{"DeepLink":"https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5410","CitaatText":"Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 augustus 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5410","InhoudsindicatieTekst":"<div class=\"inhoudsindicatie\"><p>Kort geding. Ex-samenwoners. Wie krijgt voortgezet gebruik van de huurwoning. Belangenafweging.</p></div>","UitspraakTekst":"<div class=\"uitspraak\">\r\n  <div class=\"uitspraak-info\">\r\n    <h2 name=\"ID0EJ\" style=\"font-weight:bold;\" class=\"bridgehead\">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</h2>\r\n    \r\n    <div class=\"parablock\">\r\n      <p>locatie Arnhem</p>\r\n    </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"parablock\">\r\n      <p>afdeling civiel recht</p>\r\n    </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"parablock\">\r\n      <p>zaaknummer gerechtshof 200.372.693</p>\r\n      <p>zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 614284</p>\r\n    </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"parablock\">\r\n      <p>\r\n        <span class=\"emphasis\" style=\"font-weight:bold;\">arrest in kort geding van 21 augustus 2026 </span>\r\n      </p>\r\n    </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"parablock\">\r\n      <p>in de zaak van</p>\r\n    </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"parablock\">\r\n      <p>\r\n        <span class=\"emphasis\" style=\"font-weight:bold;\">\r\n          [appellant]\r\n        </span>\r\n      </p>\r\n      <p>die woont in [woonplaats1]  </p>\r\n      <p>hierna te noemen: de man</p>\r\n      <p>advocaat: mr. D. Eijpe</p>\r\n    </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"parablock\">\r\n      <p>en</p>\r\n    </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"parablock\">\r\n      <p>\r\n        <span class=\"emphasis\" style=\"font-weight:bold;\">\r\n          [geïntimeerde] </span>\r\n      </p>\r\n      <p>die woont in [woonplaats1] </p>\r\n      <p>hierna te noemen: de vrouw </p>\r\n      <p>advocaat: mr. A.M.P.M. Adank</p>\r\n    </div><span class=\"linebreak2\"> </span>\r\n    \r\n    \r\n  </div>\r\n  <div class=\"section\">\r\n    <h2>\r\n      <span class=\"nr\">1</span> Het verloop van de procedure in hoger beroep </h2><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">1.1.</span>\r\n      <p>Turk heeft hoger beroep ingesteld bij het hof tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 3 augustus 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: </p>\r\n      <ul name=\"ID0ESD\" class=\"mark\">\r\n        <li><span class=\"mark\">-</span>\r\n          <p>de dagvaarding in hoger beroep (met daarin de grieven)</p>\r\n        </li>\r\n        <li><span class=\"mark\">-</span>\r\n          <p>de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep </p>\r\n        </li>\r\n        <li><span class=\"mark\">-</span>\r\n          <p>het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 20 augustus 2026 is gehouden.</p>\r\n        </li>\r\n      </ul>\r\n      \r\n      \r\n    </div>\r\n  </div>\r\n  <div class=\"section\">\r\n    <h2>\r\n      <span class=\"nr\">2</span> De kern van de zaak</h2><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">2.1.</span>\r\n      <p>Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben samen een kind: [minderjarige1] , geboren [in] 2013. [minderjarige1] woont bij de vrouw, die alleen het gezag heeft over [minderjarige1] . De vrouw is huurder van de woning aan [adres1] (hierna: de woning), waarin partijen gedurende lange tijd hebben samengewoond. Medio december 2025 is de vrouw met [minderjarige1] uit de woning vertrokken. Sindsdien woont alleen de man in de woning en woont de vrouw met [minderjarige1] in de woning van haar overleden ouders aan [adres2] .<span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">2.2.</span>\r\n      <p>Beide partijen hebben bij de voorzieningenrechter het voortgezet gebruik van de woning gevorderd. De vrouw heeft daarnaast een gebruikersvergoeding voor de woning en een proceskostenveroordeling gevorderd. De man heeft daarnaast de medewerking aan een verzoek tot medehuurderschap bij de verhuurder gevorderd en een omgangsregeling met [minderjarige1] . Subsidiair heeft de man gevraagd om een verlengde ontruimingstermijn van negen maanden.  <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">2.3.</span>\r\n      <p>De voorzieningenrechter heeft beslist dat de man de woning binnen één maand na het vonnis moet verlaten en niet meer mag betreden en dat hij een gebruikersvergoeding aan de vrouw moet betalen die gelijk is aan de volledige huur en vaste lasten voor de woning over de periode van medio december 2025 tot en met juli 2026. De vorderingen van de man zijn door de voorzieningenrechter afgewezen. Verder heeft de voorzieningenrechter beslist dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt. <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">2.4.</span>\r\n      <p>In dit hoger beroep wil de man dat het vonnis wordt vernietigd en dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. De vrouw vermeerdert haar eis in hoger beroep met de vordering dat de man per 1 januari 2026 wordt veroordeeld om kinderalimentatie van € 600 per maand te betalen voor [minderjarige1] . <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">2.5.</span>\r\n      <p>Ook het hof kent het voortgezet gebruik aan de vrouw toe, maar verlengt de ontruimingstermijn. De man moet de woning vóór 1 december 2026 verlaten. De overige vorderingen kunnen niet worden toegewezen. Het hof licht dat hierna toe. <span class=\"linebreak2\"> </span></p>\r\n      \r\n      \r\n    </div>\r\n  </div>\r\n  <div class=\"section beslissing\">\r\n    <h2>\r\n      <span class=\"nr\">3</span> De toelichting op de beslissing van het hof</h2><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"parablock\">\r\n      <p>\r\n        <span class=\"emphasis\" style=\"font-style:italic;\">Spoedeisend belang</span>\r\n      </p>\r\n    </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.1.</span>\r\n      <p>Ook in hoger beroep is er nog een spoedeisend belang bij de vorderingen van zowel de vrouw als de man over de woning, de financiële vergoedingen (want dat de vrouw in deze situatie moeilijk rondkomt is voldoende aannemelijk) en de omgangsregeling. <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n      <div class=\"parablock\">\r\n        <p>\r\n          <span class=\"emphasis\" style=\"font-style:italic;\">Voortgezet gebruik van de woning</span>\r\n        </p>\r\n      </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.2.</span>\r\n      <p>Het hof stelt voorop dat voldoende aannemelijk is dat partijen gelet op hun verstoorde verhouding niet meer samen in de woning kunnen wonen. Daarvoor is voldoende dat de vrouw duidelijk heeft gemaakt niet meer met de man samen te kunnen en willen leven. Daarom moet bekeken worden wie van partijen het grootste belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning. Daarbij betrekt het hof dat aannemelijk is dat beide partijen, gelet op hun beide inkomens, aangewezen zijn op een sociale huurwoning. Gelet op de beperkte beschikbaarheid van dat soort woningen hebben beide partijen dus een duidelijk belang bij voortgezet gebruik van de woning. <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.3.</span>\r\n      <p>Omdat de vrouw alleen het gezag en (dus ook) de zorg over [minderjarige1] heeft en het in het belang van [minderjarige1] is dat zij een stabiele woonsituatie heeft, geeft dat de doorslag om het voortgezet gebruik van de woning aan de vrouw toe te kennen. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de woning van haar overleden ouders niet nog langer onverkocht kan blijven, dat zij die woning dan dient te verlaten en één van beide partijen dus op niet al te lange termijn een andere woning zal moeten zien te vinden. Het belang van [minderjarige1] wordt het meest gediend als zij na het verblijf in de woning van de ouders van de vrouw terug kan naar haar vertrouwde woning. Zelfs als wordt aangenomen dat de vrouw een hoge positie bij Woningnet heeft en in aanmerking kan komen voor urgentie – wat de vrouw betwist – laat dat de belangenafweging niet anders uitvallen. Feit is immers dat de vrouw nu geen andere huurwoning heeft. Bovendien staat als onbetwist vast dat in ieder geval de man een behoorlijk hoge positie heeft bij Woningnet, waardoor te verwachten valt dat het niet lang hoeft de duren voordat hij een andere huurwoning kan krijgen. <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.4.</span>\r\n      <p>Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de man duidelijk gemaakt dat hij vanwege hartproblemen van zijn vader en de door zijn ouders ontvangen huurtoeslag, niet voor langere tijd bij zijn ouders kan verblijven. Onvoldoende betwist is dat er een grote kans is dat hij na ontruiming op straat komt te staan. Dit maakt dat de man groot belang heeft bij een wat langere ontruimingstermijn, zodat hij langer de kans heeft om een andere huurwoning toegewezen te krijgen. Omdat de woning van de ouders van de vrouw nog in verkoop moet worden genomen (volgens de vrouw zal dat eind augustus gebeuren) en de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom zij voorafgaand aan de overdracht van de woning aan een koper niet in de woning kan blijven wonen, zal het hof de ontruimingstermijn verlengen tot uiterlijk 1 december 2026. Niet aannemelijk is immers dat overdracht van de woning voor die datum zal kunnen plaatsvinden. <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n      <div class=\"parablock\">\r\n        <p>\r\n          <span class=\"emphasis\" style=\"font-style:italic;\">Medewerking aan medehuurderschap</span>\r\n        </p>\r\n      </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.5.</span>\r\n      <p>De vrouw heeft betwist dat nog sprake is van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding. Voor nadere instructie is in dit kort geding geen plaats. Mede gelet daarop kan het hof in dit kort geding niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de bodemrechter de vordering tot het verlenen van medewerking aan een verzoek tot medehuurderschap (waarvoor het voeren van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding een voorwaarde is) zal toewijzen. Om die reden zal het hof deze door de man gevorderde voorlopige voorziening afwijzen. Ter zitting heeft de man overigens verklaard inmiddels een bodemprocedure met een gelijkluidend verzoek aanhangig te hebben gemaakt.  <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n      <div class=\"parablock\">\r\n        <p>\r\n          <span class=\"emphasis\" style=\"font-style:italic;\">Gebruikersvergoeding</span>\r\n        </p>\r\n      </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.6.</span>\r\n      <p>Voorop staat dat de rechter terughoudend moet omgaan met toewijzing van een geldsom in kort geding. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten onderzoeken of de vordering voldoende aannemelijk is en of bij toewijzing een spoedeisend belang bestaat, ook het restitutierisico is een factor die hij in zijn beoordeling van de toewijsbaarheid zal moeten betrekken.<span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.7.</span>\r\n      <p>Voldoende aannemelijk is geworden dat de man en de vrouw tot en met december 2025 een regeling hadden die erop neerkwam dat beiden ieder ongeveer de helft bijdroegen in de woonlasten (huur en vaste lasten). Aan de hand van door hem overgelegde bankafschriften heeft de man aannemelijk gemaakt dat hij deze afspraak ook na het vertrek van de vrouw uit de woning uiteindelijk (grotendeels) is nagekomen. Ook is ter zitting duidelijk geworden dat de woonlasten van de vrouw in de woning van haar ouders aanzienlijk lager zijn (en in ieder geval deels kosten van de nalatenschap zijn) dan de woonlasten van de woning.<span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.8.</span>\r\n      <p>Voormelde omstandigheden, samen bezien met het feit dat de man werd overvallen door het plotselinge vertrek uit de woning van de vrouw, maken dat onduidelijk is of de bodemrechter zal oordelen dat de man over de periode van medio december 2025 tot en met juli 2026 de volledige huur en alle vaste lasten van de woning als gebruikersvergoeding aan de vrouw verschuldigd is. Gelet op de verplichte terughoudendheid en het restitutierisico van de man, zal het hof deze vordering daarom alsnog afwijzen. <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n      <div class=\"parablock\">\r\n        <p>\r\n          <span class=\"emphasis\" style=\"font-style:italic;\">Omgang </span>\r\n        </p>\r\n      </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.9.</span>\r\n      <p>De voorzieningenrechter heeft in 4.16 van het vonnis de door de man gevorderde omgangsregeling met [minderjarige1] afgewezen omdat in dit kort geding onvoldoende duidelijk is dat die omgangsregeling in het belang van [minderjarige1] is. Daarbij heeft de voorzieningenrechter meegewogen dat er al een tijd geen omgang is geweest tussen de man en [minderjarige1] en dat de gevorderde omgangsregeling (elke maandag 09.00 uur tot vrijdag 17.00 uur) in feite neerkomt op een verplaatsing van het hoofdverblijf van [minderjarige1] . <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.10.</span>\r\n      <p>Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen en beslissing van de voorzieningenrechter. <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n      <div class=\"parablock\">\r\n        <p>\r\n          <span class=\"emphasis\" style=\"font-style:italic;\">Kinderalimentatie</span>\r\n        </p>\r\n      </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.11.</span>\r\n      <p>In hoger beroep vraagt de vrouw voor het eerst dat de man wordt veroordeeld om aan haar per 1 januari 2026 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] te betalen van € 600 per maand. <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.12.</span>\r\n      <p>Vast staat dat de man op 13 augustus 2026 op staande voet is ontslagen. Daardoor is zijn financiële situatie veranderd en is onduidelijk of en zo ja hoeveel draagkracht hij op dit moment heeft. Dit gegeven, afgezet tegen het feit dat de rechter terughoudend moet zijn bij de toewijzing van een geldvordering in kort geding, maakt dat het hof deze vordering zal afwijzen. Die afwijzing betreft ook de periode van 1 januari 2026 tot 13 augustus 2026. Het is immers niet aannemelijk dat de alimentatierechter in een bodemprocedure de ingangsdatum voor de betaling van kinderalimentatie zal laten ingaan op een datum die is gelegen voor de dag van zijn uitspraak.  <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n      <div class=\"parablock\">\r\n        <p>\r\n          <span class=\"emphasis\" style=\"font-style:italic;\">Bewijsaanbod</span>\r\n        </p>\r\n      </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.13.</span>\r\n      <p>De man heeft een bewijsaanbod gedaan. Door de aard van dit (turbospoed) kort geding is in deze procedure geen plaats voor bewijslevering. Bovendien heeft de man geen voldoende concrete feiten gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden. Het hof gaat daarom aan dit bewijsaanbod voorbij.<span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n      <div class=\"parablock\">\r\n        <p>\r\n          <span class=\"emphasis\" style=\"font-style:italic;\">De conclusie</span>\r\n        </p>\r\n      </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.14.</span>\r\n      <p>Het hoger beroep van de man slaagt deels. Het hoger beroep van de vrouw slaagt niet. Omwille van de leesbaarheid zal het hof het vonnis vernietigen en de beslissingen zelfstandig vaststellen.<span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.15.</span>\r\n      <p>Deze zaak betreft een geschil tussen ex-partners over de woning en over hun dochter. Dat is voor het hof aanleiding te bepalen dat ieder de eigen proceskosten draagt (compensatie van proceskosten). <span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">3.16.</span>\r\n      <p>De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).<span class=\"linebreak3\"> </span></p>\r\n      \r\n      \r\n      \r\n    </div>\r\n  </div>\r\n  <div class=\"section beslissing\">\r\n    <h2>\r\n      <span class=\"nr\">4</span> De beslissing</h2><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"parablock\">\r\n      <p>Het hof:</p>\r\n    </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n    \r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">4.1.</span>\r\n      <p>vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 3 augustus 2026 en:<span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n      <div class=\"parablock\">\r\n        <p>beslist dat de man de woning aan [adres1] vóór 1 december 2026 moet verlaten (met zijn eigendommen) en niet meer mag betreden;\t</p>\r\n      </div><span class=\"linebreak1\"> </span>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">4.2.</span>\r\n      <p>bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de voorzieningenrechter en het hof;<span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">4.3.</span>\r\n      <p>verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;<span class=\"linebreak1\"> </span></p>\r\n      \r\n    </div>\r\n    <div class=\"paragroup\">\r\n      <span class=\"nr\">4.4.</span>\r\n      <p>wijst af wat verder is gevorderd.<span class=\"linebreak2\"> </span></p>\r\n      \r\n      \r\n      <div class=\"parablock\">\r\n        <p>Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, J.H. Lieber en S.C.P. Giesen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026. </p>\r\n      </div><span class=\"linebreak5\"> </span>\r\n      \r\n      \r\n      \r\n      \r\n      \r\n      \r\n      \r\n      \r\n    </div>\r\n  </div>\r\n</div>","Keywords":null,"Ingetrokken":false,"WetsverwijzingLinks":[],"Rechtsgebieden":[{"ResourceIdentifier":"http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht","Naam":"Civiel recht; Arbeidsrecht","DisplayTekst":"<span> Arbeidsrecht</span>"}],"Identifier":"ECLI:NL:GHARL:2026:5410","DatumModified":"0001-01-01T00:00:00","DatumPublicatie":"2026-08-21T13:13:08","PublisherNaam":null,"PublisherIdentifier":null,"Vervangt":[],"WordtVervangenDoor":[],"InstantieNaam":"<span>Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</span>","InstantieType":"Gerechtshoven","InstantieIdentifier":"http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden","Rechter":[],"RechterLabel":null,"DatumUitspraak":"2026-08-21T00:00:00","Zaaknummer":["<span>200.372.693</span>"],"Alias":[],"CasusPeriodeStartJaar":0,"CasusPeriodeEindJaar":0,"ZittingsplaatsNaam":null,"ZittingsplaatsIdentifier":null,"FormeleRelatie":[],"Vindplaatsen":["<span>Rechtspraak.nl</span>"],"Type":"Uitspraak","TypeResourceIdentifier":"http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak","ProcedureSoorten":[{"Naam":"<span>Hoger beroep</span>","ResourceIdentifier":"http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep"}],"TypeVoorDeUitspraakDatum":"uitspraak","IsInactief":false,"Issued":"2026-09-04T10:00:32.3129753+02:00","KoopUrl":"https://linkeddata.overheid.nl/document/ECLI:NL:GHARL:2026:5410","Titel":"ECLI:NL:GHARL:2026:5410, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 200.372.693"}