Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:33

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-01-2022
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
16.140655.21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal strafbare feiten: alle gepleegd tegen of in relatie tot zijn (inmiddels) ex-partner. Verdachte heeft haar mishandeld en meermalen bedreigd met de dood. Daarnaast heeft verdachte een ruit van een woning vernield, teneinde zichzelf toegang tot deze woning te verschaffen waarin zijn ex zich op dat moment bevond. De rechtbank legt aan verdachte voor deze feiten een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op. De rechtbank ziet in dat het voor het terugbrengen van de kans op herhaling van belang is dat het (zorg)kader waarmee verdachte is gestart, wordt voortgezet. Dit maakt dat de rechtbank verdachte niet zal terugsturen naar de gevangenis. Wel vindt de rechtbank een stok achter de deur noodzakelijk met een aantal bijzondere voorwaarden. Verder legt de rechtbank aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op inhoudende een contactverbod met zijn ex.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.140655.21 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 januari 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1978] in [geboorteplaats] (België),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] in [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De strafzaak tegen verdachte heeft in het openbaar plaatsgevonden op de zittingen van 6 september 2021 (pro forma) en 27 december 2021 (inhoudelijke behandeling). Verdachte was bij de inhoudelijke behandeling aanwezig. Juridisch gezien is dus sprake van een procedure op tegenspraak.

De rechtbank heeft tijdens de zitting kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. C. Goedegebuure, en van dat wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. Engwegen, advocaat te Echt, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank gesproken met E. van der Pluijm, reclasseringsmedewerker, die ter terechtzitting als informant is gehoord. Ten slotte heeft de rechtbank geluisterd naar [A] , medewerker van Moviera, die namens aangeefster [slachtoffer] ter terechtzitting een schriftelijke slachtofferverklaring heeft voorgedragen.

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt verdachte ervan dat hij betrokken is geweest bij vijf strafbare feiten. Deze verdenkingen staan beschreven in de tenlastelegging. De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Kort gezegd, komen de verdenkingen er op neer dat verdachte:

Feit 1:

op 20 mei 2021 in Utrecht een ruit van de woning aan de [adres] heeft vernield;

Feit 2:

in de periode van 1 januari 2021 tot en met 20 mei 2021 in Utrecht [slachtoffer] en haar kinderen heeft bedreigd;

Feit 3:

op 13 maart 2021 in Utrecht twee cavia’s heeft gedood;

Feit 4:

in de periode van 1 december 2017 tot en met 31 december 2017 [slachtoffer] heeft mishandeld;

Feit 5:

op 28 mei 2021 in Utrecht in strijd heeft gehandeld met een gedragsaanwijzing.

3 VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing in de zaak van verdachte kan nemen, moet zij eerst onderzoeken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat alle feiten op de tenlastelegging wettig en overtuigend te bewijzen zijn.

Voor zover relevant worden de standpunten van de officier van justitie verder besproken onder het oordeel van de rechtbank.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat verdachte de ruit heeft vernield (feit 1) in een noodweer(exces-)situatie. In de visie van de raadsman moet verdachte van dit feit dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer] en haar kinderen (feit 2), het doden van de cavia’s (feit 3), de mishandeling van [slachtoffer] (feit 4) en de overtreding van de gedragsaanwijzing (feit 5) bepleit de raadsman de integrale vrijspraak van verdachte.

Voor zover relevant worden de standpunten van de raadsman verder besproken onder het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

4.3.1

Vernieling (feit 1)

4.3.1.1 Het bewijs

Verdachte bekent dat hij dit feit op de tenlastelegging heeft gepleegd. Daarnaast vraagt de raadsman van verdachte de rechtbank niet om verdachte van dit feit vrij te spreken. Om deze reden schrijft de rechtbank niet uit wat in de bewijsmiddelen staat opgenomen, maar worden de bewijsmiddelen enkel opgesomd. De rechtbank verwijst met voetnoten naar de plaats in het dossier waar de bewijsmiddelen te vinden zijn.

1. De aangifte van [slachtoffer] .2

2. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 27 december 2021.3

4.3.1.2 Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Noodweer(exces-)situatie

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte de ruit heeft vernield vanuit een paniekreactie. Daartoe voert de raadsman aan dat verdachte naar de woning is gegaan en aldaar constateerde dat de gordijnen dicht zaten en dat het nachtlampje van zijn kinderen niet brandde. Verdachte zag mensen lopen en klopte op het raam. Toen vervolgens niet werd gereageerd, heeft verdachte het raam ingeslagen en is hij de woning binnen gegaan. In de visie van de raadsman is sprake van een noodweer(exces-)situatie en dient de rechtbank verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van het beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, een viertal elementen van belang is. Voor een geslaagd beroep op noodweer moet sprake zijn van i) een verdediging(swil) tegen ii) een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, die iii) het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed betreft, welke verdediging iv) noodzakelijk en proportioneel was.

Voorts overweegt de rechtbank dat voor een geslaagd beroep op noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, vereist is dat sprake is van een hevige gemoedsbeweging die het directe gevolg is van deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed.

De rechtbank vindt dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een situatie waarin verdachte zich moest (en mocht) verdedigen tegen een onmiddellijk gevaar. Dit gevaar was er immers niet, de verdachte heeft slechts aangevoerd dat hij bang was voor een dergelijke aanranding. Naar het oordeel van de rechtbank kan de enkele vrees voor een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding niet resulteren in een geslaagd beroep op noodweer of noodweerexces. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

4.3.2

Bedreiging (feit 2)

4.3.2.1 Het bewijs

In de aangifte van [slachtoffer] valt – onder meer – het volgende te lezen.4

Sinds wij uit elkaar zijn dus krijg ik geregeld dreig-appjes. In deze appjes bedreigt hij mij dat hij bij mij en de kinderen wel een kogel door ons hoofd zou knallen of dat ik zou branden. Ook stuurt hij dat ik nooit veilig zou zijn en dat hij mij altijd zou vinden. Ik ben gewoon echt doodsbang voor hem om alles wat ik met hem mee heb gemaakt.

In de bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] staat – onder meer – het volgende.5

Begin maar een ander huis te zoeken bitch met altijd de zelfde reactie. En verwacht alleen dat ik een andere reactie heb bij jouw vieze vuile platte gezicht. Ik betaal iemand die je neer steekt.6

Pas maar op met uw berichten van ik reageer niet. Watch the fuck out. Watch The fuck out. Er is nergens waar ge je kunt verstoppen. Ik als ik beslis om wraak te nemen. Voor al uw verraad en fake liefde. Zal ik wraak nemen. Duivel. Ik heb geen schrik. Geen angst. Watch the fuck out. Ik pak alles af van wat er van u nog overblijft.7

Ik ga je iets geven om in te geloven waar ge altijd hebt in gelooft. Mijn zwarte kant. Geloven in mijn cavia motherfucking killer kant.8

Maar de grote gevechten, daar maak ik je af. Die dat er echt toe doen, ik ga geen genade hebben. Ik vervloek je. Schijnheilige. Geen enkel groot gevecht! En daarom ga ik je vroeg of laat opruimen.9

Nee, we gaan niet verder. We gaan vechten. Tot ik a. In de gevangenis zit, b. Dood ben. Alleen nog maar vechten. Vanaf nu. Je gaat eraan.10

Plan A was kom naar huis en rust, plan b is blijf weg en vecht. Het gevecht is begonnen. Vanaf is niets meer gezond. Fuck you [slachtoffer] . Jij bent een duivel. Cavia's zijn dood, ik laat ze hier liggen. Morgen gaan we rusten of vechten?11 Allah moge hun ziel hebben, hun kadavers, zult je ik de kooi vinden. Ik heb moeder de kans gegeven voor optie A, we gaan verder met optie B, ik moet je kwijt. Ik ga nu beginnen. Bijner volgend bericht weet ge dat ze dood zijn.12 La illaha illah. Gij hebt voor jezelf, niet je kinderen, ik haat je.13 Cavia’s afslachten hoort bij optie B, er is geen weg terug.14

Bitch duivel hoer. De helft van dat geld is van wie? 1 ding ik wil daar niet over praten. Praat erover en bloed. Stuur geld zoals vermeld, alleen Alladin niet. Betalen of bloed. Erover praten of bloed. En ik kom bloed geven.15

Uw dood komt altijd ongelegen.16

En ik zeg: als ge er nu niet snel een eind aan maakt, schiet ik iedereen, inclusief de kinderen een kogel door zijn kop, en is de laatste kogel voor mij.17

Stuur de e-mails, maak mij een concept e-mail, of krijg een kogel door de kop.18

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de persoon is geweest die bovenstaande berichten aan aangeefster heeft verstuurd.19

4.3.2.2 Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Momenten waarop de berichten zijn verstuurd

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken moet worden van de diverse als bedreiging ten laste gelegde bewoordingen. De raadsman vindt dat geen gedegen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de momenten waarop de berichten door verdachte aan [slachtoffer] zijn verstuurd. Volgens de raadsman had dit onderzoek wel moeten plaatsvinden, nu het Openbaar Ministerie een specifieke periode heeft ten laste heeft gelegd waarin de bewoordingen zijn geuit.

De rechtbank constateert dat verbalisanten aan [slachtoffer] hebben gevraagd of zij – aanvullend op de eerder door haar toegezonden screenshots – duiding kan geven aan de momenten waarop de berichten van verdachte zijn ingekomen. [slachtoffer] heeft op 2 juni 2021 handmatig de data en tijdstippen waarop de berichten zijn ingekomen, toegevoegd aan de screenshots. De rechtbank ziet geen reden om de authenticiteit van de handmatige toevoeging in twijfel te trekken. Het proces-verbaal van bevindingen met daarop de handmatig toegevoegde data en tijdstippen waarop de berichten van verdachte zijn ingekomen, kan (en zal) dan ook voor het bewijs gebruikt worden.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is – met de raadsman – van oordeel dat de onder het negende gedachtestreepje ten laste gelegde uiting is gedaan op 5 december 2019. Dit bericht valt derhalve buiten de ten laste gelegde periode, zodat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van dit onderdeel van feit 2. Daarnaast constateert de rechtbank dat het ‘oudste’ bericht binnen de ten laste gelegde periode op 12 maart 2021 is verstuurd. Het dossier bevat verder geen bewijs dat verdachte zich bedreigend heeft uitgelaten tegenover [slachtoffer] en/of haar kinderen in de periode voorafgaande aan 12 maart 2021. Het ‘jongste’ bericht dateert van 11 mei 2021. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onder feit 2 ten laste gelegde periode dient aan te vangen op 12 maart 2021 en dient te eindigen op 11 mei 2021. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken voor het meer ten laste gelegde.

Redelijke vrees

De raadsman stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de door verdachte gestuurde berichten niet zodanig bedreigend van aard zijn geweest dat bij [slachtoffer] in redelijkheid de vrees kan zijn ontstaan dat verdachte de bedreigingen ten uitvoer zou leggen. Verdachte heeft, naar eigen zeggen, de uitlatingen gedaan in een zakelijke context en zijn berichten gericht tegen [slachtoffer] ‘als rechtspersoon’. Volgens de raadsman zijn de gestuurde berichten te algemeen en dient verdachte dan ook vrijgesproken te worden van de ten laste gelegde bedreiging.

Allereerst overweegt de rechtbank dat voor een veroordeling ter zake bedreiging, als bedoeld in artikel 285, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, vereist is dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kan ontstaan dat verdachte de bedreigingen ten uitvoer zou leggen. Daartoe is van belang dat de beoordeling van het vereiste van “redelijke vrees” is geobjectiveerd. Niet vereist is immers dat het opzet van verdachte ook gericht is op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de bedreiging. Met andere woorden: bij de beoordeling van de vraag naar de “redelijke vrees” is niet relevant of verdachte – zoals bijvoorbeeld in onderhavig geval – ook daadwerkelijk het opzet heeft om [slachtoffer] of haar kinderen iets aan te doen. Voor een strafbare bedreiging is voldoende dat de uitlating in zijn algemeenheid geschikt is om de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid te weeg te brengen.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die – minus de uitlating onder het negende gedachtestreepje – de ten laste gelegde uitlatingen in de ten laste gelegde periode aan [slachtoffer] heeft verstuurd. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlatingen van verdachte, in de gegeven omstandigheden, bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven van [slachtoffer] en de kinderen opleveren. Bij deze conclusie is de vraag naar de context waarin de uitlatingen zijn gedaan dus minder van belang. Gelet echter op de gegeven omstandigheden, te weten de omstandigheid dat verdachte (als echtgenoot) alles over het reilen en zeilen van het persoonlijke leven van [slachtoffer] weet, alsmede de omstandigheid dat verdachte en [slachtoffer] ook in zakelijk opzicht aan elkaar verbonden zijn, is het – juist in deze specifieke context tussen verdachte en [slachtoffer] – redelijkerwijs voorstelbaar dat bij [slachtoffer] de vrees is ontstaan dat verdachte de bedreigingen ten uitvoer zou leggen.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

4.3.3

Vernieling (feit 3)

4.3.3.1 Het bewijs

In de aangifte van [slachtoffer] valt – onder meer – het volgende te lezen.20

Ik doe aangifte van vernieling. Mijn ex-partner heeft in 2021 onze twee cavia’s gedood. Deze twee cavia’s waren van onze dochters.

In de bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] staan – onder meer – de volgende berichten van verdachte aan [slachtoffer] .21

Vanaf nu ga jij mij haten, ge gaat getuige zijn van iets gruwelijks. Jij hebt mij al eerder dood gemaakt,…. Ik ga die cavia’s niet loslaten… Ik ga ze slachten.22

Cavia’s afslachten hoor bij optie B,… er is geen weg terug.23

Allah moge hun ziel hebbe,… hun kadavers,… zult je ik de kooi vinden… Ik ga nu beginnen,… bijnwer volgende bericht,… weet ge dat ze dood zijn.24

Gij hebt voor jezelf,… niet je kinderen,…. Ik haat je.

(de rechtbank constateert op een toegestuurde foto bij dit bericht: twee cavia’s die in een identieke positie, liggend op hun zij, op de grond liggen).25

Cavia’s zijn dood,… ik laat ze hier liggen.26

Tijdens zijn verhoor bij de politie27 en tijdens het onderzoek ter terechtzitting28 heeft verdachte – onder meer en zakelijk weergegeven – verklaard dat hij de cavia’s heeft gekocht om te beoordelen hoe zijn kinderen om zouden gaan met huisdieren.

4.3.3.1 Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Alternatief scenario

Verdachte ontkent dat hij de cavia’s heeft gedood. Verdachte stelt zich op het standpunt dat hij de cavia’s in januari 2021 of februari 2021 heeft losgelaten in het Maximapark en dat de cavia’s om deze reden niet meer in het bezit van verdachte zijn. Verdachte heeft echter op 13 maart 2021 berichten aan [slachtoffer] gestuurd, inhoudende dat hij voornemens is om de cavia’s van het leven te beroven. Ook stuurt verdachte dan een filmpje van twee cavia’s die thans nog in leven zijn. Op grond van deze berichten komt de rechtbank tot het oordeel dat de alternatieve lezing van verdachte strijdig is met de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook onaannemelijk.

Civiel eigendomsrecht

De raadsman vindt dat uit de door verdachte aan [slachtoffer] toegestuurde foto niet blijkt dat de cavia’s niet meer in leven zijn. Als de rechtbank dat niet met de raadsman eens is, vindt de raadsman dat verdachte de feitelijke beschikkingsmacht had over de cavia’s en dus – vanwege het civiele eigendomsrecht – met de cavia’s mag doen en laten wat hij zelf wil.

Op basis van de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een andersluidende conclusie. Hoewel uit de meegestuurde foto – zoals de raadsman in beginsel terecht betoogt – niet ontegenzeggelijk blijkt of de cavia’s (al dan niet) in leven zijn, stuurt verdachte zelf aan [slachtoffer] het bericht dat de cavia’s dood zijn. Het feit dat de cavia’s dood zijn, wordt ondersteund door de meegestuurde foto en de aangifte van [slachtoffer] , alsmede door het feit dat de cavia’s niet meer in het bezit van verdachte zijn.

De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte de cavia’s heeft gedood. Ten aanzien van het verweer, strekkende tot vrijspraak van verdachte, dat verdachte het civiele eigendomsrecht over de cavia’s zou hebben en hij dus mag doen met de cavia’s wat hem goeddunkt, overweegt de rechtbank het volgende.

Aan verdachte is de vernieling van een tweetal cavia’s ten laste gelegd, als bedoeld in artikel 350, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. Onder dit artikel is strafbaar hij die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt.

De rechtbank stelt vast dat het verdachte is geweest die de cavia’s voor zijn kinderen heeft gekocht om te beoordelen in hoeverre zijn kinderen met huisdieren om konden gaan. Ook heeft verdachte verklaard dat hij en [slachtoffer] hebben gepraat over het al dan niet laten inslapen van de cavia’s omdat de kinderen bang zouden zijn geweest voor de cavia’s. Op basis van deze omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de cavia’s, op zijn minst ten dele, toebehoorden aan de kinderen van verdachte en (aan) [slachtoffer] . De kinderen waren immers eveneens belast met de zorg voor de cavia’s en [slachtoffer] praatte mee over het al dan niet laten inslapen van de dieren. Dat verdachte mogelijk heeft betaald voor de cavia’s, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andersluidende conclusie.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

4.3.4

Mishandeling (feit 4)

4.3.4.1 Het bewijs

In de aangifte van [slachtoffer] valt – onder meer – het volgende te lezen.29

Ik voel mij enorm bedreigd omdat hij mij al meerdere keren geslagen heeft. Ik kan niet vertellen hoe vaak ik in de afgelopen 22 jaar geslagen ben het is niet bij te houden.

In een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] valt – onder meer – het volgende te lezen.30

Ik hoorde dat aangeefster [slachtoffer] mij het volgende verklaarde:

o Dat zij in december 2017 ernstig was mishandeld door [verdachte] .

o Dat [verdachte] haar in het kader van zijn behandeling een zogenaamde schadebrief had geschreven.

o Dat [verdachte] in de schadebrief zijn spijt betuigd van de mishandelingen.

In de bijlage bij de aangifte van [slachtoffer] valt in een e-mailbericht van 12 december 2017 van verdachte aan [slachtoffer] – onder meer – het volgende te lezen.31

Hoewel het niet makkelijk is voor jou om contact te houden met de dader die verantwoordelijk is voor het huishoudelijk geweld, … het partnergeweld, …. Is het voor mij als dader van het partner geweld, ook niet voldoende om spijt en schuldgevoelens te hebben. Dit probleem, het partnergeweld, erkennen op dezelfde manier zoals ik mijn verslaving herken, … en hier stappen in te ondernemen, is belangrijk.

Langs mijn kant is het zo dat naast verslaving, … dat overigens werkt als brandstof op partnergeweld, …. het probleem van partnergeweld in eerste instantie te erkennen. Dat is de eerste grote stap. Deze erkenning is een verademing. Om mij te herstellen probeer ik voor het eerst in onze relatie in je vel te kruipen en probeer te kijken door je ogen, te voelen wat jij voelt. Sorry zeggen, komen met een bos bloemen en dure cadeaus kopen zullen niet maken dat het probleem van partnergeweld is opgelost. Dat weet ik.

Ik was gisteren namelijk nogmaals in shock en emotioneel kapot. Een van de slachtoffers van partnergeweld in het centrum Altrecht vertelde me over de 2 gezichten die haar partner had. Ik begrijp dus je angst en je wantrouwen in mij op dit ogenblik, … Ik begrijp dat je niet staat te springen om de dader te steunen. Maar ik erken wel het probleem van geweld tegen jou [slachtoffer] en ik wil hieraan werken zodat dit nooit meer gebeurt.

In de verklaring van getuige [getuige] valt – onder meer – het volgende te lezen.32

In 2017 waren mijn man ik en ik naar Spanje. [slachtoffer] belde mij toen met veel verdriet op. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen: Mama hij heeft mij geslagen. [slachtoffer] klonk echt overstuur. [verdachte] heeft toen volgens mij een maand in een kliniek gezeten.

Verdachte heeft ter terechtzitting – onder meer en zakelijk weergegeven - verklaard dat [slachtoffer] op 5 december 2017 bij de huisarts is geweest, vanwege het feit dat hij “dingen zou hebben gedaan die niet mochten”. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij op 7 december 2017 is opgenomen op de crisisafdeling van Altrecht.33

4.3.4.2 Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Interpretatie van de bewijsmiddelen

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 december 2017 tot en met 31 december 2017 zijn echtgenote [slachtoffer] heeft mishandeld. Hoewel verdachte zich op het standpunt stelt dat hij nooit fysiek geweld tegen [slachtoffer] heeft gebruikt, komt de rechtbank op basis van het dossier tot een andersluidend oordeel.

De rechtbank vindt dat uit bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend volgt dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] heeft mishandeld, in of omstreeks de eerste week van december 2017. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank in het bijzonder de omstandigheid dat uit de (aanvulling op de) aangifte van [slachtoffer] volgt dat zij in december 2017 is mishandeld door verdachte en dat verdachte, als gevolg van deze mishandeling, is opgenomen op de crisisafdeling van GGZ-instelling Altrecht. De lezing van [slachtoffer] wordt ondersteund door een getuigenverklaring van haar moeder. De moeder van [slachtoffer] verklaart dat [slachtoffer] haar in een emotionele toestand heeft opgebeld en heeft verteld te zijn mishandeld door verdachte. De moeder van [slachtoffer] noemt, met haar dochter, de opname van verdachte als gevolg van deze mishandeling. Nu het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten biedt om te veronderstellen dat verdachte op een ander moment opgenomen is geweest op de crisisafdeling van Altrecht, kan naar het oordeel van de rechtbank het niet anders zijn dan dat verdachte [slachtoffer] mishandeld heeft in of omstreeks de eerste week van december 2017. [slachtoffer] is vervolgens op 5 december 2017 voor haar letsel bij de huisarts geweest en verdachte is op 7 december 2017 opgenomen op de crisisafdeling van Altrecht. Dat verdachte [slachtoffer] – conform deze lezing – mishandeld heeft, volgt voorts uit de zogenoemde “schadebrief” waarin verdachte – min of meer – toegeeft [slachtoffer] mishandeld te hebben en daar – min of meer – zijn excuses voor aanbiedt.

Partiële vrijspraak

De rechtbank komt – met verdachte en zijn raadsman – tot de conclusie dat het dossier geen bewijs bevat dat verdachte [slachtoffer] mishandeld heeft in de ten last gelegde periode, nadat hij is opgenomen op de crisisafdeling van Altrecht. De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken voor de ten laste gelegde periode vanaf 7 december 2017.

4.3.5

Overtreding van de gedragsaanwijzing (feit 5)

Het bewijs

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] valt – onder meer – het volgende te lezen.

Op vrijdag 28 mei 2021 sprak ik telefonisch met aangeefster [slachtoffer] . Ik hoorde haar het volgende zeggen:

o Dat zij een mailtje heeft gehad van verdachte

o Dat zij weet dat deze mail afkomstig is van de verdachte omdat hij het mailadres farid88@msn.com gebruikt.

o Dat de bijgevoegde factuur gericht is aan [verdachte] . Dat dit de naam van de verdachte is.

Verdachte heeft ter terechtzitting – onder meer en zakelijk weergegeven – verklaard dat hij een factuur per mail heeft doorgestuurd aan [slachtoffer] , terwijl hij wist dat hij op geen enkele wijze (direct of indirect) contact mocht opnemen met [slachtoffer] .34

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1:

op 20 mei 2021 te [woonplaats] opzettelijk en wederrechtelijk, een raam (toebehorende aan de woning gelegen aan de [adres] ), die geheel of ten dele aan [slachtoffer] en [onderneming] , toebehoorde heeft vernield;

Feit 2:

omstreeks de periode van 12 maart 2021 tot en met 11 mei 2021 te Utrecht [slachtoffer] en de kinderen van die [slachtoffer] , heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] meermalen, de navolgende dreigende teksten en/of berichten toe te sturen (zakelijk weergegeven):

- ' Begin maar een ander huis te zoeken bitch met altijd de zelfde reactie. En verwacht alleen dat ik een andere reactie heb bij jouw vieze vuile platte gezicht. Ik betaal iemand die je neer steekt', en/of

- ' Pas maar op met uw berichten van ik reageer niet. Watch the fuck out. Watch The fuck out. Er is nergens waar ge je kunt verstoppen. Ik als ik beslis om wraak te nemen. Voor al uw verraad en fake liefde. Zal ik wraak nemen. Duivel. Ik heb geen schrik. Geen angst. Watch the fuck out. Ik pak alles af van wat er van u nog overblijft', en/of

- Ik ga je iets geven om in te geloven/ waar ge altijd hebt in gelooft/ Mijn zwarte

kant (...) Geloven in mijn cavia motherfucking killer kant', en/of

- ' Maar de grote gevechten, daar maak ik je af. Die dat er echt toe doen, ik ga geen genade hebben. Ik vervloek je. Schijnheilige. Geen enkel groot gevecht! En daarom ga ik je vroeg of laat opruimen.', en/of

- Nee, we gaan niet verder. We gaan vechten. Tot ik a. In de gevangenis zit, b. Dood ben. (...) alleen nog maar vechten. Vanaf nu. (...) je gaat eraan', en/of

- ' Plan A was kom naar huis en rust, plan b is blijf weg en vecht. Het gevecht is begonnen. Vanaf [nu] is niets meer gezond. Fuck you [slachtoffer] . Jij bent een duivel. Cavia's zijn dood, ik laat ze hier liggen. Morgen gaan we rusten of vechten? Allah moge hun ziel hebben, hun kadavers, zult je [in] de kooi vinden. Ik heb moeder de kans gegeven voor optie A, we gaan verder met optie B, ik moet je kwijt. Ik ga nu beginnen. Bij [ieder] volgend bericht weet ge dat ze dood zijn. La illaha illah. Gij hebt voor jezelf, niet je kinderen, ik haat je. Cavia's afslachtofer hoort bij optie B, er is geen weg terug', en/of

- ' Bitch duivel hoer. De helft van dat geld is van wie? 1 ding ik wil daar niet over praten. Praat erover en bloed. Stuur geld zoals vermeld, alleen Alladin niet. Betalen of bloed. Erover praten of bloed (...) en ik kom bloed geven', en/of

- ' Uw dood komt altijd ongelegen', en/of

- ' En ik zeg: als ge er nu niet snel een eind aan maakt, schiet ik iedereen, inclusief de kinderen een kogel door zijn kop, en is de laatste kogel voor mij', en/of

- ' Stuur de e-mails, maak mij een concept e-mail, of krijg een kogel door de kop';

Feit 3:

op 13 maart 2021 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk tweecavia's, die ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander, toebehoorden heeft vernield

Feit 4:

omstreeks 1 december 2017 tot en met 7 december 2017 te Utrecht zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen;

Feit 5:

op 28 mei 2021 te Utrecht opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing d.d. 24 mei 2021 gegeven door de officier van justitie te arrondissement Midden-Nederland, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, op geen enkele wijze (direct of indirect) contact mocht hebben met (onder andere) [slachtoffer] door op die genoemde 28 mei 2021 die [slachtoffer] een e-mailbericht toe te sturen;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Het noodweer(exces) verweer ten aanzien van feit 1 heeft de rechtbank reeds verworpen. Er is voor het overige geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

Feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

Feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doden, meermalen gepleegd;

Feit 4:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot;

Feit 5:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 210 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie vindt verder dat van deze gevangenisstraf een deel van 108 dagen in voorwaardelijke vorm moet worden opgelegd, met een proeftijd van drie jaren.

Voorts vordert de officier van justitie dat aan het voorwaardelijke strafdeel de navolgende bijzondere voorwaarden worden verbonden:

- meldplicht bij de reclassering;

- medewerking aan ambulante behandeling;

- medewerking aan middelencontrole;

- medewerking verlenen aan een ouderschapsplan via het buurtteam en/of een andere instantie, voorgestaan door de reclassering.

Ook vordert de officier van justitie de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel, op grond van artikel 38v Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat verdachte:

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] ;

- zich niet bevindt binnen een straal van 100 meter rondom de woning van [slachtoffer] .

Ten slotte vordert de officier van justitie om de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

Indien en voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring van een of meerdere strafbare feiten komt, vraagt de raadsman om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de tijd van het voorarrest overschrijdt. Daarnaast vraagt de raadsman om geen maatregel op grond van artikel 38v Wetboek van Strafrecht op te leggen, nu verdachte een first-offender is en de oplegging van een dergelijke maatregel, in de visie van de raadsman, disproportioneel is. Indien de rechtbank tot de oplegging van een voorwaardelijke straf komt, vindt de raadsman dat de medewerking aan het opstellen van een ouderschapsplan niet als bijzondere voorwaarde moet gelden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1

Inleiding

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

8.3.2

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal strafbare feiten: alle gepleegd tegen of in relatie tot zijn (inmiddels) ex-partner. Verdachte heeft [slachtoffer] mishandeld en meermalen bedreigd met de dood. Daarnaast heeft verdachte een ruit van een woning vernield, teneinde zichzelf toegang tot deze woning te verschaffen waarin [slachtoffer] zich op dat moment bevond. Door zo te handelen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Ter terechtzitting is de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] voorgedragen. In deze schriftelijke slachtofferverklaring heeft [slachtoffer] uiteengezet dat het handelen van verdachte van grote (negatieve) invloed is geweest op haar dagelijkse leven en dat zij nog dagelijks geconfronteerd wordt met de gevolgen van het handelen van verdachte. Verdachte is zelfs in staat gebleken om van twee weerloze huisdieren, toebehorende aan het gezin, het leven te nemen. Tot slot, toen verdachte eenmaal van de officier van justitie te horen kreeg dat hij op geen enkele wijze contact met [slachtoffer] mocht zoeken of onderhouden, heeft hij deze gedragsaanwijzing overtreden door toch aan [slachtoffer] een e-mail te sturen. Verdachte heeft daarmee het doel van de gedragsaanwijzing, namelijk de bescherming van [slachtoffer] , genegeerd en heeft een gebrek aan respect getoond voor de autoriteit die aan verdachte opgedragen had dit niet te doen. Ter terechtzitting bagatelliseert verdachte zijn rol in de problematische relatie en externaliseert hij de schuld aan het geheel van de feiten. Dit alles rekent de rechtbank dan ook aan verdachte aan.

8.3.3

De persoon van verdachte

Over de persoon van verdachte zijn – onder meer – door de reclassering en het NIFP rapportages opgemaakt. Uit deze rapportages, respectievelijk opgemaakt op 17 december 2021 door M.L. Reijmerink, GZ-psycholoog, en op 22 december 2021 door R. van Duijn, reclasseringsmedewerker, leidt de rechtbank het volgende af.

Verdachte lijdt aan een complexe posttraumatische stressstoornis en een bipolaire stoornis. Een belangrijke criminogene factor is daarnaast gelegen in de verslavingsproblematiek die voornoemde stoornissen versterkt. Een verklaring voor de agressieve opstelling in de richting van [slachtoffer] is gelegen in deze afhankelijkheid van middelen. Het middelengebruik maakt dat verdachte zijn emoties en boosheid niet meer onder controle heeft. Uit de rapportages volgt dat verdachte bovendien op de hoogte is van deze negatieve en ontremmende werking op zijn gedrag. Echter, vanwege voornoemde stoornissen is hij simpelweg verminderd in staat om weerstand te bieden aan de verdovende middelen. In de visie van de GZ-psycholoog moet het ten laste gelegde dan ook in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend. De rechtbank zal dit advies overnemen en deze conclusie bij de hoogte van de strafoplegging betrekken.

Voorts volgt uit de rapportages dat verdachte zich welwillend opstelt tegenover de begeleiding vanuit de reclassering. De reclassering raadt af om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die de tijd van het voorarrest overschrijdt. Ook dit advies zal de rechtbank overnemen, nu verdachte reeds 102 dagen in voorarrest heeft doorgebracht en uit het strafblad van verdachte (het zogeheten ‘uittreksel uit de justitiële documentatie’) blijkt dat verdachte niet eerder door een rechter is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

8.3.4

Oplegging van straf en maatregel

Gelet op de aard en de ernst van de feiten, alsmede de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd, is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Verdachte heeft echter al geruime tijd in voorarrest gezeten. De rechtbank ziet in dat het voor het terugbrengen van de kans op herhaling van belang is dat het (zorg)kader waarmee verdachte is gestart, wordt voortgezet. Dit maakt dat de rechtbank verdachte niet zal terugsturen naar de gevangenis. Wel vindt de rechtbank een stok achter de deur noodzakelijk. Enerzijds om verdachte in te laten zien dat hij in een volgende conflictueuze situatie anders handelt en anderzijds om te garanderen dat [slachtoffer] de nodige bescherming geniet.

Alles afwegende komt de rechtbank tot de volgende oplegging van straf en maatregel. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 132 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Verder bepaalt de rechtbank dat van deze gevangenisstraf een deel van 30 dagen in voorwaardelijke vorm wordt opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke deel verbindt de rechtbank de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden dat verdachte i) zich meldt en blijft melden bij de reclassering, ii) zich ambulant laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener en iii) medewerking verleent aan de controle op het gebruik van alcohol en drugs. De rechtbank zal de reclassering opdragen toe te zien op de naleving van deze voorwaarden.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, aan verdachte bevolen zal worden dat hij zich onthoudt van elke vorm van het zoeken of hebben van contact– direct of indirect – met [slachtoffer] . De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel, op grond van artikel 38v Wetboek van Strafrecht, op voor de duur van drie jaren. Voor iedere keer dat verdachte zich niet aan deze maatregel houdt, zal vervangende hechtenis voor de duur van 14 dagen worden toegepast. De rechtbank zal de politie bevelen om toe te zien op deze maatregel en de handhaving daarvan.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de reclasseringsrapportage van 22 december 2021, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens bepaalde personen. Daarom zal zij bevelen dat de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar is.

De door de rechtbank op te leggen straf wijkt af van de door de officier van justitie gevorderde straf. Dit komt enerzijds omdat de rechtbank een beperkter deel van de tenlastelegging bewezen verklaart en anderzijds omdat de rechtbank van oordeel is dat – gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd – voornoemde strafoplegging passend en geboden is.

Omdat de rechtbank geen gevangenisstraf oplegt die tijd van het voorarrest overschrijdt, heft de rechtbank het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 57, 184, 285, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart de feiten 1 tot en met 5 bewezen, zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar.

Oplegging van straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 132 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat een gedeelte van 30 dagen van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- en als bijzondere voorwaarden gelden dat:

o verdachte zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij SVG Inforsa op het adres: Wittevrouwenkade 6 te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt;

o verdachte zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

o verdachte werkt mee aan controle op het gebruik van alcohol en drugs teneinde het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urine- en ademonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt de frequentie waarop verdachte wordt gecontroleerd;

- geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Oplegging van maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van drie jaren;

o beveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [slachtoffer] ;

o beveelt dat voor iedere keer dat verdachte zich niet aan de maatregel houdt een vervangende hechtenis voor de duur van 14 dagen zal worden toegepast, met een totale duur van ten hoogste zes maanden, waarbij toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge deze maatregel niet opheft;

o beveelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. Vonk, voorzitter, en mrs. J.G. van Ommeren en E. Slager, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.B. Venema, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 januari 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 20 mei 2021 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk, ruiten/ramen (toebehorende aan de woning gelegen aan de [adres] ) in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] en/of [onderneming] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 20 mei 2021 te Utrecht, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] en/of de kinderen van die [slachtoffer] , heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (via WhatsApp) de navolgende dreigende teksten en/of berichten toe te sturen (zakelijk weergegeven):

- ' Begin maar een ander huis te zoeken bitch met altijd de zelfde reactie. En verwacht alleen dat ik een andere reactie heb bij jouw vieze vuile platte gezicht. Ik betaal iemand die je neer steekt', en/of

- ' Pas maar op met uw berichten van ik reageer niet. Watch the fuck out. Watch The fuck out. Er is nergens waar ge je kunt verstoppen. Ik als ik beslis om wraak te nemen. Voor al uw verraad en fake liefde. Zal ik wraak nemen. Duivel. Ik heb geen schrik. Geen angst. Watch the fuck out. Ik pak alles af van wat er van u nog overblijft', en/of

- Ik ga je iets geven om in te geloven/ waar ge altijd hebt in gelooft/ Mijn zwarte kant (...) Geloven in mijn cavia motherfucking killer kant', en/of

- ' Maar de grote gevechten, daar maak ik je af. Die dat er echt toe doen, ik ga geen genade hebben. Ik vervloek je. Schijnheilige. Geen enkel groot gevecht! En daarom ga ik je vroeg of laat opruimen.', en/of

- Nee, we gaan niet verder. We gaan vechten. Tot ik a. In de gevangenis zit, b. Dood ben. (...) alleen nog maar vechten. Vanaf nu. (...) je gaat eraan', en/of

- ' Plan A was kom naar huis en rust, plan b is blijf weg en vecht. Het gevecht is begonnen. Vanaf [nu] is niets meer gezond. Fuck you [slachtoffer] . Jij bent een duivel. Cavia's zijn dood, ik laat ze hier liggen. Morgen gaan we rusten of vechten? Allah moge hun ziel hebben, hun kadavers, zult je [in] de kooi vinden. Ik heb moeder de kans gegeven voor optie A, we gaan verder met optie B, ik moet je kwijt. Ik ga nu beginnen. Bij [ieder] volgend bericht weet ge dat ze dood zijn. La illaha illah. Gij hebt voor jezelf, niet je kinderen, ik haat je. Cavia's afslachtofer hoort bij optie B, er is geen weg terug', en/of

- ' Bitch duivel hoer. De helft van dat geld is van wie? 1 ding ik wil daar niet over praten. Praat erover en bloed. Stuur geld zoals vermeld, alleen Alladin niet. Betalen of bloed. Erover praten of bloed (...) en ik kom bloed geven', en/of

- ' Uw dood komt altijd ongelegen', en/of

- ' Praten met u? Ik praat met mijn vuisten. Zoek iets of ik jaag u weg, met kinderen en al', en/of

- ' En ik zeg: als ge er nu niet snel een eind aan maakt, schiet ik iedereen, inclusief de kinderen een kogel door zijn kop, en is de laatste kogel voor mij', en/of

- ' Stuur de e-mails, maak mij een concept e-mail, of krijg een kogel door de kop';

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 13 maart 2021 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk twee, althans een of meer, cavia's, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

4

hij in of omstreeks 1 december 2017 tot en met 31 december 2017 te Utrecht, in elk geval in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op haar armen en/of benen en/of lichaam en/of hoofd te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

5

hij op of omstreeks 28 mei 2021 te Utrecht opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 24 mei 2021 gegeven door de officier van justitie te arrondissement Midden-Nederland kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, op geen enkele wijze (direct of indirect) contact mocht hebben met (onder andere) [slachtoffer] door op die genoemde 28 mei 2021 die [slachtoffer] een e-mailbericht toe te sturen;

( art 184a Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. De processen-verbaal zijn allemaal in de wettelijke vorm opgemaakt en zijn als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaalnummer PL0900-2021156758 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 183).

2 Proces-verbaal van aangifte (p. 42 e.v.).

3 Proces-verbaal ter terechtzitting van 27 december 2021.

4 Proces-verbaal van aangifte (p. 6 e.v.).

5 Proces-verbaal van bevindingen (p. 139 e.v.).

6 Een geschrift, te weten een screenshot van een Whatsappgesprek (p. 141).

7 Een geschrift, te weten een screenshot van een Whatsappgesprek (p. 143).

8 Een geschrift, te weten een screenshot van een Whatsappgesprek (p. 144).

9 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengergesprek (p. 145).

10 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengergesprek (p. 146).

11 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengesprek (p. 147).

12 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengergesprek (p. 148).

13 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengergesprek (p. 149).

14 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengergesprek (p. 150).

15 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengergesprek (p. 152).

16 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengergesprek (p. 153).

17 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengergesprek (p. 155).

18 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengergesprek (p. 156).

19 Proces-verbaal ter terechtzitting van 27 december 2021.

20 Proces-verbaal van aangifte (p. 79).

21 Proces-verbaal van bevindingen (p. 139 e.v.).

22 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengerbericht (p. 151).

23 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengerbericht (p. 150).

24 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengerbericht (p. 148).

25 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengerbericht (p. 149).

26 Een geschrift, te weten een screenshot van een Messengerbericht (p. 147).

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte (p. 110 e.v.).

28 Proces-verbaal ter terechtzitting van 27 december 2021.

29 Proces-verbaal van aangifte (p. 6 e.v.).

30 Proces-verbaal van bevindingen (p. 39 e.v.).

31 Een geschrift, te weten een e-mailbericht van verdachte aan aangeefster (p. 16 e.v.).

32 Proces-verbaal van verhoor getuige (p. 22 e.v.).

33 Proces-verbaal ter terechtzitting van 27 december 2021.

34 Proces-verbaal ter terechtzitting van 27 december 2021.