunt waarbij appellante geschikt is voor de geselecteerde functies.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

24/167 WIA

Datum uitspraak: 19 maart 2025

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

14 december 2023, 23/1445 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellante per

9 september 2022 heeft beëindigd, primair omdat zij weer geschikt wordt geacht voor haar laatst verrichte werk en subsidiair omdat zij passende functies kan verrichten op grond waarvan zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan zij het laatst verrichte werk en ook de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet verrichten. De Raad volgt niet het primaire standpunt van het Uwv niet, maar wel het subsidiaire standpunt en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 februari 2025. Voor appellante is

mr. Berkel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. I.M. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als algemeen ondersteunend medewerkster voor 31,95 uur per week. Zij is op 28 januari 2019 wegens fysieke en psychische klachten voor dit werk uitgevallen. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 25 januari 2021 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 25 juni 2021 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij appellante onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.

1.2.

Op 30 december 2021 heeft appellante het Uwv gemeld dat haar gezondheidssituatie vanaf 6 december 2021 is verslechterd. Naar aanleiding hiervan heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 juli 2022. De arbeidsdeskundige heeft appellante primair geschikt geacht voor het eigen werk en daarnaast voor appellante passende functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 8 juli 2022 de WIA-uitkering van appellante met ingang van 9 september 2022 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij besluit van 20 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2.1.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellante op 9 september 2022 inhoudelijk overtuigend gemotiveerd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beroepsgronden overeenkomen met de in bezwaar ingediende gronden en heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 14 december 2022 duidelijk en navolgbaar heeft gemotiveerd waarom deze gronden niet leiden tot het aannemen van meer of zwaardere beperkingen. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad1 heeft het Uwv er terecht op gewezen dat wat betreft de urenbeperking geen rekening kan worden gehouden met de thuissituatie van appellante. Omdat appellante haar standpunt dat zij meer beperkt is niet met medische informatie heeft onderbouwd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid van appellante.

2.2.

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat appellante per 9 september 2022 geschikt is voor de maatmanarbeid als algemeen ondersteunend medewerkster. Het gaat om een fysiek zeer lichte functie waarbij zij kort loopt en staat en tussendoor alle tijd heeft om te zitten. Er zijn volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen overschrijdingen in de vastgestelde belastbaarheid, niet op de individuele belastingitems en ook niet op de totaalbelasting in deze functie. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat appellante per 9 september 2022 geschikt is voor de maatmanarbeid en is daarom niet toegekomen aan de vraag of appellante geschikt is voor de geselecteerde functies.

Het standpunt van appellante

3.1.

Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het standpunt van het Uwv

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

4.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De in hoger beroep herhaalde stelling dat het lichamelijk en psychisch onderzoek door de verzekeringsarts marginaal en onzorgvuldig is geweest slaagt niet. Deze grond is niet nader onderbouwd en bovendien blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts van 4 juli 2022 dat sprake is geweest van een uitgebreid lichamelijk en psychisch onderzoek.

4.3.

De beroepsgrond dat de medische situatie van appellante is onderschat, omdat zij zich met een verslechtering van haar gezondheidssituatie heeft gemeld, maar aanzienlijk minder beperkt wordt geacht dan bij einde wachttijd, slaagt evenmin. De verzekeringsartsen hebben toegelicht dat bij einde wachttijd de beperkingen zijn vastgesteld na een – in verband met de coronapandemie – spreekuurcontact via beeldbellen, en dus zonder een fysiek onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder inzichtelijk toegelicht dat de urenbeperking van twee uur per dag en tien uur per week, die bij einde wachttijd op preventieve gronden was aangenomen, niet voldoet aan de voorwaarden van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Met in de FML van 4 juli 2022 opgenomen urenbeperking van 30 tot 32 uur per week wordt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende tegemoetgekomen aan de beperkingen van appellante, waarbij rekening is gehouden met haar spannings- en stressklachten als gevolg van de medische situatie van haar zoontje.

4.4.

De brief van 4 januari 2022 van de fysiotherapeut, waarop appellante zich heeft beroepen en, waarin de fysiotherapeut heeft vermeld geen reden te zien om een behandeltraject in te gaan omdat appellante in de afgelopen jaren alle mogelijke behandelingen heeft ondergaan zonder resultaat, is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling betrokken en biedt geen aanknopingspunten voor twijfel aan de bevindingen van het lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts. Uit de brief van de fysiotherapeut blijkt immers niet dat sprake is geweest van een lichamelijk onderzoek door de fysiotherapeut. De verzekeringsarts heeft bij het lichamelijk onderzoek van 14 juni 2022, behalve subjectieve pijnbeleving bij palpatie en/of specifieke bewegingsuitslagen, geen significante afwijkingen of bewegingsbeperkingen geobjectiveerd. Appellante heeft noch in beroep noch in hoger beroep nadere medische stukken ingediend.

4.5.

Bij psychisch onderzoek heeft de verzekeringsarts geen aanwijzingen gevonden voor ernstige psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Wel heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat sprake is van reactieve spannings- en stressklachten die in relatie staan tot de gezondheid van haar zoontje en het ontbreken van een steunsysteem en appellante om die reden aangewezen geacht op een werkweek van 30 tot 32 uur per week. Er is geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv de belastbaarheid van appellante hebben onderschat.

Arbeidskundige beoordeling

4.6.

Volgens vaste rechtspraak2 moet bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in beginsel als de zogeheten maatman worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als appellante verrichtte vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Geschiktheid voor deze maatmanarbeid brengt in beginsel mee dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid.

4.7.

Appellante wordt gevolgd in haar standpunt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd heeft dat de maatmanarbeid als algemeen ondersteunend medewerkster per datum in geding geschikt was voor haar. Appellante heeft onder meer aangevoerd dat zij in dit werk te veel moet lopen. Appellante is beperkt op lopen en op lopen tijdens het werk: zij kan ongeveer een kwartier achtereen tot maximaal twee uur per werkdag lopen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in bezwaar aan appellante schriftelijke vragen gesteld over de belasting in de maatmanarbeid, maar specifieke vragen over (de duur van) het lopen zijn daarbij niet gesteld. Uit de vervolgens door appellante verstrekte informatie over de functiebelasting is ook niet op te maken hoe lang appellante in totaal per werkdag moest lopen. Niet alleen bij het ophalen van klanten is sprake van lopen, maar ook bij andere activiteiten moet gelopen worden, zoals bij het afnemen van vergadertafels en het doen van boodschappen. De conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 18 januari 2023 dat appellante in het werk kort liep is dan ook onvoldoende inzichtelijk.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid voor de maatmanarbeid niet kan worden onderschreven en dat de primaire grondslag van het bestreden besluit niet kan worden gehandhaafd. Beoordeeld wordt daarom het

subsidiaire standpunt van het Uwv dat appellante per 9 september 2022 geschikt is voor de geselecteerde functies, op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 20,95%.

4.9.

Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat deze functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn. De beroepsgronden die appellante in dit verband heeft aangevoerd, zijn een herhaling van de gronden die zij in bezwaar heeft aangevoerd. In het rapport van 18 januari 2023 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep deze gronden gemotiveerd weersproken. Zo heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat de functie administratief ondersteunend medewerker een fysiek lichte functie is waarbij gewerkt wordt in een zeer rustige werkomgeving met afgebakende en gestructureerde taken zonder tijdsdruk. De functie assemblage medewerker besturingskasten en panelen is eveneens een fysiek lichte functie, met alle ruimte om te vertreden. Het is een gestructureerde afgebakende productiefunctie zonder klant- of patiëntcontacten. Appellante heeft niet onderbouwd waarom de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven motivering niet deugdelijk zou zijn. Omdat er geen beperkingen zijn vastgesteld voor concentratie, geluid of prikkels, zien en hand- of vingergebruik heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de daarover aangevoerde gronden terecht buiten beschouwing gelaten. Tegen de functie productiemedewerker textiel heeft appellante geen beroepsgronden aangevoerd. De functie productiemedewerker industrie is in bezwaar alleen nog als reservefunctie gebruikt en dus niet aan de schatting ten grondslag gelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met verbetering van gronden. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering per 9 september 2022 in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van D. Kovac als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) D. Kovac

1 Zie de uitspraak van de Raad van 7 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1530.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 2 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2337.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.