Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:13108

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2021
Datum publicatie
04-01-2022
Zaaknummer
C/10/616646 / HA ZA 21-329
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Beëindiging franchiseovereenkomst. Overname onderneming en goodwillvergoeding. Non-concurrentiebeding en relatieverbod. Overgangsrecht. Deskundigenbericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/616646 / HA ZA 21-329

Vonnis van 22 december 2021

in de zaak van

1. [naam eiseres 1],

wonende te [woonplaats eiseres 1],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres 2],

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DNZB FRANCHISE B.V.,

gevestigd te Maassluis,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DNZB WEB B.V.,

gevestigd te Maassluis,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. M.W. Renzen te Rotterdam.

Eiseressen in conventie en verweersters in reconventie worden hierna [naam eiseres 1], [naam eiseres 2] en tezamen [eiseressen] genoemd. Gedaagden in conventie en verweersters in reconventie worden hierna DNZB Franchise, DNZB Web en tezamen DNZB c.s. genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 1 april 2021, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 23 juni 2021, tevens houdende eis in reconventie, met producties;

  • -

    de akte houdende eiswijziging van 23 juni 2021, met producties (eiswijziging-I);

  • -

    het bezwaar van DNZB c.s. van 2 juli 2021 tegen eiswijziging-I;

  • -

    de rolbeslissing van 22 juli 2021 met afwijzing van het bezwaar tegen eiswijziging-I;

  • -

    de brieven van 28 juni, 19 juli 2021 en 17 augustus 2021 van deze rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 28 september 2021;

  • -

    de brieven van 6 september 2021 van deze rechtbank, waarbij partijen zijn gewezen op de gewijzigde samenstelling van de rechtbank;

  • -

    de brieven van 9 september 2021 van deze rechtbank waarbij partijen, na overleg, zijn geïnformeerd dat de mondelinge behandeling fysiek zal plaatsvinden (en niet via skype);

  • -

    de akte houdende eiswijziging (eiswijziging-II), tevens conclusie van antwoord in reconventie van 13 september 2021, met producties;

  • -

    de akte uitlaten eiswijziging-I van 28 september 2021, met productie;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 september 2021 en de daarin genoemde spreekaantekeningen [eiseressen] ten behoeve van de mondelinge behandeling;

  • -

    de vermindering van de eis in reconventie tot nihil namens DNZB c.s. ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 28 september 2021.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat zij de rechtbank uiterlijk op 13 oktober 2021 informeren of tussen hen een schikking is bereikt. Bij email van 7 oktober 2021 heeft mr. Renzen, mede namens mr. Dolphijn en mr. Franken-Schoenmaker, de rechtbank bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt en verzocht om vonnis te wijzen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen

2.1.

[naam eiseres 1] (“[naam eiseres 1]”) is - [naam bedrijf] - enig bestuurder en aandeelhouder van [naam eiseres 2]. [naam eiseres 2] is op 29 november 2018 opgericht.

2.2.

DNZB Franchise heeft onder de naam “De Nederlandse Zorgbemiddelaar” (“DNZB”) een franchiseformule ontwikkeld voor de bemiddeling tussen zelfstandige zorghulpverleners (ZZP’ers) en zorginstellingen. DNZB Web is een aan DNZB Franchise gelieerde vennootschap die zich bezig houdt met gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten.

Franchiseovereenkomst

2.3.

Op enig moment hebben [naam eiseres 1] en DNZB Franchise een franchiseovereenkomst gesloten (de “Franchiseovereenkomst”). Hierin heeft DNZB Franchise als franchisegever aan [naam eiseres 1] als franchisenemer het recht verleend om in de vorm van een eenmanszaak voor de duur van de overeenkomst binnen de rayons Nijmegen en Noordoost-Brabant de franchiseformule te exploiteren en daarbij gebruik te maken van het bijbehorende softwareplatform “MijnDNZB”. Voor haar bemiddeling tussen de zorginstellingen en de ZZP’ers ontvangt [naam eiseres 1] een bemiddelingsfee, waarvan de hoogte afhankelijk is van de gemaakte prijsafspraak met de zorginstelling.

2.4.

De Franchiseovereenkomst is aangegaan voor een duur van vijf jaar, ingaande op 1 maart 2016 en eindigend op 28 februari 2021 (art. 17.1). Zowel franchisenemer als franchisegever hebben het recht de Franchiseovereenkomst ten minste zes maanden voor de einddatum op te zeggen (art. 17.2). De Franchiseovereenkomst eindigt van rechtswege op de einddatum als partijen geen overeenstemming bereiken over een nieuwe overeenkomst (art. 17.4). Bij beëindiging van de Franchiseovereenkomst eindigt onder meer het recht op bemiddeling conform de franchiseformule en het gebruik van MijnDNZB (art. 24.1 en 2). Artikel 24.2 Franchiseovereenkomst luidt:

“Bij beëindiging van deze overeenkomst, om welke reden dan ook, eindigt het recht op bemiddeling van ZZP’ers voor Opdrachtgevers uit naam van Franchisegever en via MijnDNZB. Franchisenemer behoudt te allen tijde het recht op uitbetaling van bemiddelingsfee die is ontstaan door bemiddeling vóór datum beëindiging overeenkomst, maar welke pas na datum beëindiging overeenkomst betaalbaar wordt gesteld”.

Non-concurrentiebeding en relatiebeding

2.5.

Artikel 21 van de Franchiseovereenkomst bevat een non-concurrentiebeding (art. 21.3) en een relatiebeding (art. 21.4). Op de niet-naleving daarvan door franchisenemer zijn boetes gesteld van € 5.000,00 per overtreding en € 500,00 per dag(deel) dat de situatie voortduurt, onverminderd het recht op schadevergoeding van franchisegever indien de schade meer mocht bedragen dan het boetebedrag (art. 27). Het non-concurrentiebeding en het relatiebeding luiden als volgt:

“21.3 Franchisenemer zal, behalve met de voorafgaande schriftelijke toestemming van franchisegever, gedurende de looptijd van de Overeenkomst en tevens gedurende een (1) jaar na beëindiging van de Overeenkomst, geen nieuwe direct concurrerende (soort)gelijke activiteiten of diensten als die van de Franchisegever ontplooien en tevens geen zakelijke relatie of loondienstverband mogen onderhouden of aangaan met een keten en/of een (rechts)persoon en/of een vennootschap, die in de Zorgbemiddelingsbranche een soortgelijke Formule exploiteert.

21.4

Het is Franchisenemer verboden om binnen een periode van twee (2) jaar na beëindiging van de overeenkomst direct of indirect, actief of passief zakelijke contacten te (blijven) onderhouden of aan te gaan, op welke wijze dan ook met klanten en prospects zijnde Zorginstellingen, Opdrachtgevers, ZZP’ers van Franchisegever, Franchisenemer, of andere franchisenemers. Het is Franchisenemer voorts verboden om direct of indirect, actief of passief deze relaties te (doen) bewerken voor het aangaan van overeenkomsten, contacten of andere zakelijke verbintenissen. Als klanten en prospects worden aangemerkt alle op het tijdstip van het einde van de Overeenkomst geregistreerde prospects of klanten in mijnDNZB”.

Eenmanszaak in [naam eiseres 2]

2.6.

Na de oprichting van [naam eiseres 2], op 29 november 2018, heeft [naam eiseres 1] haar eenmanszaak ingebracht in [naam eiseres 2]. DNZB Franchise heeft hiermee ingestemd.

Platformovereenkomst DNZB Web

2.7.

Op 25 maart 2020 hebben [naam eiseres 2] en DNZB Web een overeenkomst gesloten op basis waarvan [naam eiseres 2], zoals bepaald is in de Franchiseovereenkomst, uitsluitend gebruik zal maken van het softwareplatform MijnDNZB (de “Platformovereenkomst”). De overeenkomst bepaalt ook het tarief dat [naam eiseres 2] hiervoor moet voldoen. De Platformovereenkomst eindigt als de Franchiseovereenkomst eindigt en vormt daarvan een onlosmakelijk onderdeel (art. 3.2 en 4.1).

Opzegging Franchiseovereenkomst 30 juni 2020

2.8.

Op 30 juni 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1], indirect bestuurder van DNZB Franchise en [naam 2], algemeen directeur bij DNZB enerzijds en [naam eiseres 1] anderzijds. Tijdens dit gesprek hebben [naam 1 en 2] [naam eiseres 1] geïnformeerd dat zij de franchiseorganisatie wilden staken en dat zij de samenwerking met [naam eiseres 1] in een andere vorm willen voortzetten. Met het oog op de daarover nog te voeren onderhandelingen hebben [naam eiseres 2], DNZB Web en DNZB Franchise (en nog twee aan DNZB gelieerde vennootschappen) op die dag een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend. Daarnaast is aan [naam eiseres 2] een opzeggingsbrief overhandigd waarbij DNZB Franchise de Franchiseovereenkomst opzegt tegen 28 februari 2021.

Onderhandelingen herziene samenwerking

2.9.

Vervolgens hebben [eiseressen] en [naam 1 en 2] met elkaar gesproken over een nieuwe vorm van samenwerking na 28 februari 2021. In dat kader hebben in 2020 en begin 2021 een aantal besprekingen plaatsgevonden en zijn er over en weer stukken gewisseld. Bij brief van (hun advocaat van) 16 november 2020 hebben [eiseressen] de op 17 november 2020 geplande afspraak met DNZB Franchise afgezegd en haar gesommeerd om binnen twee weken met een concreet en uitgewerkt voorstel te komen voor de samenwerking na 28 februari 2021.

2.10.

Op 8 januari 2021 heeft [naam 2] [eiseressen] concepten toegestuurd van een aandeelhoudersovereenkomst, statuten, organogram en een managementovereenkomst. De concepten hebben betrekking op de invulling van de beoogde samenwerking na 28 februari 2021. De beoogde nieuwe samenwerking bestond er onder meer uit dat de onderneming van [naam eiseres 2] zou worden ondergebracht in een vennootschap (“DNZB locatie”) waarin DNZB B.V. alle aandelen zou houden. [naam eiseres 1] zou via haar eigen vennootschap ten behoeve van een (andere) DNZB vennootschap (“Regio B.V.”) managementwerkzaamheden verrichten voor de betreffende DNZB locatie. De vennootschap van [naam eiseres 1] zou medeaandeelhouder worden in de Regio B.V. en daarin ook winstgerechtigd worden.

2.11.

Tijdens een bespreking op 12 januari 2021 met [naam 1 en 2] hebben [eiseressen] aangegeven niet in te stemmen met de voorgestelde samenwerking omdat zij het oneens waren met de voorgestelde zeggenschapsverdeling en het ontbreken van een (goodwill)vergoeding voor de overdracht van de onderneming. Bij email van 18 januari 2021 heeft DNZB Franchise [eiseressen] laten weten dat zij vast hield aan de door haar beoogde nieuwe structuur zoals opgenomen in de conceptstukken en dat zij niet van plan was die op hoofdlijnen te wijzigen.

2.12.

Na de aankondiging van [eiseressen] dat zij voornemens waren om conservatoire maatregelen te treffen, bericht (de advocaat van) DNZB Franchise (de advocaat van) [eiseressen] bij brief van 25 februari 2021 bereid te zijn om vervangende zekerheid te stellen.

Geen overeenstemming

2.13.

Het lukt betrokkenen niet om overeenstemming te bereiken over de nieuwe samenwerking na 28 februari 2021 en evenmin om een minnelijke regeling te bereiken. De Franchiseovereenkomst eindigt op 28 februari 2021. [eiseressen] en DNZB c.s. hebben geen afspraken gemaakt over het inlichten van de zorginstellingen en ZZP’ers over (de gevolgen van) het einde van de Franchiseovereenkomst.

2.14.

Bij brief van 1 maart 2021 van hun advocaat, hebben [eiseressen] zich op het standpunt gesteld dat DNZB c.s. de onderneming van [eiseressen] hebben voortgezet zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Volgens [eiseressen] bedroeg de waarde van de onderneming minstens € 1.600.000,00. [eiseressen] verzoeken in dat kader om betaling van een voorschot van € 800.000,00.

2.15.

Bij brief van 4 maart 2021 van hun advocaat, hebben DNZB c.s. betwist dat DNZB Franchise de onderneming van [naam eiseres 2] heeft overgenomen. DNZB c.s. hebben aangegeven dat een aan haar gelieerde vennootschap in de regio waarin voorheen [naam eiseres 2] actief was, een onderneming zal starten die onder de naam van DNZB Franchise, of een aan haar gelieerde vennootschap, een bemiddelingsbedrijf in de zal zorg starten. DNZB Franchise heeft ook aangegeven niet meer bereid te zijn tot het stellen van vervangende zekerheid gezien de omvang van de door [eiseressen] genoemde bedragen en omdat er geen afspraken zijn gemaakt over het inlichten van de zorginstellingen en ZZP’ers over het einde van de franchiseovereenkomst.

Beslaglegging

2.16.

Bij dagvaarding van 1 april 2021 hebben [eiseressen] onderhavige procedure aanhangig gemaakt en op 28 mei 2021 hebben zij verlof verkregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van DNZB c.s. Daarbij is de vordering met inbegrip van rente en kosten - conform het verzoek - begroot op € 99.000,00. Op 3 juni 2021 zijn namens [eiseressen] ten laste van DNZB c.s. conservatoire derdenbeslagen gelegd onder ABN AMRO Bank N.V. en de Ontvanger der Rijksbelastingen.

2.17.

Op 23 juni 2021 hebben DNZB c.s. in de onderhavige procedure bij hun conclusie van antwoord in conventie, in reconventie opheffing van de beslagen gevorderd. [eiseressen] hebben bij akte van 23 juni 2021 (eiswijziging-I) onder verwijzing naar artikel 24.4 Franchiseovereenkomst hun eis vermeerderd met een vordering tot (uit)betaling van bemiddelingsfee die vóór 1 maart 2021 is ontstaan en verduidelijkt dat waar zij in de dagvaarding spreken van [naam eiseres 1] óók [naam eiseres 2] moet worden verstaan.

Kort geding

2.18.

Bij dagvaarding van 28 juni 2021 hebben DNZB c.s. [eiseressen] in kort geding gedagvaard voor de Voorzieningenrechter van deze rechtbank en kort samengevat (primair) opheffing gevorderd van de op 3 juni 2021 ten laste van hen gelegde beslagen, althans (subsidiair) opheffing ervan binnen twee dagen nadat zekerheid is gesteld in de vorm van een bankgarantie van € 99.000,00, op straffe van een dwangsom 5.000,00 per dag(deel) dat [eiseressen] hieraan niet voldoen. In reconventie hebben [eiseressen] (primair) ontheffing gevorderd van het non-concurrentieverbod en relatiebeding, althans (subsidiair) tot beperking hiervan.

2.19.

Bij vonnis in kort geding van 20 augustus 2021 heeft de Voorzieningenrechter [eiseressen] veroordeeld om binnen twee dagen nadat DNZB Franchise ten gunste van hen een bankgarantie heeft gesteld voor een bedrag van € 99.000,00, alle op 3 juni 2021 ten laste van DNZB c.s. gelegde beslagen op te heffen, onder last van een dwangsom van € 5.000,00 per dag(deel) dat [eiseressen] hieraan niet voldoen. De Voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat in kort geding niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [eiseressen] ingeroepen recht en dat hiervoor nader onderzoek van de bodemrechter is vereist. In reconventie zijn de vorderingen van [eiseressen] afgewezen omdat zij met de vordering tot ontheffing van het non-concurrentiebeding en relatieverbod een constitutieve uitspraak verlangen waarvoor in kort geding geen plaats is. Voor een beperking van de betreffende verboden heeft de Voorzieningenrechter geen aanleiding gezien omdat [eiseressen] in de bodemprocedure vorderingen van gelijke strekking hebben ingediend en hierin op 28 september 2021 de mondelinge behandeling zou plaatsvinden, zodat hierover alsnog binnen afzienbare tijd zal worden beslist.

Opheffing beslagen

2.20.

Op 24 september 2021 hebben [eiseressen] van DNZB Franchise een bankgarantie ontvangen, waarna op 27 september 2021 de op 3 juni 2021 gelegde beslagen zijn opgeheven. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 28 september 2021 hebben DNZB c.s. daarop hun eis in reconventie tot opheffing van de beslagen verminderd tot nihil. Bij akte van eiswijziging van 28 september 2021 (eiswijziging-II) hebben [eiseressen] hun vordering nog vermeerderd met de betaling van de beslagkosten en de vordering ter zake het non-concurrentiebeding en relatieverbod nader gespecificeerd. Hierop is namens DNZB c.s. ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gereageerd.

3. Het geschil

in conventie

[eiseressen]

3.1.

vorderen, na eiswijzigingen I en II, dat het de rechtbank moge behage bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(i) te verklaren voor recht dat DNZB Franchise tekortgeschoten is, althans

onrechtmatig gehandeld heeft, ter zake:

a. het gedragen als goed franchisegever ten aanzien van de afspraken tot

voortzetting van de herinrichting van de samenwerking;

b. het schenden van de informatieplicht ten aanzien van de afspraken tot

voortzetting van de herinrichting van de samenwerking;

c. het niet nakomen van de afspraak/toezegging alternatieve zekerheid te stellen,

in plaats van de aangezegde conservatoire maatregelen;

(ii) te verklaren voor recht dat [eiseressen] recht hebben op een vergoeding wegens

ongerechtvaardigde verrijking, voor goodwill, schade en/of (klant)vergoeding van

DNZB Web en/of DNZB Franchise zo mogelijk hoofdelijk;

(iii) te verklaren voor recht dat [eiseressen] ingevolge artikel 24.2 van de

Franchiseovereenkomst (ook) recht hebben op uitbetaling van bemiddelingsfee die is

ontstaan door hun bemiddeling van vóór 1 maart 2021, maar ten aanzien waarvan (ook)

na 1 maart 2021 omzet wordt behaald;

(iv) te verklaren voor recht dat DNZB Franchise en/of DNZB Web

vergoedingsplichtig is/zijn (op grond van hetgeen bepaald is onder (i), (ii) en (iii) of

anderszins), nader op te maken bij staat;

(v) DNZB Franchise en/of DNZB Web zo veel mogelijk hoofdelijk te

veroordelen tot betaling van een voorschot van € 800.000,00, althans een bedrag door U

E.A. te bepalen;

(vi) voorwaardelijk - indien en voor zover er een concurrentieverbod (artikel 21.3

franchiseovereenkomst) en/of relatiebeding (artikel 21.4 franchiseovereenkomst)

overeengekomen is tussen DNZB Franchise enerzijds en [naam eiseres 1]

anderzijds - voor recht te verklaren dat [naam eiseres 1] hier niet (meer) aan

gehouden is;

(vii) het concurrentieverbod en relatiebeding te vernietigen, de betreffende bedingen buiten

werking te stellen, althans [eiseressen] ([naam eiseres 1] en/of [naam eiseres 2])

daarvan (zo veel mogelijk) te ontheffen, althans de werking van de betreffende

bepalingen te beperken;

(viii) DNZB Franchise en/of DNZB Web zo veel mogelijk hoofdelijk te

veroordelen tot vergoeding van:

a. de kosten van beslag ad € 3.048,08, althans een bedrag door de rechtbank in goede

justitie te bepalen;

b. de buitengerechtelijke kosten, begroot conform het Besluit vergoeding voor

buitengerechtelijke incassokosten (Staatsblad 2012, nr. 141), althans het Rapport

Voorwerk II, althans het Rapport BGK-Integraal 2013, alsmede;

c. de proceskosten ex artikel 237 Rv, alsmede;

d. te veroordelen in de nakosten van deze procedure, te begroten conform het

liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid

van de vordering(en), tot de dag der algehele voldoening, althans een bedrag

door U E.A. in goede justitie te bepalen een en ander te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van de vordering(en), tot de dag der

algehele voldoening, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

3.1.1.

Bij hun eerste akte eiswijziging van 23 juni 2021 hebben [eiseressen] verduidelijkt dat waar in de dagvaarding [naam eiseres 1] staat, ook [naam eiseres 2] is bedoeld. Aan hun vorderingen leggen [eiseressen] het volgende ten grondslag.

(i) a, b en c - verklaring voor recht: tekortkoming/onrechtmatige daad

3.1.2.

DNZB c.s. waren op basis van de afspraken van 30 juni 2019 en de op die dag getekende geheimhoudingsovereenkomst gehouden om met een voor aanvaarding vatbaar voorstel te komen voor de samenwerking na 28 februari 2021. Omdat hiervoor geen termijn was overeengekomen, hadden DNZB c.s. dat op grond van artikel 6:38 BW terstond moeten doen. Dat hebben zij ten onrechte pas op 8 januari 2020 gedaan met de toezending van de conceptstukken. Hiermee hebben zij, als franchisegever, niet voldaan aan hun informatieplicht op basis van artikel 7:916 BW en hebben zij zich evenmin als goed franchisegever gedragen als bedoeld in artikel 7:912 BW. DNZB c.s. hebben de betreffende conceptstukken bovendien bewust lang achter gehouden wat onzorgvuldig is, in strijd met de redelijkheid en billijkheid en met hun informatieplicht. De in de conceptstukken voorgestelde samenwerking was bovendien in strijd met de Mededingingswet zodat van een voor aanvaarding vatbaar aanbod geen sprake is geweest. DNZB c.s. zijn daarnaast hun aanbod om vervangende zekerheid te stellen niet nagekomen terwijl [eiseressen] dit aanbod hadden aanvaard. Door de niet nakoming hebben [eiseressen] schade geleden. DNZB c.s. weigert ten onrechte om mobiele telefoons van [naam eiseres 2] terug te geven. Ook zetten DNZB c.s. [naam eiseres 1] onrechtmatig onder druk door haar het non-concurrentiebeding en relatieverbod tegen te werpen.

3.1.3.

Het voorgaande ligt ten grondslag aan de onder (i) gevorderde verklaring voor recht dat sprake is van een tekortkoming van DNZB Franchise, althans dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseressen] Bij hun eerste eiswijziging hebben [eiseressen] hieraan onder verwijzing naar artikel 6:166 BW nog toegevoegd dat DNZB c.s., tezamen met andere groepsmaatschappijen, (ook) in groepsverband jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld. [eiseressen] hebben bij die gelegenheid ook aangevoerd dat zowel DNZB Franchise als DNZB Web kwalificeren als franchisegever onder de Franchiseovereenkomst en dat zij daarom beide zijn tekortgeschoten jegens [eiseressen]

(ii) - verklaring voor recht: vergoedingsplicht ongerechtvaardigde verrijking

3.1.4.

DNZB Franchise en/of DNZB Web hebben op 1 maart 2021 alle relaties en klanten van [eiseressen] laten weten dat de activiteiten van [naam eiseres 2] geruisloos worden voortgezet door DNZB Web. DNZB c.s., althans het “concern van DNZB c.s.”, hebben daarmee de onderneming van [eiseressen] geruisloos voortgezet. Het klanten- en relatiebestand behoort aan [eiseressen] toe, maar zij hebben hiervoor geen vergoeding ontvangen waardoor DNZB Franchise en/of DNZB Web ten koste van hen ongerechtvaardigd zijn verrijkt. [eiseressen] verwijzen in dit kader ook naar artikel 7:920 BW waarin onder meer is bepaald dat de franchiseovereenkomst moet bepalen of goodwill in de onderneming van de franchisenemer aanwezig is en zo ja, welke omvang deze heeft. Dat sprake is van goodwill die voor vergoeding in aanmerking komt, volgt ook uit een presentatie van DNZB c.s. aan hun franchisenemers van eind 2019 over de waardering van de franchiseonderneming waarbij ook een rekenmethode is voorgesteld om de goodwill te bepalen. Ook verwijzen [eiseressen] in dit kader naar artikel 24.3 van de franchiseovereenkomst waarin is bepaald dat ingeval van een overname van het bedrijf door de franchisegever na overlijden van de franchisenemer, de franchisegever ook een vergoeding verschuldigd is die zonodig door deskundigen moet worden bepaald. Op grond van het voorgaande hebben [eiseressen] recht op een vergoeding voor “goodwill, schade en/of (klant)vergoeding” van DNZB Franchise en/of DNZB Web, zo mogelijk hoofdelijk, aldus [eiseressen] Volgens een rapport van de deskundige van [eiseressen] bedroeg de goodwillwaarde van de onderneming van [eiseressen] minimaal € 1.600.000,00 en bedraagt dit dan ook de minimale schade van [eiseressen]

(iii) - verklaring voor recht: bemiddelingsfee

3.1.5.

[eiseressen] hebben op basis van de letterlijke tekst van artikel 24.2 van de Franchiseovereenkomst recht op uitbetaling van bemiddelingsfee die is ontstaan door hun bemiddeling van vóór 1 maart 2021, maar ten aanzien waarvan (ook) na 1 maart 2021 nog omzet wordt behaald door DNZB c.s. Deze uitleg sluit ook aan bij de regeling inzake agentuur, aldus [eiseressen]

(iv) - verklaring voor recht: vergoedingsplicht wegens (i), (ii) en (iii)

3.1.6.

DNZB Franchise en/of DNZB Web zijn op grond van “hetgeen bepaald is onder (i), (ii) en (iii) of anderszins” op basis van de artikelen 6:74, 6:162 en 6:212 BW vergoedingsplichting jegens [eiseressen] “nader op te maken bij staat”. DNZB c.s. zijn vergoedingsplichtig omdat zij de onderneming van [eiseressen] hebben overgenomen en voortgezet, althans dat een aan hen gelieerde partij dit heeft gedaan, zonder dat [eiseressen] hiervoor een vergoeding hebben gekregen.

(v) - betaling voorschot

3.1.7.

[eiseressen] vorderen bij wege van voorschot betaling van € 800.000,00, zo veel mogelijk hoofdelijk, van DNZB c.s omdat vaststaat dat [eiseressen] recht hebben op enige vegoeding en omdat [eiseressen] vanwege het non-concurentiebeding en relatieverbod verstoken zijn van inkomsten. Het voorschot heeft ook betrekking op de ten onrechte nog niet uitbetaalde bemiddelingsfee ex artikel 24.2 van de Franchiseovereenkomst (sub iii).

(vi) en (vii) - verklaring voor recht/vernietiging: non-concurrentiebeding en relatieverbod

3.1.8.

[eiseressen] stellen dat [naam eiseres 1] na de contractsovername door [naam eiseres 2] niet langer partij is bij de Franchiseovereenkomst en [naam eiseres 1] daarom niet gehouden is aan het non-concurrentiebeding en relatieverbod. [eiseressen] vorderen, onder de voorwaarde dat het non-concurrentiebeding en relatieverbod aanvankelijk met [naam eiseres 1] is overeengekomen, een verklaring voor recht dat zij hieraan niet (meer) gehouden is. Onder verwijzing naar de afhankelijke positie van [naam eiseres 1] en het feit geen sprake is van know how die voor bescherming in aanmerking komt, vorderen [eiseressen] daarnaast vernietiging van de bedingen, althans beperking van de werking ervan. Zij beroepen beroepen zich in dit kader ook op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

verweer in conventie

DNZB c.s.

3.2.

De conclusie van DNZB c.s. strekt tot niet ontvankelijk verklaring van [eiseressen], althans tot afwijzing van hun vorderingen. Het bezwaar van DNZB c.s. tegen de verduidelijking van [eiseressen] in hun akte van eiswijziging van 23 juni 2021 (eiswijziging-I), dat waar in de dagvaarding van [naam eiseres 1] wordt gesproken, ook [naam eiseres 2] is bedoeld, is bij rolbeslissing van 22 juli 2021 afgewezen waarna DNZB c.s. zich hierover bij akte nog hebben uitgelaten.

(i) - geen tekortkoming of onrechtmatige daad

3.2.1.

DNZB c.s. betwisten dat zij afspraken met [eiseressen] hebben geschonden. Met [eiseressen] zijn gesprekken gevoerd over een herziene samenwerking na 28 februari 2021 en op 8 januari 2021 is, met de toezending van de conceptstukken, ook een voorstel gepresenteerd. Dat het een en ander uiteindelijk niet tot resultaat heeft geleid, betekent niet dat sprake is van een tekortkoming of onrechtmatig handelen van DNZB c.s. Dat hiervan sprake is wordt door DNZB c.s. betwist. Van een handelen in strijd met de wettelijke informatieplicht of goed franchisegeverschap is evenmin sprake geweest. DNZB c.s. betwisten ook dat [eiseressen] schade hebben geleden door het niet aanbieden van vervangende zekerheid en stellen dat [eiseressen] op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Het beroep van [eiseressen] op artikel 6:166 BW gaat in het onderhavige geval niet op en hiervoor is ook onvoldoende gesteld. Van een hoofdelijke aansprakelijkheid op deze grond kan dan ook geen sprake zijn. DNZB c.s. betwisten bovendien dat DNZB Web kwalificeert als franchisegever en de Platformovereenkomst als franchiseovereenkomst. De franchiserelatie was er een tussen DNZB Franchise en [naam eiseres 2]. DNZB Web verleende enkel ondersteunende diensten. Van enig tekortschieten door DNZB Web is geen sprake geweest.

(ii) en (iv) - geen ongerechtvaardigde verrijking/aansprakelijkheidsgrond

3.2.2.

Van een ongerechtvaardigde verrijking is geen sprake omdat [eiseressen] geen rechthebbenden zijn op het klanten- en relatiebestand. Bovendien maken [eiseressen] niet duidelijk wie in dit kader zou zijn verrijkt en wie verarmd. De verwijzing van [eiseressen] naar de goodwillbepaling in de Wet franchise van artikel 7:920 BW is onjuist omdat deze bepaling op grond van het overgangsrecht niet geldt voor de onderhavige franchiseovereenkomst. Volgens een rapport van de deskundige van DNZB c.s. bedraagt de goodwillwaarde van de onderneming van [eiseressen] € 0,00 omdat de Franchiseovereenkomst per 28 februari 2021 eindigde. DNZB c.s. betwisten op enige grond aansprakelijk te zijn tegenover [eiseressen] De verlangde verwijzing naar de schadestaatprocedure kan niet nu [eiseressen] geen vordering tot schadevergoeding hebben ingesteld.

(iii) - bemiddelingsfee

3.2.3.

[eiseressen] hebben op basis van artikel 24.2 van de Franchiseovereenkomst alleen recht op uitbetaling van bemiddelingsfee die is ontstaan door bemiddeling voor de beeindiging van de overeenkomst, maar pas daarna betaalbaar wordt gesteld. De door [eiseressen] gegeven uitleg is onlogisch omdat die erop neer komt dat [eiseressen] voor onbepaalde tijd recht zouden houden op uitbetaling van de bemiddelingsfee. Dat is onjuist.

(v) - geen voorschot

Het verlangde voorschot van € 800.000,00 moet worden afgewezen omdat dit onvoldoende is onderbouwd en omdat niet duidelijk is of [eiseressen] hiermee een incidentele vordering ex artikel 223 Rv hebben willen instellen. Bovendien geldt mede met het oog op de gevorderde uitvoerbaar bij vorraad verklaring een onaanvaardbaar insolventierisico.

(vi) en (vii) - handhaving non-concurrentiebeding en relatiebeding

3.2.4.

Het non-concurrentiebeding en relatiebeding moeten gehandhaafd blijven omdat DNZB Franchise daarbij een redelijk belang heeft. Het feit dat [naam eiseres 1] geen partij (meer) is bij de Franchiseovereenkomst maakt dit niet anders. Het is nooit de bedoeling geweest haar van het non-concurrentiebeding en relatiebeding te ontheffen. Anders dan [eiseressen] stellen is wel sprake geweest van de overdracht van know how en houden DNZB c.s. belang bij handhaving van het non-concurrentiebeding en relatiebeding.

(viii) - proceskostenveroordeling

3.2.5.

Bij een eventuele proceskostenveroordeling ten gunste van [eiseressen] moet bij de omvang ervan geen rekening worden gehouden met de eerste akte van eiswijziging van [eiseressen] en de antwoordakte van de zijde DNZB c.s. omdat die kosten voorkomen hadden kunnen worden als [eiseressen] zorgvuldiger had geprocedeerd. Ingeval alle vorderingen van [eiseressen] zouden worden afgewezen, moet bij de proceskostenveroordeling ten gunste van DNZB c.s. uitgegaan worden van de reële proceskosten terzake van hun antwoordakte van tenminste € 2.625,00.

3.2.6.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

DNZB c.s.

3.3.

DNZB c.s. hebben hun eis in econventie ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 21 september 2021 verminderd tot nihil.

[verweersters]

3.3.1.

hebben verweer gevoerd tegen de eis in reconventie. Voor zover thans nog van belang concluderen zij tot afwijzing ervan en tot veroordeling van DNZB c.s., zo veel mogelijk hoofdelijk, tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten conform Besluit BIK, althans het Rapport Voor-werk II, althans het Rapport BGK-Integraal 2013, alsmede in de proceskosten, indien (een der) eiseressen niet binnen veertien dagen na sommatie tot naleving van het te wijzen veroordelende vonnis, het vonnis integraal naleeft, op voorhand te veroordelen in de nakosten van deze procedure, te begroten conform het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van de vordering(en), tot de dag der algehele voldoening, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van de vordering(en), tot de dag der algehele voldoening, en bovendien één en ander met dien verstande dat inlossingen eerst toe te rekenen zijn aan de kosten, voorts aan de opgelopen rente en tot slot aan de hoofdsom, althans door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

3.3.2.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

Inleiding

4.1.

Tijdens de mondelinge behandeling op 28 september 2021 is met partijen vastgesteld dat de belangrijkste vraag die partijen verdeeld houdt, is of DNZB c.s. jegens [eiseressen] schadeplichtig zijn in verband met de beëindiging van de Franchiseovereenkomst per 28 februari 2021. De rechtbank zal daarom die vraag als eerste beantwoorden.

Partijen Franchiseovereenkomst

4.2.

Om die vraag te kunnen beantwoorden is allereerst van belang wie partij zijn bij de franchiseovereenkomst. Partijen zijn het met elkaar eens dat [naam eiseres 1] met de inbreng van haar eenmanszaak in [naam eiseres 2] per 29 november 2018, vanaf dat moment niet langer partij was bij de Franchiseovereenkomst, maar [naam eiseres 2]. DNZB Franchise heeft hiermee ook ingestemd. Dat [naam eiseres 2] als franchisenemer heeft te gelden, volgt ook uit de nadien gesloten Platformovereenkomst van 25 maart 2020 waarin [naam eiseres 2] als franchisenemer bij de Franchiseovereenkomst wordt aangemerkt.

4.3.

Op basis van de Franchiseovereenkomst geldt DNZB Franchise als franchisegever. [eiseressen] hebben nog aangevoerd dat DNZB Web met de Platformovereenkomst, door [eiseressen] aangeduid als een “addendum” op de Franchiseovereenkomst, als franchisegever is “toegetreden”. De rechtbank volgt dit betoog niet. Op basis van de Platformovereenkomst is [naam eiseres 2] in het kader van haar Franchiseovereenkomst met DNZB Franchise verplicht om gebruik te maken van het door DNZB Web aangeboden platform. Daarmee kwalificeert DNZB Web niet als franchisegever in de zin van artikel 7:911 lid 2 onder 3 sub c BW, welk artikel per 1 januari 2021 geldt, omdat niet gesteld of gebleken is dat DNZB Web kort gezegd rechthebbende is van een franchiseformule en dat zij [naam eiseres 2] het recht zou hebben verleend die formule te exploiteren. Uit de Franchiseovereenkomst volgt bovendien dat DNZB Franchise rechthebbende in vorenbedoelde zin is en dat zij (en niet DNZB Web) [naam eiseres 2] het recht heeft verleend de formule te exploiteren. DNZB Web kwalificeert daarom niet als franchisegever.

Inhoud Franchiseovereenkomst

4.4.

Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien (art. 6:248 lid 1 BW). Omdat in het onderhavige geval sprake is van een franchiseovereenkomst, is van belang dat artikel 7:912 BW bepaalt dat de franchisegever en de franchisenemer zich jegens elkaar dienen te gedragen als een goed franchisegever en een goed franchisenemer. Blijkens de Memorie van Toelichting op dit artikel moet dit worden gezien als een invulling van de open normen in de artikelen 6:2 en 6:248 BW (zie Kamerstukken 2019-2020, 35392, nr.3, p. 26). Op basis van het overgangsrecht bij de Wet franchise geldt artikel 7:912 BW per 1 januari 2021 voor de op dat moment bestaande franchiseovereenkomsten en daarom ook voor de Franchiseovereenkomst.

4.5.

Op basis van artikel 7:920 BW moet de franchiseovereenkomst in ieder geval de wijze bepalen waarop wordt vastgesteld of goodwill aanwezig is in de onderneming van de franchisenemer, zo ja welke omvang deze heeft en in welke mate deze aan de franchisegever is toe te rekenen. Ook moet de franchiseovereenkomst bepalen op welke wijze goodwill die redelijkerwijs is toe te rekenen aan de franchisenemer bij beëindiging van de franchiseovereenkomst aan de franchisenemer wordt vergoed, indien de franchisegever de onderneming overneemt om deze zelfstandig voort te zetten, dan wel overdraagt aan een derde met wie de franchisegever dan een nieuwe franchiseovereenkomst sluit (art. 7:920 lid 1 onder 3 sub b BW). Wat betreft de inwerkingtreding van artikel 7:920 BW geldt op basis van het overgangsrecht voor de op 1 januari 2021 bestaande franchiseovereenkomsten, waaronder de Franchiseovereenkomst, een overgangstermijn van twee jaar, dus tot 1 januari 2023.

4.6.

Tussen partijen staat vast dat de Franchiseovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 28 februari 2021 en daarmee ook de Platformovereenkomst.

4.7.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat zij geen afspraken hebben gemaakt over het informeren van zorginstellingen en ZZP’ers in het kader van het (naderende) einde van de Franchiseovereenkomst op 28 februari 2021. Tijdens de mondelinge behandeling is in dit kader namens DNZB c.s. door [naam 2] verklaard dat toen bleek dat voortzetting van de samenwerking niet lukte en er met [eiseressen] geen afspraken konden worden gemaakt over het informeren van de betreffende zorginstellingen en ZZP’ers over het einde van de samenwerking, er vanuit een DNZB vennootschap, door hem aangeduid als DNZB Nijmegen, op 1 maart 2021 contact is opgenomen met de zorginstellingen en ZZP’ers waarmee [eiseressen] zaken had gedaan om hen uit te leggen dat DNZB er met [eiseressen] niet was uitgekomen, maar dat er voor hen verder niets zou veranderen. Daarbij is ook aangegeven dat de bestaande medewerkers, ook na het vertrek van [naam eiseres 1], de contactpersonen blijven. [naam 2] heeft ter zitting verder verklaard dat er vervolgens vanuit DNZB Nijmegen afspraken zijn gemaakt met de betreffende zorginstellingen en ZZP’ers en dat met hen nieuwe contracten zijn afgesloten. Het voorgaande is nadien ook bevestigd in een brief van (de advocaat van) DNZB c.s. van 4 maart 2021 aan (de advocaat van) [eiseressen] Zie hiervoor onder 2.15.

4.8.

Hiermee staat vast dat een aan DNZB c.s. gelieerde onderneming, namelijk DNZB Nijmegen, met instemming en medeweten van DNZB c.s., de relaties die [naam eiseres 2] voorheen bediende op basis van haar Franchiseovereenkomst, kort na het einde ervan op 28 februari 2021, heeft benaderd en daarna met hen overeenkomsten is aangegaan op basis waarvan dezelfde soort bemiddelingsdiensten worden aangeboden als [naam eiseres 2] voorheen deed. Uit door [eiseressen] overgelegde screenshots, blijkt ook dat DNZB Nijmegen op haar website nagenoeg dezelfde bedrijfspresentatie hanteert als voorheen [naam eiseres 2] deed. Zo zijn de door [naam eiseres 1] gebruikte teksten nagenoeg hetzelfde gebleven en is enkel de foto van [naam eiseres 1] vervangen door die van een medewerker van DNZB.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank staat met het voorgaande vast dat de onderneming van [naam eiseres 2] is voortgezet. Ook staat vast dat [naam eiseres 2] noch [naam eiseres 1] hiervoor een (goodwill)vergoeding heeft ontvangen. Niet gesteld of gebleken is dat er buiten de hiervoor bedoelde relaties, andere vermogensbestanddelen van [naam eiseres 2], zoals bijvoorbeeld inventaris, zouden zijn overgedragen ter zake waarvan [naam eiseres 2] aanspraak zou kunnen maken op vergoeding.

4.10.

Door te bewerkstelligen, althans toe te staan, dat een aan haar gelieerde onderneming, de onderneming van [naam eiseres 2] heeft voortgezet zonder dat [naam eiseres 2] als franchisenemer, hiervoor een goodwillvergoeding heeft ontvangen, is DNZB Franchise als franchisegever toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen onder de franchiseovereenkomst. Een van die verbintenissen houdt in dat DNZB Franchise zich ten opzichte van [naam eiseres 2] moet gedragen als een goed franchisegever (zie hiervoor onder 4.4). Dat heeft DNZB Franchise met het voorgaande niet gedaan. DNZB Franchise had er op basis van de Franchiseovereenkomst op moeten toezien dat [naam eiseres 2] een goodwillvergoeding zou ontvangen voor de overname van haar onderneming door DNZB Nijmegen. [naam eiseres 2] heeft zich ook op deze grondslag beroepen voor de door haar gevorderde verklaringen voor recht en vergoedingen.

4.11.

DNZB c.s. hebben hiertegen aangevoerd dat [eiseressen] geen rechthebbenden waren ten aanzien van het klanten- en relatiebestand met zorginstellingen en ZZP’ers en dat er daarom geen sprake kan zijn van een vergoedingsrecht van [naam eiseres 2]. De rechtbank is echter van oordeel dat ook naar het op deze zaak toepasselijk recht onder omstandigheden als hier aan de orde bij een overdracht van de onderneming van een franchisenemer de waarde ervan in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt. Ook DNZB Franchise zelf lijkt daar eerder van uit te zijn gegaan. [eiseressen] hebben in dit kader verwezen naar een presentatie van DNZB Franchise van eind 2019 waarin DNZB Franchise, vooruitlopend op de Wet franchise die per 1 januari 2021 in werking zou treden, verschillende rekenmethodes beschrijft op basis waarvan de franchiseonderneming kan worden gewaardeerd, waaronder de goodwill, ingeval van overdracht ervan. Blijkens de presentatie werd hierbij ook expliciet gedacht aan de situatie waarin de onderneming van de franchisenemer bij het einde van de franchiseovereenkomst wordt overgedragen. DNZB Franchise hebben aan het slot van de presentatie ook een concrete waarderingsmethode voorgesteld. [naam 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling bovendien verklaard dat in het kader van de pogingen van partijen om een minnelijke regeling te bereiken, [eiseressen] aanvankelijk bedragen zijn geboden welke waren gebaseerd op de goodwillberekeningen uit de presentatie van eind 2019. Uit het voorgaande blijkt voldoende dat ook DNZB Franchise van mening was dat het klanten- en relatiebestand van de franchisenemer een waarde vertegenwoordigt die bij een overdracht ervan voor vergoeding in aanmerking komt.

4.12.

Dat artikel 7:920 lid 1 BW, zoals DNZB c.s. overigens terecht opmerken, vanwege het overgangsrecht niet van toepassing is op de Franchiseovereenkomst, doet hieraan niet af. Uit de presentatie van DNZB Franchise volgt dat zij eind 2019 vooruitlopend op de invoering van de Wet franchise, op dat moment al een regeling over de (goodwill)vergoeding ingeval van overdracht van de franchiseonderneming hebben willen introduceren. Uit de Memorie van Toelichting op artikel 7:920 lid 1 BW blijkt ook dat de overgangstermijn van twee jaar vooral bedoeld is om, gelijk DNZB Franchise klaarblijkelijk ook voor ogen had, praktische problemen te voorkomen en om bestaande franchiseovereenkomsten aan te passen aan de nieuwe regels (zie Kamerstukken 2019-2020, 35392, nr.3, p.51).

Conclusie vergoedingsplicht

4.13.

Op grond van het hetgeen hiervoor onder 4.2 - 4.12 is overwogen geldt dat DNZB Franchise jegens [naam eiseres 2] toerekenbaar is tekortgeschoten onder de

Franchiseovereenkomst en aansprakelijk is voor de door [naam eiseres 2] als gevolg hiervan geleden schade. Wat de omvang van de vergoedingsplicht van DNZB Franchise betreft, heeft de rechtbank behoefte aan voorlichting door een deskundige (zie hierna onder 4.18 e.v.).

Non-concurrentiebeding en relatieverbod

4.14.

Een andere belangrijke vraag die partijen verdeeld houdt, is de vraag naar de werking van het non-concurrentiebeding en relatiebeding. Omdat de omvang van de vergoedingsplicht van DNZB Franchise zoals hiervoor uiteengezet mogelijk mede afhangt van de gebondenheid en werking van het non-concurrentiebeding en relatiebeding - en dus van belang kan zijn voor de gewenste voorlichting door een deskundige - gaat de rechtbank ook hierop in.

4.15.

Hiervoor is onder 4.2 en 4.3 overwogen dat [naam eiseres 1] vanaf 29 november 2018 geen partij meer is bij de Franchiseovereenkomst en [naam eiseres 2] vanaf dat moment franchisenemer is onder de Franchiseovereenkomst. Dat betekent dat [naam eiseres 2] - en niet [naam eiseres 1] - gebonden is aan het non-concurrentiebeding en relatiebeding in de artikelen 21.3 en 21.4 van de Franchiseovereenkomst. In die artikelen wordt immers in dit kader alleen verwezen naar de franchisenemer en dat is [naam eiseres 2]. Dat het niet de bedoeling zou zijn geweest om [naam eiseres 1] te ontheffen van de werking van het non-concurrentiebeding en relatiebeding, zoals DNZB c.s. hebben aangevoerd, is door [eiseressen] gemotiveerd betwist en blijkt ook niet uit de stukken. Zo verwijst de later tot stand gekomen Platformovereenkomst alleen naar [naam eiseres 2] als franchisenemer en niet ook naar [naam eiseres 1]. Indien DNZB c.s. [naam eiseres 1] ook ná 29 november 2018 aan het non-concurrentiebeding en relatiebeding gebonden hadden willen houden, dan hadden zij dit gezien de bezwarende werking ervan voor [naam eiseres 1], expliciet moeten bepalen in de Franchiseovereenkomst, of hierover nadien duidelijke afspraken moeten maken. Dat is niet gebeurd. [naam eiseres 1] zal overigens bij haar toekomstige (economische) activiteiten jegens DNZB c.s. vanzelfsprekend niet in strijd mogen handelen met de normen van de maatschappelijke zorgvuldigheid op basis van artikel 6:162 BW.

4.16.

Wat betreft de door [eiseressen] gevorderde vernietiging of aanpassing van het non-concurrentiebeding en relatiebeding overweegt de rechtbank als volgt. De Franchiseovereenkomst is aan het einde van haar looptijd op 28 februari 2021 met een opzegtermijn van acht maanden geëindigd (zie hiervoor 2.4 en 2.8). In deze wijze van beëindiging ziet de rechtbank, los van hetgeen zij hiervoor onder 4.13 heeft overwogen over de aansprakelijkheid van DNZB Franchise, geen aanleiding om de werking van het non-concurrentiebeding en relatiebeding te vernietigen of te beperken. [eiseressen] hebben onvoldoende gesteld waarom de werking van het non-concurrentiebeding en relatiebeding jegens [naam eiseres 2] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [eiseressen] hebben in dit kader aangevoerd dat er geen sprake is geweest van de overdracht van know how aan haar en dat DNZB Franchise daarom geen belang heeft bij de handhaving van het non-concurrentiebeding en relatiebeding. DNZB c.s. hebben allereerst betwist dat het voor de geldigheid en handhaving van de betreffende bedingen noodzakelijk is dat sprake is geweest van de overdracht van know how, maar los hiervan hebben zij onweersproken aangevoerd dat [naam eiseres 1] in het kader van de Franchiseovereenkomst het DNZB Handboek heeft ontvangen en dat daarin know how (over werkwijzen en processen) is opgenomen met betrekking tot de DNZB franchiseformule. DNZB c.s. hebben ook gemotiveerd betwist dat [naam eiseres 1] de in het handboek opgenomen kennis zelf zou hebben aangeleverd of daarover voorafgaand aan de Franchiseovereenkomst al beschikte of kon beschikken. De rechtbank begrijpt dit verweer van DNZB c.s. aldus dat zij hiermee ook op [naam eiseres 2] doelen en dat [naam eiseres 2] die kennis evenmin had of op andere wijze had kunnen verkrijgen. DNZB Franchise heeft ook onweersproken aangevoerd dat omdat zij met andere franchisenemers (wel) tot een gewijzigde samenwerking is overeengekomen, zij in dat kader ook belang houdt bij handhaving van het non-concurrentiebeding en relatiebeding. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat DNZB Franchise een redelijk belang heeft bij de handhaving van het non-concurrentiebeding en relatiebeding.

4.17.

[eiseressen] hebben nog bezwaar aangevoerd tegen het feit dat het non-concurrentiebeding in artikel 21.3 van de Franchiseovereenkomst in geografisch opzicht onbeperkt is. DNZB Franchise heeft niet aangegeven waarom zij hierbij een redelijk belang zou hebben. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de werking van het non-concurrentiebeding in artikel 21.3 van de Franchiseovereenkomst te beperken en daarvoor aansluiting te zoeken bij de rayons waarbinnen [naam eiseres 2] op basis van de Franchiseovereenkomst actief was, te weten de rayons Nijmegen en Noordoost-Brabant (zie hiervoor onder 2.3). De rechtbank wijst er in dit kader verder op dat artikel 21.3 van de Franchiseovereenkomst (het non-concurrentiebeding) blijkens haar tekst op 28 februari 2022 eindigt (één jaar na het einde van de Franchiseovereenkomst). En dat op basis van het overgangsrecht bij de Wet franchise artikel 21.4 van de Franchiseovereenkomst (het relatiebeding) uiterlijk op 1 januari 2023 moet voldoen aan de (strengere) regels van artikel 7: 920 lid 2 BW voor zover dit beding [naam eiseres 2] na het einde van de Franchiseovereenkomst beperkt om op zekere wijze werkzaam te zijn (zie hiervoor onder 4.5).

Deskundigenbericht

4.18.

Wat de omvang van de vergoedingsplicht van DNZB Franchise betreft, heeft de rechtbank behoefte aan voorlichting door een deskundige. De rechtbank is van oordeel dat één deskundige volstaat. De door [eiseressen] en DNZB c.s. overgelegde deskundigenrapporten verschillen onderling te veel in de gekozen waarderingssystematiek en uitkomsten om tot bruikbaar richtsnoer te kunnen dienen bij de bepaling van de goodwillwaarde en de mate waarin deze voor vergoeding in aanmerking komt. Wat betreft de door DNZB Franchise in haar presentatie van eind 2019 voorgestelde waarderingsmethode geldt dat deze niet is aanvaard door [naam eiseres 2] en dus ook niet zonder meer tot uitgangspunt kan dienen.

Vragen deskundige

4.19.

De rechtbank heeft de volgende vragen voor de te benoemen deskundige:

(1) welke goodwillwaarde kan worden toegekend aan de relaties (zorginstellingen en ZZP’ers) van [naam eiseres 2], ervan uitgaande dat de contractuele relaties met hen, na 28 februari 2021 zijn voortgezet en [naam eiseres 2] gehouden is aan het non-concurrentiebeding en relatiebeding in de artikelen 21.3 en 21.4 van de Franchiseovereenkomst zoals hiervoor onder 4.16 en 4.17 overwogen;

(2) in welke mate is deze goodwillwaarde aan DNZB Franchise als franchisegever toe te rekenen? Hierin kan worden betrokken in welke mate de goodwill het resultaat is van de DNZB-formule van franchisegever, of het gevolg is van de inspanningen van de franchisenemer;

(3) welke aspecten acht de deskundige in het kader van de goodwillbepaling verder

relevant en waarom?

4.20.

De rechtbank verzoekt DNZB Franchise en [naam eiseres 2] (als franchisegever en

franchisenemer) om zich uit te laten over de vragen voor de deskundige zoals hiervoor

opgenomen onder 4.19 zodat de rechtbank deze kan aanpassen of aanvullen indien zij

daartoe gronden acht. Daarnaast verzoekt de rechtbank DNZB Franchise en [naam eiseres 2] om

in onderling overleg de rechtbank gezamenlijk één naam van een deskundige te presenteren

zodat de rechtbank die vervolgens als deskundige kan benoemen. Ingeval DNZB Franchise

en [naam eiseres 2] onderling geen overeenstemming bereiken over de naam van de te benoemen

deskundige, dan kunnen zij zich naast het voorgaande, ook uitlaten over de door hen

gewenste discipline en persoon van de deskundige. De zaak zal vervolgens voor vonnis

komen te staan.

Voorschot kosten deskundige

4.21.

Wat betreft het ingevolge artikel 195 Rv te betalen voorschot voor de deskundige, ziet de rechtbank aanleiding op basis van hetgeen zij hiervoor onder 4.7 - 4.13 heeft overwogen, om af te wijken van de hoofdregel dat de eisende partij, in dit geval [naam eiseres 2], hiervoor moet zorgdragen en zal DNZB Franchise, bij de benoeming van de deskundige, met dit voorschot worden belast.

4.22.

Iedere verdere beslissing in conventie wordt aangehouden.

in reconventie

4.23.

Iedere beslissing in reconventie wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 19 januari 2022 voor akte uitlating aan de zijde van [naam eiseres 2] en DNZB Franchise als bedoeld in rechtsoverwegingen 4.19 en 4.20;

5.2.

verstaat dat de zaak vervolgens op de rol komt voor vonnis met een termijn van zes weken;

verder in conventie en reconventie

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door J.M.J Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2021.1729/3455