Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4990

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-10-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
8285339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Reisurenregeling waarbij een franchise van 1u per dag op reisuren in mindering wordt gebracht is ism art. 44 CAO Metaal en Techniek, Technisch Installatiebedrijf en daarom nietig ogv art. 12 Wet CAO. Veroordeling wg tot betaling van ten onrechte ingehouden reisuren geclausuleerd toewijsbaar, dus voor zover wnrs hierop aanspraak kunnen en willen maken (ECLI:NL:HR:2018:980).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 8285339

Rolnummer : 20-311

Datum : 15 oktober 2020

in de zaak van:

1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV),
gevestigd te Utrecht;

2. [eiser sub 2]
wonende te [woonplaats]

eisers,

gemachtigden: mr. J. van Overdam en mr. A.A.M. Broos,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Guts Installatietechniek B.V.,
gevestigd te Boxtel,

gedaagde,
gemachtigde: mr. K.H.A. Troeijen.

Partijen zullen hierna ook wel worden genoemd: “FNV”, “ [eiser sub 2] ” en “Guts” .

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

a. de dagvaarding met 27 producties;

b. de conclusie van antwoord met 23 producties;

c. de akte uitlating wijze van voortprocederen, tevens houdende een akte wijziging van eis aan de zijde van eisers;

d. de mondelinge behandeling (via skype) gehouden op 15 september 2020.

Eisers hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling spreekaantekeningen toegezonden, met daarin een tweede eiswijziging en daarbij nog één productie (productie 28).

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.

1.3.

Tot slot van de mondelinge behandeling is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

FNV is een vakvereniging die zich ten doel stelt de belangen van werknemers, onder wie de werknemers van Guts, te behartigen.

2.2.

[eiser sub 2] is per 1 maart 2013 bij Guts in dienst getreden. Hij is werkzaam in de functie van leidinggevend servicetechnicus tegen een loon van laatstelijk € 4.063,48 bruto per maand (40 uur per week), exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. In zijn arbeidsovereenkomst is de CAO Metaal en Techniek, Technisch Installatiebedrijf (hierna genoemd: de CAO) van toepassing verklaard.

2.3.

Guts is een installatiebedrijf en levert integrale oplossingen op het gebied van gebouwinstallaties voor onder meer retail en utiliteit. Guts is statutair gevestigd in Boxtel en heeft nog een nevenvestiging in Landsmeer. Er zijn 122 FTE medewerkers in dienst, waarvan 46 FTE in de binnendienst en 76 FTE in de buitendienst. Het bedrijf is begin 2013 opgericht als doorstart na het faillissement van Group Ultimate Technical Solutions B.V.

De (inhoud van de) arbeidsovereenkomsten en arbeidsvoorwaarden van Guts zijn integraal overgenomen van Group Ultimate Technical Solutions B.V. die deze eveneens woordelijk van haar rechtsvoorganger had overgenomen.

De buitendienstmedewerkers wonen verspreid over het land en bedienen een bepaalde regio. In hun arbeidsovereenkomsten is opgenomen dat zij hun werkzaamheden verrichten vanuit hun woning en dat hun woonplaats als standplaats wordt aangemerkt.

2.4.

Guts is lid van werkgeversvereniging Techniek Nederland, tot 1 januari 2019 genaamd UNETO-VNI. UNETO-VNI/Techniek Nederland is partij bij de CAO. Guts is dus een gebonden werkgever in de zin van artikel 9 Wet CAO. De CAO is een minimum-CAO. Afwijking is alleen mogelijk ten gunste van de werknemer.

2.5.

Artikel 44 CAO met als looptijd 1 juni 2019 tot en met 30 september 2021 bepaalt onder het kopje ‘betaling van reisuren’ als volgt:

1. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing indien de onderhavige vergoedingen zijn inbegrepen in het salaris. Dit moet blijken uit een schriftelijke verklaring van de werkgever die dient te worden verstrekt vóórdat de vergoeding in de beloning wordt inbegrepen.

2. Indien de werknemer voor het verrichten van karweiwerkzaamheden moet reizen, zal de werkgever hem de reistijd als volgt vergoeden:

a. bij gebruikmaking van openbare middelen van vervoer: de noodzakelijke reistijd berekend volgens de dienstregeling van het openbaar vervoer.

b. bij gebruikmaking van een eigen of door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel: de reistijd berekend in redelijke verhouding tot de reistijd volgens het openbaar vervoer over een vergelijkbare afstand.

3. De in lid 2 sub a en b genoemde reistijd komt alleen voor vergoeding in aanmerking voor zover de werknemer langer heeft moeten reizen dan hij normaal nodig heeft naar de plaats waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan.

4. De reistijdenvergoeding wordt als volgt berekend:

a. Uren buiten het dienstrooster: 0,607% van het maandsalaris (0,658% van het salaris per vierwekenperiode) per volledig uur.

b. Uren op zondag en uren binnen en/of buiten het dienstrooster op een in artikel 19 lid 1 genoemde feestdag: 1,12% van het maandsalaris (1,21% van het salaris per vierwekenperiode) per volledig uur.

5. (…)

Artikel 44 CAO is vanaf 2014 inhoudelijk niet gewijzigd en is algemeen verbindend verklaard in de perioden:

  • -

    24 januari 2014 tot en met 28 februari 2015;

  • -

    29 januari 2016 tot en met 30 april 2017;

  • -

    17 augustus 2017 tot en met 31 mei 2019.

2.6.

Guts brengt op deze hiervoor bij CAO geregelde te betalen reisuren, gedurende werkdagen van maandag tot en vrijdag, ‘een franchise’ van 1 uur per dag in mindering bij haar karweimedewerkers, te weten 30 minuten voor de tijd van huis naar de eerste klus van de dag en vervolgens 30 minuten aan het einde van de dag weer naar huis.

2.7.

In de arbeidsovereenkomst van [eiser sub 2] staat in artikel 3.5 het volgende vermeld:

3.5 Reisuren worden conform reisurenregeling (zie bijlage 1 van deze arbeidsovereenkomst) vergoed, waarbij zoals opgenomen in artikel 3.4 zijn woonadres als standplaats geldt.

In bijlage 1 behorende bij de arbeidsovereenkomst, staat het volgende opgenomen:

Inhoud en toepassing van de regeling:
Karweimedewerkers ontvangen een vergoeding voor de gemaakte reisuren buiten de normale werktijd om van huis naar een project te komen, met een franchise van 1 uur per dag

Bepaling reisuren:

Het aantal reisuren wordt bepaald aan de hand van de werkelijke reistijd geregistreerd door de boordcomputer. Hierbij wordt het woonadres van de medewerker als standplaats aangemerkt. Alleen op werkdagen geldt een franchise van 1 uur per dag.

(…)

2.8.

In de latere arbeidsovereenkomsten, die vanaf 2013 werden gebruikt totdat de bepaling omtrent de ‘standplaats’ in 2020 werd aangepast, staat de volgende bepaling opgenomen:

3.5 Reisuren worden conform reisurenregeling (Hoofdstuk 3.5 Personeelshandboek) vergoed.

Deze bepaling heeft een inhoud die lijkt op de bepaling die voorheen in bijlage 1 bij de arbeidsovereenkomst was opgenomen, waarbij enkel een verduidelijking van de definitie van reistijd is aangebracht, namelijk:

Inhoud en toepassing van de regeling:
Karweimedewerkers ontvangen een vergoeding van de gemaakte reisuren buiten de normale werktijd om van huis naar een project te komen, met een franchise van 1 uur per dag.

Definitie reisuren:

Guts Installatietechniek spreekt van reisuren wanneer er geen sprake is van daadwerkelijk verrichte arbeid, maar van het reizen van en naar standplaats en/of werkplek.

2.9.

In april 2018 is het franchise-beding voor het eerst door [eiser sub 2] bij Guts onder de aandacht gebracht. [eiser sub 2] is in deze periode bij FNV terecht gekomen met een (andere) vraag omtrent zijn arbeidsovereenkomst en toen werd (ook) het franchise-beding opgepakt door FNV. Vervolgens zijn er door Guts diverse gesprekken gevoerd met FNV.

FNV heeft Guts bij brief van 27 juni 2019 gesommeerd om uiterlijk binnen drie weken schriftelijk te bevestigen dat zij artikel 44 CAO alsnog met terugwerkende kracht zal nakomen. In deze brief wordt tevens de verjaring van de vorderingen tot betaling van de reisurenvergoeding ex artikel 44 CAO gestuit.

Bij brief van 19 oktober 2018 heeft FNV aan Guts kenbaar gemaakt dat de zaak is overgedragen aan de Vakbondsbestuurder FNV Metaal (de heer [naam vakbondsbestuurder] ), omdat ‘de kwestie’ collectief van aard is geworden, omdat er nog meer medewerkers zijn die met dezelfde franchise te maken hebben betreffende de reistijd.

Guts heeft via haar werknemers vernomen dat FNV hen op 4 oktober 2018 had aangeschreven met een oproep om deel te nemen aan een collectieve actie. In november 2018 werd er wederom een brief aan de werknemers van Guts gezonden door FNV.

Vervolgens is tussen Guts en FNV overleg gevoerd, waarbij door Guts tweemaal een concreet (financieel) voorstel is gedaan. Deze voorstellen zijn alle twee afgewezen door FNV, omdat FNV enkel in wil stemmen met een voorstel waarbij niet alleen een oplossing voor de toekomst geboden wordt maar eveneens een compensatie voor het verleden.
Op 21 januari 2020 is de dagvaarding in de onderhavige procedure uitgebracht.

2.10.

Op 10 maart 2020 heeft Guts een informatiebijeenkomst georganiseerd voor haar werknemers, waarin uitgebreid is toegelicht wat de huidige situatie is en waarin de bestaansgeschiedenis en de totstandkoming van de huidige franchiseregeling is toegelicht. Er is uitgelegd welke gevolgen het voor Guts zou hebben als (1) een veroordeling tot betaling van achterstallig salaris als thans geëist wordt, betaald zou moeten worden (een faillissement en verlies van banen) en als (2)‘enkel’ een verplichting richting de toekomst zou volgen om een extra uur per dag uit te betalen, zoals [eiser sub 2] en FNV vorderen (een onhoudbare concurrentiepositie). Aan de karweimedewerkers is vervolgens (vrijblijvend) de optie geboden om een addendum op de arbeidsovereenkomst te ondertekenen (bijgevoegd als productie XXI en XXII bij conclusie van antwoord).

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht te verklaren dat gedurende de AVV-perioden ten aanzien van alle buitendienstmedewerkers van Guts en, buiten de AVV-perioden, ten aanzien van de gebonden buitendienstmedewerkers van Guts, bij wie hun woonplaats hun standplaats is, de regeling zoals opgenomen in art. 3.5. van het Personeelshandboek van Guts, inhoudende dat op de werkdagen van maandag t/m vrijdag een franchise van 1 uur per dag op de reisuren in mindering wordt gebracht, in strijd is met art. 44 CAO en daarom op grond van art. 3 Wet AVV, dan wel art. 12 Wet CAO nietig is.

B. FNV vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Guts te veroordelen tot nakoming, met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2014, van art. 44 CAO jegens haar (ex-)buitendienstmedewerkers, bij wie hun woonplaats is aangemerkt als de standplaats, in de zin dat:

(1) Guts aan hen een overzicht verstrekt van de sinds 1 juli 2014 tot 1 januari 2020 ten onrechte ingehouden reisuren;

(2) Guts hen een correcte berekening verstrekt van het bedrag aan reisuren ex art. 44 CAO dat over de periode van 1 juli 2014 tot 1 januari 2020 ten onrechte niet is uitbetaald;

(3) Guts het berekende bedrag aan hen uitbetaalt, verhoogd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, redelijkheidshalve gesteld op 50% hiervan, en verhoogd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata tot aan de datum der voldoening, dit met gelijktijdige verstrekking aan hen van een bruto-/netto-specificatie;

(4) Guts art. 44 CAO vanaf 1 januari 2020 jegens de buitendienstmedewerkers correct naleeft, dat is zonder inhouding van een franchise van 1 uur per dag, dit tot het moment dat hun arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd,

Een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 1000,-- per dag per medewerker, voor elke dag dat Guts dit vanaf een maand na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis jegens enige medewerker nog mocht nalaten.

[eiser sub 2] vordert, na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om Guts te veroordelen tot:

C. betaling aan hem van een bedrag van € 23.779,03 bruto als ten onrechte niet uitbetaalde reisurenvergoeding ex art. 44 CAO over de periode van week 6 van 2014 t/m week 26 van 2019;

D. betaling aan hem van een bedrag van € 11.889,50 bruto als de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, redelijkheidshalve gesteld op 50% van de vordering onder sub C. hiervoor;

E. betaling aan hem van de wettelijke rente over de vorderingen onder sub C. en D. hiervoor vanaf de vervaldata tot aan de datum der voldoening;

F. correcte nakoming jegens hem van art. 44 CAO vanaf week 27 van 2019, dit onder verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag voor elke dag dat Guts dit jegens hem na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis nog mocht nalaten.

Eisers vorderen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Guts te veroordelen tot betaling aan hen van:

G. een bedrag van € 6.775,-- als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW, dit verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding;

H. de proceskosten, waaronder het salaris van de gemachtigden van eisers.

3.2.

FNV en [eiser sub 2] leggen aan hun vorderingen, kort weergegeven, ten grondslag dat het franchisebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst met bijlage (in het geval van [eiser sub 2] ) of in de arbeidsovereenkomst met verwijzing naar het personeelshandboek (voor medewerkers die later in dienst zijn gekomen) in strijd is met artikel 44 CAO en nietig is op basis van artikel 12 lid 1 Wet CAO.

Artikel 44 CAO regelt de betaling van een vergoeding van reisuren. Bij de karweimedewerkers van Guts is de plaats waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan (de standplaats) zoals genoemd in artikel 44 lid 3 CAO, gelijk aan hun woonplaats. De tijd die nodig is om te komen van de standplaats/woonplaats naar het eerste karwei en na het laatste karwei naar de standplaats/woonplaats is dus reistijd in de zin van artikel 44 CAO, die moet worden vergoed conform lid 4 van artikel 44 CAO, tenminste wanneer deze niet in het salaris is inbegrepen (zoals het geval is bij [eiser sub 2] ). De CAO is een minimum-CAO. Volgens FNV en [eiser sub 2] is het dan ook niet toegestaan om, zoals Guts doet, op de reistijd een franchise van 1 uur per dag in mindering te brengen.

3.3.

Guts heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Allereerst voert Guts aan dat uit de bijlage bij de arbeidsovereenkomst (in het geval van [eiser sub 2] ) c.q. het personeelshandboek (bij werknemers die later in dienst zijn getreden) blijkt dat de vergoeding voor de reistijd (althans voor de franchise van één uur per dag) inbegrepen is in het salaris, waarmee dit de in artikel 44, eerste lid CAO vereiste schriftelijke verklaring vormt die de werkgever dient te verstrekken voordat de vergoeding in de beloning wordt inbegrepen. Dat dit inbegrepen is bij het salaris is ook zeer logisch als in aanmerking wordt genomen dat er (fors) boven CAO wordt betaald. Verder is het in de branche gebruikelijk om een dergelijke franchise te hanteren.

Tussen Guts en [eiser sub 2] is er bij aanvang van de arbeidsovereenkomst geen enkele twijfel geweest over de bedoeling en intentie van de bepaling “medewerker zal zijn werkzaamheden verrichten vanuit zijn woning te [woonplaats] welke ook als standplaats aangemerkt wordt”, in combinatie met de reisurenregeling. Vanaf zijn indiensttreding op 1 maart 2013 zijn de reisuren uitbetaald conform de wijze waarop partijen dit beoogd hebben.

Met betrekking tot de vorderingen van FNV voert Guts ten verwere aan dat niet gebleken is van representativiteit onder de leden c.q. de werknemers van Guts. Naast [eiser sub 2] heeft niemand zich (aantoonbaar) bij deze vordering aangesloten. Aan de veroordeling van Guts tot nakoming van de CAO-bepaling moet in ieder geval het voorbehoud verbonden worden dat het moet gaan om werknemers die daar aanspraak op willen en kunnen maken.

Met betrekking tot de vorderingen van [eiser sub 2] betwist Guts allereerst de juistheid van de berekening. Er is geen rekening gehouden met de daadwerkelijke werk- en reistijd die gemaakt is. De overzichten zien verder op een periode die aanzienlijk ruimer is dan waar de vordering op gebaseerd is, omdat geheel 2014 (vanaf januari) is meegenomen, terwijl de vordering wordt ingesteld vanaf 1 juli 2014. Verder kan Guts - indien de redenatie van FNV en [eiser sub 2] gevolgd wordt dat de toepassing van de franchise niet toegestaan zou zijn – maximaal verplicht worden de daadwerkelijke reistijd te vergoeden, anders zouden de betreffende karweimedewerkers zelfs betaald worden voor uren die niet eens besteed zijn.

Guts beroept zich met betrekking tot de gevorderde vergoedingen op verjaring. De dagvaarding is op 21 januari 2020 door de deurwaarder aan Guts betekend. Pas toen was de exacte hoogte van de vordering kenbaar, zodat met terugwerkende kracht vorderen van vergoedingen slechts 5 jaar vóór 21 januari 2020 mogelijk kan zijn, dus op zijn vroegst vanaf 21 januari 2015.

Tevens voert Guts gemotiveerd verweer tegen de gevorderde wettelijke verhoging, dwangsommen en buitengerechtelijke incassokosten.

3.4.

Dat wat partijen voor het overige hebben aangevoerd zal, indien en voor zover van belang, in het navolgende aan de orde komen.

4 De beoordeling

4.1.

De kern van het geschil ziet op de vraag of het franchisebeding, waarmee Guts bij karweimedewerkers op hun reistijd een franchise van 1 uur per dag in mindering brengt, in strijd is met artikel 44 CAO en nietig is op basis van artikel 12 lid 1 Wet CAO.

Juridische kader

4.2.

Artikel 12 Wet CAO bepaalt dat een beding tussen een werkgever en een werknemer, dat strijdig is met een cao, waardoor werkgever en werknemer gebonden zijn, nietig is. Het is toegestaan dat de individuele arbeidsovereenkomst voor de werknemer gunstigere bedingen inhoudt dan de cao, tenzij die cao zogenaamde standaard- of maximumbepalingen bevat. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 10 december 2004, JAR 2005/31) zijn bij de uitleg van een cao-bepaling de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst en een eventuele schriftelijke toelichting daarop, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de cao, voor zover deze niet uit de cao-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de cao en de toelichting daarop.

Op grond van artikel 12 Wet CAO, tweede lid, kan de nietigheid van een dergelijk beding steeds worden ingeroepen door elk van de partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst. Op grond van artikel 14 Wet CAO kan FNV ook naleving van de CAO vorderen ten aanzien van de niet bij FNV aangesloten werknemers.

Het vorenstaande brengt met zich dat FNV naleving van artikel 44 van de CAO kan vorderen, ongeacht het aantal bij Guts werkzame werknemers dat bij FNV is aangesloten. Of er sprake is van representativiteit onder de leden c.q. de werknemers van Guts, kan in dit kader dan ook in het midden blijven.

Franchisebeding in strijd met artikel 44 CAO en nietig?

4.3.

Guts voert allereerst als verweer aan dat de vergoeding voor reistijd is inbegrepen in het salaris, zodat het bepaalde in artikel 44 CAO niet van toepassing is op [eiser sub 2] en haar overige karweimedewerkers. Zij verwijst daartoe naar het bepaalde in artikel 44, eerste lid CAO (voor de volledige tekst van artikel 44 CAO zie rechtsoverweging 2.5.).

De kantonrechter volgt dit verweer niet. Uit niets blijkt dat de vergoeding voor reistijd is inbegrepen in het salaris. In de arbeidsovereenkomst, de bijbehorende bijlage of het personeelshandboek wordt hierover niets specifieks vermeld. De vereiste schriftelijke verklaring die moet worden verstrekt vóórdat de vergoeding in de beloning wordt inbegrepen, is door Guts dan ook niet gegeven, zodat de uitzondering van artikel 44, lid 1 CAO niet aan de orde is.

4.4.

Het tweede verweer van Guts, dat bij interpretatie van het derde lid van artikel 44 CAO (waarin bepaald wordt dat reistijd alleen voor vergoeding in aanmerking komt voor zover de werknemer langer heeft moeten reizen dan hij normaal nodig heeft naar de plaats waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan) niet alleen gekeken moet worden naar de letterlijke tekst van de arbeidsovereenkomst, waar door FNV aangeslagen wordt op het begrip “standplaats”, maar ruimer, wordt door de kantonrechter niet gevolgd.

Artikel 44 lid 3 CAO is duidelijk geformuleerd en zoals hiervoor weergegeven (onder r.o. 4.2.) komt het volgens vaste rechtspraak niet aan op de bedoelingen van Guts of wat gebruikelijk is in de markt. ‘De plaats waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan’ is de standplaats. [eiser sub 2] en de overige karweimedewerkers gaan niet eerst naar kantoor, maar vertrekken direct vanuit huis naar een karwei. Daarom is in hun arbeidsovereenkomst in artikel 3.5 hun woonplaats als standplaats aangemerkt. De tijd die zij van hun woonplaats/standplaats moeten reizen naar een karwei, is daarom reistijd die op grond van artikel 44 CAO moet worden vergoed. Dat de regeling door Guts en haar rechtsvoorganger altijd met franchise-aftrek is uitgevoerd en dat ook andere bedrijven in de branche werken met eenzelfde franchise-beding maakt dit niet anders.

4.5.

Het derde verweer van Guts in dit verband, dat het beding niet als nietig te kwalificeren valt, omdat er geen sprake van is dat er een ‘negatieve afwijking’ van de CAO plaatsvindt, wordt door de kantonrechter evenmin gevolgd.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat ook indien een cao een minimum garantie met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden bevat en bedingen die ten gunste van de werknemer van de CAO afwijken geldig zijn, onderzocht moet worden of hetgeen ten aanzien van reisuren in de arbeidsovereenkomst is bepaald gunstiger is dan het daarover in de CAO bepaalde. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4276. Het ligt gelet op deze uitspraak op de weg van de werkgever om op deugdelijke wijze te onderbouwen dat een reisurenregeling wordt gehanteerd die in ieder geval gelijkwaardig is aan de CAO. Guts heeft weliswaar aangevoerd dat zij haar (karwei)medewerkers (fors) boven cao normen uitbetaalt, maar hiermee kan de franchise-aftrek naar het oordeel van de kantonrechter niet worden verklaard. Hiervoor is al overwogen dat niet is gebleken dat reiskosten (deels) verdisconteerd zijn in het salaris van de (karwei)medewerkers. Verder valt uit de toelichting van Guts op te maken dat er beleidskeuzes aan de inschaling ten grondslag liggen (behoud van in de branche schaarse medewerkers). Guts heeft naar het oordeel van de kantonrechter dan ook onvoldoende onderbouwd dat de door haar gehanteerde reisurenregeling met franchise-aftrek gunstiger is dan, of in ieder geval gelijkwaardig is aan de reisurenregeling van artikel 44 CAO.

4.6.

Als laatste verweer heeft Guts verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht (ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ1652), waarin de feitelijke situatie bij deze werkgever vergelijkbaar was met de feitelijke situatie van [eiser sub 2] bij Guts. In deze uitspraak is geoordeeld dat de werkgever het normale woon-werkverkeer redelijkerwijs op 60 minuten per dag mocht stellen en dat de werkgever door één uur reistijd per dag voor rekening van de werknemer te laten, niet in strijd met artikel 44 van de CAO heeft gehandeld.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om deze uitspraak te volgen. Zij is van oordeel dat er in elk geval in de aan haar voorgelegde zaak geen sprake is van woon-werkverkeer. [eiser sub 2] en de overige karweimedewerkers van Guts gaan immers direct van hun woonadres/standplaats naar een karwei. Woon-werkverkeer moet worden onderscheiden van reisuren, zoals die zijn gedefinieerd in de CAO. Door een franchise-aftrek toe te passen op de reisuren, onthoudt Guts [eiser sub 2] en haar overige karweimedewerkers een deel van hun vergoeding voor reisuren waarop zij krachtens de CAO recht hebben.

4.7.

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat het franchise-beding zoals opgenomen in artikel 3.5. van de individuele arbeidsovereenkomsten, met bijlage (in het geval van [eiser sub 2] ) of met verwijzing naar het personeelshandboek (voor medewerkers die later in dienst zijn gekomen) in strijd is met artikel 44 CAO en nietig is op grond van artikel 12 lid 1 Wet CAO.

Verklaring voor recht

4.8.

Slotsom is dat de verklaring voor recht, zoals gevorderd door FNV en [eiser sub 2] onder A. toewijsbaar is.

Vorderingen van FNV jegens Guts

4.9.

Allereerst dient het beroep van Guts op verjaring van een deel van de door FNV gevorderde vergoedingen te worden beoordeeld.

Guts stelt dat FNV de exacte hoogte van de vordering pas bij dagvaarding kenbaar heeft gemaakt, zodat met terugwerkende kracht vorderen van vergoedingen slechts vanaf 5 jaar vóór 21 januari 2020 mogelijk kan zijn, dus op zijn vroegst vanaf 21 januari 2015.

Dit beroep op verjaring wordt verworpen. Immers, de verjaring van een rechtsvordering wordt op grond van het bepaalde in artikel 3:317 BW gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt. FNV heeft Guts bij brief van 27 juni 2019 een dergelijke schriftelijke aanmaning gestuurd, waarin zij de verjaring van de gevorderde vergoedingen als volgt heeft gestuit:

Met deze brief wordt beoogd de verjaring van de vorderingen tot betaling van de reisurenvergoeding ex artikel 44 CAO collectief ten behoeve van alle betrokken werknemers te stuiten ”.

Verstrekken overzicht en correcte berekening

4.10.

De vordering van FNV om Guts te veroordelen tot nakoming, met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2014, van artikel 44 CAO jegens haar (ex)buitendienstmedewerkers bij wie hun woonplaats is aangemerkt als standplaats is toewijsbaar, in de zin dat:

(1) Guts aan hen een overzicht dient te verstrekken van de sinds 1 juli 2014 tot 1 januari 2020 ten onrechte ingehouden reisuren en (2) Guts hen een correcte berekening dient te verstrekken van het bedrag aan reisuren ex artikel 44 CAO dat over de periode van 1 juli 2014 tot 1 januari 2020 ten onrechte niet is uitgekeerd.

Iedere karweimedewerker van Guts heeft zo de mogelijkheid om op basis van alle relevante feiten, zijn individuele belang daarbij inbegrepen, een afgewogen keuze te maken (net andere woorden: je moet weten waar je ja of nee tegen zegt).

Uitbetalen berekende bedrag, verhoogd met wettelijke verhoging en wettelijke rente

4.11.

De vordering van FNV onder (3) om Guts te veroordelen het berekende bedrag aan haar (ex)buitendienstmedewerkers uit te betalen, is slechts deels toewijsbaar.

Aan de veroordeling van Guts tot nakoming van de CAO-bepaling dient in ieder geval het voorbehoud verbonden te worden dat het moet gaan om werknemers die daar aanspraak op kunnen en willen maken.

De kantonrechter sluit daarmee aan bij het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2018 (ECLI:NL:HR:2018:980), rechtsoverweging 3.4, waarnaar Guts in haar conclusie van antwoord heeft verwezen. De Hoge Raad overweegt daarin als volgt:

3.4 (…) Een werknemersorganisatie die partij is bij een cao, kan als contractspartij uit eigen hoofde nakoming vorderen van in die cao opgenomen verplichtingen van een werkgever. Die vordering kan gericht worden zowel tegen een werkgeversorganisatie die partij is bij een cao als, op grond van artikel 9 Wet CAO, tegen individuele leden daarvan. Daarvoor is niet vereist dat er werknemers zijn die zich hebben verzet of die bezwaar hebben gemaakt tegen de handelwijze van hun werkgever. Als contractspartij heeft de werknemersorganisatie immers een eigen belang bij en recht op nakoming, zoals mede tot uitdrukking komt in art. 8 lid 1 en art. 9 Wet CAO. Uit HR 19 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2532, NJ 1998/403 (CNV/Pennwalt) kan niet iets anders worden afgeleid. Uit dat arrest volgt slechts dat een eventuele toewijzing van de nakomingsvordering alleen betrekking kan hebben op de nakoming van een verplichting van een werkgever jegens werknemers die daarop aanspraak kunnen en willen maken. Blijkens genoemd arrest moet die clausulering tot uitdrukking gebracht worden in het dictum van de uitspraak, indien daarin een werkgever veroordeeld tot het verrichten van een prestatie jegens zijn werknemers.

4.12.

De stelling van FNV tijdens de mondelinge behandeling, dat het uitgangspunt is dat leden geheel gebonden zijn aan de cao, dus aan alle vruchten en nadelen, en dat er geen sprake is van keuzevrijheid, gaat de kantonrechter te ver en deze stelling is ook niet goed te rijmen met het hiervoor aangehaalde arrest. Het gevolg van een ongeclausuleerde toewijzing kan zijn dat individuele werknemers iets wordt opgedrongen waarop ze (om hun moverende redenen) geen prijs stellen. In het hier voorliggende geval is voorstelbaar dat individuele werknemers het (niet ondenkbare) gevaar van baanverlies niet vinden opwegen tegen het verkrijgen van een (restant) reisurenvergoeding. Dat individuele werknemers gebonden zijn aan de cao brengt naar het oordeel van de kantonrechter niet noodzakelijkerwijs met zich mee dat het hen niet is toegestaan om van een hen toekomend recht afstand te doen. De in dit geval spelende omstandigheden illustreren naar het oordeel van de kantonrechter het gerechtvaardigde belang van die individuele werknemers bij een mogelijkheid om van een hen toekomende aanspraak af te zien. Ook FNV heeft namelijk onderkend dat Guts in zware financiële problemen kan komen als gevolg van de uitkomst van deze procedure en verder heeft Guts voldoende onderbouwd dat een groot deel van haar karweimedewerkers (81,4%) tevreden is over de huidige reisurenregeling.

4.13.

Kortom, de vordering van FNV onder (3) om Guts te veroordelen om het berekende bedrag aan haar (ex)buitendienstmedewerkers uit te betalen zal geclausuleerd worden toegewezen, dus slechts voor zover (ex)buitendienstmedewerkers daarop aanspraak kunnen en willen maken.

4.14.

De gevorderde wettelijke verhoging over de hiervoor genoemde te berekenen bedragen zal op nihil worden gesteld, nu geen sprake is van een prikkel tot nakoming. Immers, afgezien van [eiser sub 2] is nog niet gebleken van enige aanspraak van individuele medewerkers op onterecht ingehouden reisuren.

4.15.

Voor zover (ex)buitendienstmedewerkers op het voor hen berekende bedrag aan reisurenvergoeding aanspraak kunnen en willen maken, is de gevorderde wettelijke rente en de verstrekking van een bruto-/nettospecificatie wel toewijsbaar.

Correct naleven van artikel 44 CAO zonder inhouding van een franchise van 1 uur per dag vanaf 1 januari 2020

4.16.

De vordering van FNV onder (4) om Guts te veroordelen vanaf 1 januari 2020 jegens haar buitendienstmedewerkers artikel 44 CAO correct na te leven, dus zonder inhouding van een franchise van 1 uur per dag tot het moment dat hun arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd is, is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter het opleggen van een dwangsom (nog) niet nodig vindt. Guts heeft er nimmer blijk van gegeven dat er geen bereidwilligheid zou zijn om een gerechtelijk vonnis na te leven. Verder beschikt FNV over voldoende wettelijke bevoegdheden om toe te zien op de naleving van cao-afspraken en indien nodig overgaan tot handhaving (artikelen 15 tot en met 17 van de Wet CAO en artikel 3 van de Wet AVV.

Vorderingen van [eiser sub 2] jegens Guts

Niet uitbetaalde reisurenvergoeding ex art. 44 CAO

4.17.

Tijdens de mondelinge behandeling is vastgesteld dat de vordering van [eiser sub 2] aldus is berekend dat per week gekeken is hoeveel dagen er door [eiser sub 2] gewerkt zijn en per gewerkte dag is er één uur franchise berekend. Dit is vervolgens vermenigvuldigd met het uurloon dat van toepassing is op de reisuren, namelijk 0,607% van het bruto maandsalaris.

De berekening begint vanaf periode 3 van 2014 (week 6), terwijl de vergoeding wordt ingesteld vanaf 1 juli 2014 (week 27, de laatste week van periode 7). De berekening dient derhalve te worden aangepast in die zin dat het bedrag aan niet uitbetaalde reisurenvergoeding moet worden verminderd met het berekende bedrag aan vergoeding vanaf week 6 tot 1 juli 2014 (dat viel in week 27). In die week is blijkens het overzicht van [eiser sub 2] (productie 25 bij dagvaarding) vanwege vakantie van [eiser sub 2] door Guts geen franchise berekend. De niet uitbetaalde reisurenvergoeding kan dus worden berekend vanaf periode 8 van 2014 (week 28). FNV en [eiser sub 2] hebben ter zitting erkend dat de eerste helft van 2014 ten onrechte in hun berekening is meegenomen.

Met betrekking tot de vordering van [eiser sub 2] onder (C) betekent dit concreet het volgende.

Het gevorderde bedrag van € 23.779, 03 bruto, dient verminderd te worden met een bedrag van € 2003,23. Dit is het totaalbedrag aan ingehouden franchise over de periode 3 tot en met periode 7 (€ 406,73 over periode 3 + € 321,10 over periode 4 + € 513,76 over periode 5 +
€ 513,76 over periode 6 + € 256,88 over periode 7 = in totaal € 2003,23).

Aan ten onrechte niet uitbetaalde reisurenvergoeding ex artikel 44 CAO over week 27 van 2014 tot en met week 26 van 2019 is dus - uitgaande van het door [eiser sub 2] als productie 25 verstrekte overzicht - toewijsbaar een bedrag van: € 23.779,03 bruto – € 2003,23 bruto =
€ 21.775,80 bruto.

4.18.

Guts heeft aangevoerd dat het verstrekte overzicht van [eiser sub 2] niet juist is, omdat bij de franchise aftrek gekeken wordt naar de werkelijke reistijd van de eerste en laatste werklocatie: is dit minder dan één uur, dan wordt er ook minder dan één uur franchise in mindering gebracht. Hiermee wordt door [eiser sub 2] in zijn berekening geen enkele rekening gehouden, aldus Guts. Zij verwijst daarbij naar een overzicht van teveel meegenomen franchise-aftrek (productie VII bij conclusie van antwoord), waaruit blijkt dat dit gaat over 16 uren. De kantonrechter zal dit verweer van Guts passeren. Het overzicht dat het gelijk van Guts zou moeten onderbouwen, is volstrekt niet inzichtelijk. Aangezien in de regeling die Guts heeft uitgevoerd is vermeld dat er op werkdagen 1 uur franchise per dag geldt (en niet maximaal 1 uur per dag), moet er vanuit worden gegaan dat er in de praktijk ook een aftrek van 1 uur per dag heeft plaatsgevonden. Als dat niet het geval zou zijn, ligt het op de weg van Guts om inzichtelijk te maken op welke dagen een lagere franchise in aftrek is gebracht. Daarin is zij tekort geschoten.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

4.19.

De door [eiser sub 2] onder (D) gevorderde betaling van wettelijke verhoging is slechts deels toewijsbaar. In de eerste plaats heeft [eiser sub 2] zijn aanspraak pas in april 2018 onder de aandacht van Guts gebracht. Daarvoor heeft niemand aanspraak gemaakt op niet uitbetaalde reisurenvergoeding en ook is de legitimiteit daarvan nooit ter discussie gesteld. Na die datum heeft zich een discussie ontsponnen die een principiëel karakter had, waarbij Guts zich erop heeft beroepen dat zij ten opzichte van haar branche niet afwijkend handelt. De gevorderde wettelijke verhoging zal dan ook gematigd worden en billijkheidshalve op 10% worden gesteld.

4.20.

Als niet, althans onvoldoende betwist, is de door [eiser sub 2] onder (E) gevorderde wettelijke rente toewijsbaar.

Correct naleven jegens [eiser sub 2] van artikel 44 CAO vanaf week 27 van 2019

4.21.

De vordering van [eiser sub 2] om jegens hem artikel 44 CAO correct na te leven vanaf week 27 van 2019, is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter het opleggen van een dwangsom (nog) niet nodig vindt. Guts heeft er nimmer blijk van gegeven dat er geen bereidwilligheid zou zijn om een gerechtelijk vonnis na te leven. Verder beschikt FNV over voldoende wettelijke bevoegdheden om toe te zien op de naleving van cao-afspraken en indien nodig overgaan tot handhaving (artikelen 15 tot en met 17 van de Wet CAO en artikel 3 van de Wet AVV.

Vorderingen van FNV en [eiser sub 2] jegens Guts

4.22.

De door eisers gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn slechts deels toewijsbaar. De kantonrechter zal bij toepassing van het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten de geldelijke vordering van [eiser sub 2] (€ 21.775,80 bruto wegens niet betaalde reisuren) als uitgangspunt nemen. Toegewezen zal worden een bedrag van € 992,76 en niet het maximale tarief aan buitengerechtelijke incassokosten, zoals door eisers gevorderd. FNV heeft onvoldoende onderbouwd dat zij, naast werkzaamheden ten behoeve van de vordering van [eiser sub 2] , andere buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. Buitengerechtelijke kosten zijn slechts toewijsbaar indien zij de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. Gesteld noch gebleken is dat FNV ten behoeve van de overige (ex)karwei medewerkers van Guts extra kosten heeft gemaakt en evenmin is gesteld of gebleken dat de hoogte van de gevorderde kosten redelijk is.
Ook de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat deze slechts toewijsbaar is vanaf de dag waarop deze kosten zijn voldaan. Niet gesteld of gebleken is dat deze kosten al daadwerkelijk door [eiser sub 2] zijn betaald.

4.23.

Guts zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, die zullen worden begroot op een bedrag dat onder de beslissing is opgenomen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat gedurende de AVV-perioden ten aanzien van alle buitendienstmedewerkers van Guts en, buiten de AVV-perioden, ten aanzien van de gebonden buitendienstmedewerkers van Guts, bij wie hun woonplaats hun standplaats is, de regeling zoals opgenomen in art. 3.5. van het Personeelshandboek van Guts, inhoudende dat op de werkdagen van maandag t/m vrijdag een franchise van 1 uur per dag op de reisuren in mindering wordt gebracht, in strijd is met art. 44 CAO en daarom op grond van art. 12 Wet CAO nietig is;

veroordeelt Guts tot nakoming, met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2014, van art. 44 CAO jegens haar (ex-)buitendienstmedewerkers, bij wie hun woonplaats is aangemerkt als de standplaats, in de zin dat:

(1) Guts aan hen een overzicht verstrekt van de sinds 1 juli 2014 tot 1 januari 2020 ten onrechte ingehouden reisuren;

(2) Guts hen een correcte berekening verstrekt van het bedrag aan reisuren ex art. 44 CAO dat over de periode van 1 juli 2014 tot 1 januari 2020 ten onrechte niet is uitbetaald;

(3) Guts - voor zover (ex)buitendienstmedewerkers op het voor hen berekende bedrag aan reisurenvergoeding aanspraak kunnen en willen maken - het berekende bedrag aan hen uitbetaalt, verhoogd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata tot aan de datum der voldoening, dit met gelijktijdige vertrekking aan hen van een bruto-/netto-specificatie;

(4) Guts art. 44 CAO vanaf 1 januari 2020 jegens de buitendienstmedewerkers correct naleeft, dat wil zeggen zonder inhouding van een franchise van 1 uur per dag, dit tot het moment dat hun arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd;

stelt - voor zover (ex)buitendienstmedewerkers op het voor hen berekende bedrag aan reisurenvergoeding aanspraak kunnen en willen maken - de wettelijke verhoging op nihil;

veroordeelt Guts tot betaling aan [eiser sub 2] van een bedrag van € 21.775,80 bruto als ten onrechte niet uitbetaalde reisurenvergoeding ex art. 44 CAO over de periode van 1 juli 2014 t/m week 26 van 2019, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de vervaldata tot aan de datum der voldoening en vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 10%;

veroordeelt Guts tot nakoming jegens [eiser sub 2] van art. 44 CAO vanaf week 27 van 2019;

veroordeelt Guts tot betaling aan eisers van een bedrag van € 1.012,99 wegens buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt Guts tot betaling van de kosten van de procedure, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op € 106,47 aan explootkosten, € 996,00 aan griffierecht en € 960,00 (2 punten ad € 480,00) als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis, waar het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2020.