Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:1106

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-03-2022
Datum publicatie
04-03-2022
Zaaknummer
02/239820-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

medeplegen overval op lachgaskoerier

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/239820-20

vonnis van de meervoudige kamer van 4 maart 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats]

wonende te [adres verdachte]

raadsman mr. C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 februari 2022, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat

verdachte op 19 september 2020 in Breda samen met anderen onder meer flessen lachgas heeft gestolen van [naam 1] en/of [naam 2] en daarbij geweld heeft gebruikt tegen [naam 2] .

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met vier anderen, met geweld en met dreiging met geweld, in Breda [naam 2] (hierna: [naam 2] ) heeft overvallen. Zij baseert zich daarbij in het bijzonder op de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij bij de overval betrokken was, de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] (hierna: [naam 1] ) bij de rechter-commissaris, de verklaring van getuige [naam getuige] en de processen-verbaal waaruit volgt dat verdachte kort na de overval met enkele medeverdachten de Marktflat in vlucht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring, met uitzondering van het deel dat ziet op het gebruik van het wapen. Verdachte was niet degene die het wapen heeft gebruikt en heeft ook geen kennis gehad van het gebruik van een wapen door iemand anders. Hij heeft derhalve geen opzet gehad op het gebruik van het wapen. Verzocht wordt verdachte hiervan partieel vrij te spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij bij de overval betrokken was, in die zin dat hij daarbij tanks heeft overgeladen naar de vluchtauto (Polo) en is weggerend toen de Polo werd klemgereden. Het was niet zijn plan, maar hij heeft er wel aan bijgedragen en hij wist van tevoren dat er een overval zou plaatsvinden.1

Slachtoffer [naam 2] heeft daarover het volgende verklaard.2 Hij werd die nacht rond 02:50 uur gebeld door een jongen die zich bij [voetbalvereniging] in Breda bevond en die 4 kilogram lachgas bestelde. [naam 2] is daarop met zijn bus naar de voetbalvereniging gereden en zag daar een rode Fiat en een zwarte Polo. Hij is in de richting van de Polo gereden, uitgestapt en zag toen een jongen zonder gezichtsbedekking die de bestelling kwam afnemen. [naam 2] wilde vervolgens de bus aan de achterzijde openen toen hij van achteren bij zijn nek werd vastgepakt en naar de grond werd getrokken. Terwijl de jongen zonder gezichtsbedekking een wapen op [naam 2] gericht hield, zijn andere jongens uit de Polo gestapt en hebben lachgasflessen uit de bus overgeladen in de Polo. Eén jongen is in de Polo blijven zitten.3 Getuige [naam getuige] die in de Fiat zat, heeft verklaard dat een geweer werd gericht op degene die op de grond lag.4 Naast lachgasflessen zijn een pet, slippers, een nektas met daarin € 800,- (waarvan € 500,- van zijn broer [naam 1] was) en een zwarte en een gele jas (merk: Peuterey) van [naam 2] weggenomen.5 Verder is nog een identiteitsbewijs weggenomen.6 Vervolgens zijn de overvallers met de Polo weggereden.

[naam 1] heeft verklaard dat zijn broertje (rechtbank: [naam 2] ) hem na de overval heeft gebeld.7 Hij is toen naar [naam 2] toegegaan en heeft het kenteken en de vluchtrichting van de Polo doorgegeven aan de politie.

Om 03.18 uur werden verbalisanten naar de plaats gestuurd waar volgens een melding kort tevoren een lachgasverkoper is overvallen.8 Rijdend over de Graaf Hendrik III-laan in de richting van de Willem van Oranjelaan in Breda, zagen zij een zwarte Volkswagen Polo hen tegemoetkomen. Hierop keerden de verbalisanten, volgden zij de Polo en zagen zij dat het kenteken overeenkwam met het kenteken van de vluchtauto dat aan hen was doorgegeven. Toen de Polo op de Boeimeersingel vaart minderde, zagen de verbalisanten vier personen uit die auto wegrennen en hielden zij de bestuurder, [mede verdachte 1] , aan.9 In de Polo troffen zij een spijkerjas10, een autosleutel, sandalen en dertien11 lachgasflessen aan. Kort hierna wees een krantenbezorger de verbalisanten in de richting van de nabijgelegen Markflat aan de Jan Nieuwenhuyzenstraat, waar hij een gele jas en een witte pet op de galerij had zien liggen.12 [naam 1] heeft op foto’s de in de Polo aangetroffen slippers (ook aangeduid als sandalen) en een in de Markflat gevonden gele jas en wit petje herkend.13 Op het dak van deze flat werd even later [mede verdachte 2] aangetroffen14 en onder hem, op het gras bij die flat, vond de politie een zwart schoudertasje.15 Ook dat is door [naam 1] herkend.

[verbalisant] heeft verdachte, [mede verdachte 3] en [mede verdachte 2] herkend op camerabeelden van die eerder genoemde Markflat.16 Zij - en een onbekend gebleven vierde man - komen in een tijdsbestek van 18 seconden - tussen 03:20:05 en 03:20:23 uur - de flat binnen.17 Eerst volgt de onbekend gebleven man [mede verdachte 3] wanneer hij de trap opgaat18 en kort daarna komen [mede verdachte 2] en verdachte de flat binnen, kijkt [mede verdachte 2] naar verdachte en wijst naar de trap, waarna ook zij samen de trap oplopen.19

Rond 08.00 uur die ochtend trof een verbalisant op aanwijzingen van een getuige op het wegdek van de Graaf Hendrik III-laan een vuurwapen, zwart met bruine kolf, en munitie aan.20 Dit was op het punt op de vluchtroute waar de politie de Polo in het oog kreeg en ging achtervolgen. Uit onderzoek naar het wapen en de munitie blijkt dat deze echt zijn.21 Het aangetroffen vuurwapen vertoont grote overeenkomsten met op de telefoon van [mede verdachte 1] aangetroffen afbeeldingen22, terwijl het een vrij specifiek vuurwapen is, gelet op de bruine kolf.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande de diefstal met geweld zoals tenlastegelegd onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de verzochte partiële vrijspraak voor het wapengebruik overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat voor verdachte in ieder geval vooraf duidelijk was dat het plan bestond een overval op een lachgasverkoper te plegen. Aan dat plan is vervolgens door verdachte en zijn medeverdachten ook gezamenlijk uitvoering gegeven. Er was aldus sprake van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het plegen van een overval. Verdachte heeft ter terechtzitting weliswaar verklaard dat hij niet wist welk specifiek wapen er zou worden gebruikt, maar dat hij er wel rekening mee hield dat er ‘een’ wapen zou worden gehanteerd, waarbij hij als mogelijke wapens een mes, een vuurwapen of een honkbalknuppel noemde. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat het gebruik van een vuurwapen een zodanig voorzienbaar gevolg was van het ook bij verdachte bekende plan om een overval te plegen, dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er een vuurwapen zou worden gebruikt. Geconcludeerd wordt dan ook dat bij verdachte het voorwaardelijk opzet aanwezig was op het gebruik van het vuurwapen. Het verweer tot partiële vrijspraak wordt verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 19 september 2020 te Breda tezamen en in vereniging met anderen, dertien flessen lachgas en een nektasje (inhoudende circa 800 euro) en een pet en een paar sandalen en twee jassen en een identiteitsbewijs en een sleutel, die aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [naam 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door

- die [naam 2] bij zijn nek vast te pakken en die [naam 2] vervolgens naar de grond te werken en

- een vuurwapen, op die [naam 2] te richten.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen, met inachtneming van toepassing van het jeugdstrafrecht, een jeugddetentie voor de duur van negen maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie vordert hierbij als bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling bij Fivoor en dat verdachte zich in dient te zetten tot het verkrijgen van een structurele dagbesteding.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met een straf zoals geëist.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich in september 2020 samen met vier anderen schuldig gemaakt aan een gewapende nachtelijke overval op lachgasverkoper [naam 2] , waarbij [naam 2] onder het mom van een lachgastransactie naar een afgelegen parkeerterrein is gelokt. Daar is hij door verdachte en zijn medeverdachten opgewacht, naar de grond gewerkt, bedreigd met een vuurwapen en van zijn lachgasflessen beroofd. Uit de toelichting op de schadevergoedingsvordering van [naam 2] blijkt dat hij werd overdonderd en doodsangsten heeft uitgestaan tijdens de overval. Hij voelde zich ook machteloos omdat hij werd bedreigd met een vuurwapen en dacht dat hij zou worden doodgeschoten of ontvoerd. Hij heeft nog steeds nachtmerries waarin hij droomt dat hij wordt doodgemaakt. Deze gevolgen moeten voor verdachte en zijn medeverdachten voorzienbaar zijn geweest, maar dat heeft hen kennelijk niet weerhouden van de overval. De buit waar zij op uit waren, telde blijkbaar zwaarder.

Uit het rapport van Reclassering Nederland van 25 juni 2021 blijkt onder meer dat jeugdreclassering William Schrikker Groep (WSG) al langer - ook ten tijde van het plegen van het delict - betrokken was bij verdachte. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden om de overval te plegen. Er zijn zorgen over verschillende leefgebieden van verdachte, zoals dagbesteding, beïnvloedbaarheid door zijn sociale omgeving en een gemis aan vaardigheden om zijn leven op een delictvrije manier in te richten. De kans op recidive wordt dan ook ingeschat als gemiddeld. Verdachte toont zich gemotiveerd om aan zijn toekomst te werken, maar het lukt hem niet om daarnaar te handelen. Verdachte heeft zich maandenlang onttrokken aan het lopende toezicht, waardoor er lange tijd geen zicht op hem is geweest.

Namens WSG is ter zitting aanvullend aangevoerd dat verdachte enkele weken voor de zitting weer contact met hen heeft opgenomen. Verdachte liet weten dat het niet goed met hem ging. Hij voelde zich depressief. Desgevraagd heeft hij aangegeven open te staan voor hulpverlening bij Fivoor. Hiervoor is hij nu aangemeld; zodra hier plek is, kan hij starten. Verdachte heeft zichzelf op eigen initiatief ook aangemeld op een school. WSG ziet dit alles als een positieve wending. Ondanks de omstandigheid dat de begeleiding niet altijd goed is verlopen, ziet WSG de samenwerking met verdachte met vertrouwen tegemoet. Geadviseerd wordt als bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen begeleiding door de jeugdreclassering en ambulante behandeling bij Fivoor. Ook dient verdachte zich in te zetten voor dagbesteding/werk/school en het verkrijgen van een inkomen. Weliswaar is eerder geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen, maar WSG schat in dat zij als jeugdreclassering op dit moment - samen met verdachte - meer kunnen bereiken dan de volwassenenreclassering.

De rechtbank zal gelet op voorgaande het jeugdstrafrecht toepassen. Zij acht in dit verband mede van belang dat verdachte, na aanvankelijk te hebben gezwegen, uitgebreid heeft verklaard over zijn eigen rol bij de overval. Dat maakt dat hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en zich leerbaar opstelt.

Bij haar beslissing over de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting van minderjarigen. Ook zal de rechtbank rekening houden met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat verdachte al meerder keren is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Alles afwegend acht de rechtbank, met de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient als waarschuwing aan verdachte, om te voorkomen dat hij zich opnieuw schuldig maakt aan strafbare feiten. De rechtbank zal als bijzondere voorwaarden opleggen begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling door Fivoor en dat verdachte zich dient in te zetten voor het verkrijgen van dagbesteding/werk/school en het verkrijgen van een inkomen.

7 De benadeelde partij

[naam 1]

De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van € 7.324,- voor feit 1, waarvan € 5.500,- immateriële schade betreft en € 1.824,- materiële schade.

De rechtbank overweegt dat [naam 1] geen direct slachtoffer is bij feit 1. Niet hij maar zijn broertje [naam 2] werd immers overvallen. De rechtbank is daarom van oordeel dat voldoende verband tussen de gestelde immateriële schade en het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is rechtstreeks toegebrachte schade. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.

De rechtbank overweegt verder dat dat de behandeling van het materiële gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Er bestaat onduidelijkheid over diverse posten. Zo is onduidelijk of en zo ja welk deel van het weggenomen geldbedrag de benadeelde partij inmiddels heeft teruggekregen en is onduidelijk hoe de rechtbank de post met kosten van een id-bewijs van een derde precies moet begrijpen. De benadeelde partij is niet ter zitting aanwezig geweest om de vordering toe te lichten. De aangifte waarin de materiële posten voor het eerst zijn genoemd is bovendien gedeeltelijk in strijd met de waarheid gedaan en de verdediging heeft de posten ook gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in dit gedeelte van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[naam 2]

De benadeelde partij [naam 2] vordert een schadevergoeding van € 5.800,- voor feit 1, waarvan € 5.500,- immateriële schade betreft en € 300,- materiële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Een vergoeding voor immateriële schade kan slechts worden toegekend in één van de in artikel 6:106 BW genoemde gevallen. De vraag die in dit concrete geval voorligt is of de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Daarvan is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Gelet op de omstandigheid dat de benadeelde partij in dit concrete geval door meerdere personen in het donker en op een afgelegen plek is overvallen en daarbij met een vuurwapen is bedreigd en gelet op onder meer de angstklachten als gevolg daarvan, acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat de overval een grote impact op het slachtoffer heeft gehad. Redelijkerwijs kan dan ook worden verondersteld dat sprake is geweest van een schokkende ervaring, waarmee de rechtbank van oordeel is dat sprake is geweest van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

Op grond van het voorgaande, zal de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid begroten op € 2.500,-. Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het materiële schadebedrag voldoende is onderbouwd. Uit de verklaring van de benadeelde partij, afgelegd bij de rechter-commissaris, volgt dat van het contante geld dat hem bij feit 1 is afgenomen € 300,- aan hem zelf toebehoorde.

In totaal zal de rechtbank dan ook een bedrag toewijzen van € 2.800,-. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende bedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd, zodat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 63, 77i, 77c, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van negen maanden, waarvan vier voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering uit te voeren door de William Schrikker Groep, als gecertificeerde instelling;

* dat verdachte zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. Verdachte dient zich te houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

* dat verdachte zich in zet voor het verkrijgen van dagbesteding/werk/school en het verkrijgen van een inkomen;

- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker jeugdbescherming en jeugdreclassering te Amsterdam opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en inmiddels meerderjarige verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- stelt vast dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [naam 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] van € 2.800,00, waarvan 300,00 aan materiële schade en 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 september 2020 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 2] , € 2.800,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 19 september 2020 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet-betaling 38 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, voorzitter, mr. I.M.L. Felix en mr. M.J. Schouw, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 maart 2022.

Mr. Felix en mr. Schouw zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 18 februari 2022.

2 Proces verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van 21 december 2021.

3 Los proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 23 juli 2021, p. 2.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige] , p. 666 e.v.

5 Proces verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van 21 december 2021, p. 4.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 669.

7 Los proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 1] van 16 september 2021.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 683 e.v.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 705 e.v.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 684.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 758.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 708 e.v.

13 Proces-verbaal van verhoor van (aangever) [naam 1] , p. 621 e.v.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 710 e.v.

15 Procesverbaal van bevindingen, p. 708 e.v.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 774 e.v.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 783.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 778.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 780.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 723.

21 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1053 e.v.

22 Proces-verbaal van bevindingen, p. 916 e.v.