uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2020 in de zaak tussen
M&H International Tranz B.V. (M&H) te Spijkenisse, appellante,
(gemachtigde: R. de Rijke)
Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), verweerder,
(gemachtigde: mr. M.C. Veltkamp-van Paassen)
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2018 (primair besluit) heeft verweerder geweigerd aan appellante op haar aanvraag een communautaire vergunning op grond van de Wet wegvervoer goederen ( communautaire vergunning) te verlenen.
Bij besluit van 18 februari 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Appellante is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. De gemachtigde van verweerder is verschenen. Voor verweerder zijn verder nog verschenen [naam 1] en [naam 2] .
Overwegingen
1. Verweerder heeft één dag voor de zitting, na sluiting van de tien-dagen termijn van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht, nadere stukken (bijlage 15 tot en met 19) ingediend. Nu appellante zich niet over (het toelaten van) die stukken heeft kunnen uitlaten, zal het College bij zijn beoordeling van het beroep geen acht op slaan op deze nadere stukken.
2.1.
Appellante heeft op 8 juni 2018 bij verweerder een aanvraag om een communautaire vergunning ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen.
2.2.
Het bestreden besluit berust op het standpunt van verweerder dat appellante niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening 1071/2009/EG. Deze verordening ziet op de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen. De drie achtereenvolgens door appellante voorgestelde (externe) vervoermanagers die bij haar de vakbekwaamheid inbrengen, voldoen volgens verweerder allen niet. De op 29 januari 2019 - als laatste - voorgestelde vervoersmanager [naam 3] ( [naam 3] ) kan volgens verweerder vanwege zijn overige werkzaamheden niet voldoen aan de voorwaarde dat hij daadwerkelijk en permanent leiding geeft aan de vervoersactiviteiten van appellante. Dit leidt verweerder af uit het op 27 januari 2019 mede door [naam 3] ondertekende formulier inbreng vakbekwaamheid (verklaring inbreng vakbekwaamheid) waarin is vermeld dat [naam 3] gedurende 40 uur per week werkzaam is als DGA bij [naam 4] B.V. ( [naam 4] ) en uit het feit dat uit eigen onderzoek is gebleken dat in de verklaring inbreng vakbekwaamheid ten onrechte niet ook is vermeld dat [naam 3] in het Verenigd Koninkrijk (VK) directeur is van [naam 5] LTD ( [naam 5] ). [naam 3] wordt vanwege de opgegeven werkzaamheden voor [naam 4] en de verzwegen werkzaamheden voor [naam 5] door verweerder niet in staat geacht ook nog daadwerkelijk en permanent leiding te geven aan de vervoersactiviteiten bij een andere onderneming. Daarom is [naam 3] door verweerder niet geaccepteerd als (externe) vervoersmanager die bij appellante de vakbekwaamheid inbrengt. Gelet hierop heeft appellante niet aangetoond dat zij voldoet aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid en onder d, van Verordening 1071/2009/EG.
3.1.
Appellante heeft in haar beroepschrift van 29 maart 2019 aangevoerd dat [naam 3] ten onrechte niet is geaccepteerd als vervoersmanager. Hij heeft genoeg tijd om die functie te vervullen naast zijn werkzaamheden als DGA van [naam 4] en als directeur van [naam 5] . [naam 4] is recent opgericht en heeft thans nog geen activiteiten. Omdat de heer [naam 3] zijn handen vrij wil hebben om zijn Nederlandse onderneming van de grond te krijgen, heeft hij voor [naam 5] een externe vervoersmanager aangesteld. [naam 3] ging er van uit dat hij zijn betrokkenheid bij [naam 5] niet hoefde op te geven. Hij heeft dat niet bewust verzwegen. De heer [naam 3] heeft zich bereid verklaard als vervoersmanager voor appellante op te treden en beschikt over alle kwalificaties om deze functie te bekleden.
3.2.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift, naast een herhaling van de in het bestreden besluit gehanteerde afwijzingsgronden en het feit dat de verklaring inbreng vakbekwaamheid door de verzwijging niet naar waarheid is ingevuld, verder nog aangevoerd dat uit onderzoek is gebleken, dat appellante en [naam 4] vergunningsbewijzen inlenen van derden terwijl zij zelf niet beschikken over een vergunning. [naam 4] is reeds op 4 juni 2018 opgericht, en dus niet ‘recent’ als vermeld in het beroepschrift. In de Algemene Bepalingen van Bijlage II bij Verordening 1072/2009, die ziet op de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, is bepaald dat een vergunning persoonlijk is en niet aan een derde mag worden overgedragen. [naam 4] voert dus wel - zij het illegaal - vervoersactiviteiten uit. Het is aannemelijk dat [naam 3] fulltime voor zijn eigen onderneming [naam 4] werkzaam is. Zeker gelet hierop volgt uit het enkele gegeven dat op het formulier verklaring inbreng vakbekwaamheid is ingevuld dat [naam 3] bij appellante verantwoordelijk is voor alle voorkomende taken, noch uit de overgelegde managementovereenkomst, dat dit daadwerkelijk het geval is. Het is daarmee niet aannemelijk dat [naam 3] als vervoersmanager voor appellante op een juiste wijze kan voorzien in de eis van vakbekwaamheid.
3.3.
Verweerder heeft ter zitting voorts aangevoerd dat appellante mogelijk ook niet aan de voorwaarden van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van Verordening 1071/2009/EG voldoet.
4. Het College overweegt als volgt.
4.1.
In dit geding is de volgende regelgeving van belang.
Verordening 1071/2009/EG
Artikel 3
1. Ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefenen moeten:
a) werkelijk en op duurzame wijze in een lidstaat gevestigd zijn;
b) betrouwbaar zijn;
c) voldoende financiële draagkracht bezitten, en
d) de vereiste vakbekwaamheid bezitten.
Artikel 4
(...)
2. Wanneer de onderneming de in artikel 3, lid 1, onder d), vastgestelde vakbekwaamheid niet bezit, kan de bevoegde instantie toestemming geven om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen, zonder overeenkomstig lid 1 van dit artikel aangewezen vervoersmanager op voorwaarde dat:
a) de onderneming een in de Gemeenschap wonende natuurlijke persoon aanwijst die voldoet aan de eisen van artikel 3, lid 1, onder b) en d), en die op grond van een contract gerechtigd is de functie van vervoersmanager namens de onderneming uit te oefenen;
b) het contract tussen de onderneming en de onder a) bedoelde persoon de taken omschrijft die die persoon daadwerkelijk en op permanente wijze moet uitvoeren, en diens verantwoordelijkheden als vervoersmanager bepaalt. De te omschrijven taken bestaan met name in die betreffende het beheren van het voertuigonderhoud, de controle van de vervoerscontracten en vervoersdocumenten, de basisboekhouding, de toewijzing van ladingen of diensten aan de bestuurders en voertuigen en de controle van de veiligheidsprocedures;
(...)
Beleidsregel vergunningverlening van de NIWO
Artikel 5
1. De vakbekwaamheid wordt ingebracht door een natuurlijk persoon, de vervoersmanager, die door overlegging van een erkend vakdiploma aantoont dat hij de vereiste kennis bezit. (...)
3. Een externe vervoersmanager:
a. heeft een woonplaats in de Europese Unie;
b. geeft daadwerkelijk en permanent leiding aan de vervoersactiviteiten van de onderneming;
c. is werkzaam op grond van een overeenkomst waarin in ieder geval diens verantwoordelijkheden als vervoersmanager zijn bepaald en de taken worden omschreven die die persoon moet uitvoeren; en
d. is niet tevens werkzaam bij of voor de opdrachtgever van de onderneming waarbij hij de vakbekwaamheid inbrengt.
4.2.
In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder de aanvraag van appellante om een communautaire vergunning terecht heeft afgewezen op de grond dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoet aan de eis van vakbekwaamheid. Het geding spitst zich daarom toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd om [naam 3] te accepteren als de externe vervoersmanager die bij appellante de vakbekwaamheid inbrengt.
4.3.
Het College stelt vast dat appellante in beroep niet heeft gereageerd op het standpunt van verweerder in het verweerschrift. Appellante heeft wat in het verweerschrift is vermeld, voor zover hier van belang als onder 3.2 kort weergegeven, niet betwist. Zij heeft de door haar gestelde voldoende beschikbaarheid van [naam 3] voor de functie van vervoersmanager voor haar bedrijf, niet onderbouwd met bijvoorbeeld een vergelijking van het aantal uren per week dat voor die functie benodigd is en het aantal uren per week dat [naam 3] daarvoor beschikbaar is. [naam 3] heeft in beroep niet zelf iets van zich laten horen en appellante is zonder opgaaf van redenen niet ter zitting van het College verschenen. Al deze omstandigheden dragen niet bij aan het door appellante te leveren bewijs van de juistheid van haar standpunt dat [naam 3] daadwerkelijk en permanent leiding geeft of gaat geven aan de vervoersactiviteiten van de onderneming en dat zij daarmee aan de eis van vakbekwaamheid voldoet. Gelet op het voorgaande ziet het College geen reden verweerder niet te volgen in zijn standpunt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoet aan de eis van vakbekwaamheid.
4.4.
De hiervoor onder 4.2 vermelde vraag moeten bevestigend worden beantwoord.
4.5.
Het College zal het beroep ongegrond verklaren.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. J.H. de Wildt en mr. T. Pavićević in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2020.
w.g. H.O. Kerkmeester J.W.E. Pinckaers
de griffier is verhinderd te ondertekenen