Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7843

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2657
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Indeling cross-safe, een geconfectioneerd gevarenkruis.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Douanerechtspraak 2016/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 14/2657

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 september 2015 in de zaak tussen

[X] BV, gevestigd te [Z] , eiseres

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een bindende tariefinlichting (hierna: bti) met BTI-referentie NL RTD [#] verstrekt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 december 2012 het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 22 november 2013 is het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, is de uitspraak op bezwaar vernietigd en is verweerder opdracht gegeven een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 mei 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2015 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen [A] en [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [C] en mr. [D] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 10 april 2012 een aanvraag ingediend voor een bti. In de aanvraag wordt de Crossafe, artikelnummer [e] (hierna: het product), als volgt omschreven:

“Een geconfectioneerd artikel dat in de vorm van een kruis aaneengenaaid is, hetgeen kan worden gebruikt bij autopech als een waarschuwingsartikel, gereed voor de verkoop in het klein, met de volgende kenmerken:

- elastisch materiaal voorzien van zwart geweven band met klittenband;

- met reflecterend tape bedrukt

- met etui voorzien van waarschuwingslabels en gebruiksaanwijzing.”

Eiseres verzoekt om indeling van het product onder goederencode 5604 10 00.

2. Verweerder heeft op 12 juni 2012 de bti verstrekt. Verweerder deelt het product in onder goederencode 6307 90 10. Bij de omschrijving van het goed staat het volgende:

“Een gevarenkruis met onder andere de volgende kenmerken:

- een geconfectioneerd artikel;

- in de vorm van een kruis met aan de uiteinden klittenband;

- van gebreide synthetische vezels;

- elastisch;

- bedrukt met een reflecterende streep;

- met een breedte van 5 cm;

- 2 banden met afmetingen van ongeveer 51 x 5 cm, met een reflecterende streep.

Het artikel kan worden gebruikt bij autopech als een waarschuwingsartikel. Het artikel is verpakt in een tasje van een kunstmatig weefsel dat afgesloten wordt met een ritssluiting.”

3. Naar aanleiding van een eerdere aanvraag voor een bti voor het product heeft het Douane Laboratorium een monster van het product onderzocht en in een brief van 21 april 2011 het volgende advies uitgebracht:

“Bevindingen: Een reflecterende band bestaande uit breiwerk met daardoorheen lopende parallel lopende elastische draden. Op het moment dat de elastische draden eruitgehaald worden valt het breiwerk uiteen.

Kenmerk Bevinding

uiterlijk stuk reflecterende band

materiaal breiwerk met daardoorheen parallel lopende witte elastische draden

soort breiwerk synthetisch

vervaardigingswijze breiwerk polyester

soort draden rubber

Beschouwing ten aanzien van de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur:

Het monster betreft een reflecterende band gemaakt van een breiwerk van synthetische textielvezels van polyester. De daardoorheen parallel lopende elastische draden zijn gemaakt van rubber.

GN-code

Adviesgoederencode: 6307.9010 (…)”

Geschil
4. In geschil is de indeling van het product in de gecombineerde nomenclatuur (hierna: GN). Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat het product dient te worden ingedeeld onder post 8708. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat het product dient te worden ingedeeld onder goederencode 6307 90 98. Meer subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat het product dient te worden ingedeeld onder goederencode 5906 91 00. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het product dient te worden ingedeeld onder goederencode 6307 90 10.

Beoordeling van het geschil

5. De relevante teksten van de GN (tekst 2012) luiden als volgt:

Aantekening 7 op afdeling XI (hoofdstuk 50 tot en met 63) van de GN luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Voor de toepassing van deze afdeling worden aangemerkt als ‘geconfectioneerd’:

(…)

f) artikelen die zijn aaneengenaaid, aaneengelijmd of anderszins aaneengezet (met uitzondering van stukken van eenzelfde soort textiel, die aan de uiteinden zijn aaneengehecht teneinde een stuk met een grotere lengte te verkrijgen en met uitzondering van stoffen die bestaan uit twee of meer op elkaar gelegde en daarna aaneengestikte lagen textiel, ook indien met een tussenlaag van watten);

(…)”

Aantekening 8 op afdeling XI luidt van de GN als volgt:

“Voor de toepassing van de hoofdstukken 50 tot en met 60:

a. hebben de hoofdstukken 50 tot en met 55 en 60 en, voor zover uit de context niet het tegendeel blijkt, de hoofdstukken 56 tot en met 59 geen betrekking op artikelen die, volgens aantekening 7 hiervoor, als geconfectioneerd zijn aan te merken;

b. de hoofdstukken 50 tot en met 55 en 60 omvatten geen artikelen bedoeld bij de hoofdstukken 56 tot en met 59.”

Goederencode 5906 91 00 luidt als volgt:

“5906 Gegummeerde weefsels, andere dan die bedoeld bij post 5902:

(…)

– andere

5906 91 00 – – van brei- of haakwerk”

Goederencodes 6307 90 10 en 6307 90 98 luiden als volgt:

“6307 Andere geconfectioneerde artikelen, patronen voor kleding daaronder begrepen:

(…)

6307 90 – andere

6307 90 10 – – van brei- of haakwerk

– – andere:

(…)

– – – andere:

(…)

6307 90 98 – – – – andere”

Post 8708 luidt als volgt:

“8708 Delen en toebehoren van motorvoertuigen bedoeld bij de posten 8701 tot en met 8705:”

6. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ), dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen zoals deze in de tekst van de post zijn omschreven. De door de Commissie vastgestelde toelichtingen op de GN en de in het kader van de Werelddouaneorganisatie uitgewerkte toelichtingen op het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: GS) zijn, hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.

7. De rechtbank is van oordeel dat het primaire standpunt van eiseres faalt. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat het product niet voldoet aan de door verweerder aangehaalde, in de jurisprudentie van het HvJ uitgewerkte definitie van het begrip ‘toebehoren’. Eiseres doet in wezen een beroep op het gelijkheidsbeginsel, aangezien zij ter onderbouwing van dit standpunt wijst op de lijst met bti’s die in haar pleitnota is opgenomen. Indien deze goederen een toebehoren zijn van een motorvoertuig, dan is het product dat ook, zo begrijpt de rechtbank eiseres. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel, wat daarvan verder zij, faalt reeds omdat de goederen in de hiervoor bedoelde lijst geen gelijke gevallen zijn. De objectieve kenmerken en eigenschappen, die beslissend zijn voor de indeling in de GN, van het product zijn anders dan die van de in de lijst opgenomen goederen.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat het product geconfectioneerd is. Indeling in de hoofdstukken 50 tot en met 60 van de GN is dan, uitzonderingen daargelaten, niet mogelijk gelet op de onder 5 opgenomen aantekeningen. Tussen partijen is wat betreft het subsidiaire standpunt van eiseres dan ook in geschil of het product van brei- of haakwerk is (verweerder) of andere (eiseres). Uit het onder 3 opgenomen rapport van het Douane Laboratorium kan worden afgeleid dat het product van breiwerk is. Volgens informatie van eiseres wordt het product gemaakt op een speciaal soort breimachine, namelijk een Kettenwirkmaschine mit Schusseintrag, een Raschelina RD3.8. Deze machine wordt op internet omschreven als “Crochet knitting machines with weft insertion” voor elastische en niet-elastische materialen. Deze machine is dus een brei-/haakmachine, waarbij een (in dit geval elastische) draad van rubber wordt ingeweven (de inslagdraad), waardoor een patroon ontstaat dat gelijkt op breiwerk. De rechtbank is van oordeel dat het product in wezen een brei- of haakwerk is, en dat de elastische draad die daar doorheen geweven wordt, onderdeel is van dit brei- of haakwerk. Dit blijkt ook uit het patroon dat verweerder bij het verweerschrift heeft gevoegd (bijlage 11). Het patroon lijkt niet op dat van een geweven stof. De conclusie is dat het gelijk aan verweerder is. Het product dient te worden ingedeeld onder goederencode 6307 90 10. De bti vermeldt dus de juiste goederencode voor het product.

9. Gelet op het onder 8 gegeven oordeel komt de rechtbank aan het meer subsidiaire standpunt van eiseres niet toe.

10. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. M.C.A. Onderwater en mr. M.C. van As, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.