Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:353

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-01-2016
Datum publicatie
25-01-2016
Zaaknummer
405754 / KL ZA 15-398
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tussen IPIC en franchisenemer, partijen hebben een geschil over het opzeggen van een huurovereenkomst van een wasstraat en hebben zich gezamenlijk tot de rechter gewend. Het geschil gaat over het opzeggen van een huurovereenkomst en een onderhuurovereenkomst. IPIC vordert de franchisenemer om het terrein van de wasstraat binnen 5 dagen na het vonnis te verlaten. De voorzieningenrechter oordeelt dat de franchisenemer binnen 14 dagen het terrein moet verlaten. Voorafgaand aan de ontruiming dient IPIC betaling te doen van €6.750.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

zaaknummer / rolnummer: 405754 / KL ZA 15-398

Vonnis in kort geding van 20 januari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IPIC NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. N.J. Jacobs te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

h.o.d.n. [naam] CARWASH LELYSTAD,

kantoorhoudende te Lelystad,

gedaagde,

advocaat mr. C.A. Boeve te Putten.

Partijen zullen hierna IPIC en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de door de advocaat van [gedaagde] voorafgaande aan de zitting overgelegde stukken

  • -

    de door de advocaten ter zitting overgelegde pleitnotities, die van de zijde van [gedaagde] een eis in (voorwaardelijke) reconventie bevat.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

IPIC houdt zich bezig met de exploitatie van autowasstraten volgens het ‘ [naam] Car Wash’ concept in Nederland en ook daarbuiten. De autowasstraten worden door IPIC geëxploiteerd zowel in eigen beheer als door middel van franchising, waarbij IPIC optreedt als franchisegever.

2.2.

Op 13 november 2012 heeft IPIC een franchiseovereenkomst gesloten met [gedaagde] (hierna te noemen: de franchiseovereenkomst), waarbij IPIC aan [gedaagde] het recht heeft verleend om een wasstraat gelegen aan het adres [adres] (hierna te noemen: de wasstraat) te exploiteren.

2.3.

Voor het terrein waarop de wasstraat is gelegen heeft IPIC (als huurder) een huurovereenkomst gesloten met (thans) BP Nederland B.V. (hierna te noemen: BP). IPIC is met [gedaagde] op haar beurt een onderhuurovereenkomst aangegaan, die is opgenomen in de franchiseovereenkomst. Overeengekomen is dat de onderhuurrelatie onlosmakelijk is verbonden met het bestaan en het voortduren van de franchiseovereenkomst.

2.4.

In de franchiseovereenkomst is de volgende bepaling opgenomen:

5. DUUR – BEEINDIGING – OPZEGTERMIJN

5.1

Deze Overeenkomst wordt aangegaan voor de termijn van zes (6) maanden vanaf 12 maart 2012 (hierna: de

Aanvangsdatum”). Franchisegever en Franchisenemer zullen zich in deze periode ingevolge artikel 7:291 BW

gezamenlijk wenden tot de voorzieningenrechter van het arrondissement waarin de Wasstraat zich bevindt ten behoeve van de verkrijging van de goedkeuring voor de afwijking van de dwingendrechtelijke bepalingen in afdeling 6 van Boek 7 BW met betrekking tot een verlengde duur van de Overeenkomst voor onbepaalde termijn alsook de hierin vervatte opzegtermijn en beëindiginggronden, met dien verstande dat: (i) tegelijk met de franchiserelatie, de (onder)huurrelatie tussen Franchisegever en Franchisenemer wordt aangegaan voor onbepaalde termijn totdat deze wordt beëindigd door een der Partijen zoals bepaald in deze Overeenkomst; (ii) beide Partijen gerechtigd zijn deze Overeenkomst, waaronder begrepen hun (onder)huurrelatie, te beëindigen met inachtneming van de opzegtermijnen in deze Overeenkomst; en (iii) de (onder)huurrelatie tussen Franchisegever en Franchisenemer automatisch eindigt, indien: a) de franchiserelatie eindigt, om welke reden dan ook, zoals bepaald in deze Overeenkomst of b) de (hoofd)huurrelatie eindigt tussen Franchisegever en de eigenaar/verhuurder van het terrein zoals bepaald in Franchisegever’s (hoofd)huurovereenkomst, die aan deze Overeenkomst is aangehecht als Annex C. Indien deze goedkeuring niet wordt verleend binnen de termijn van zes (6) maanden, eindigt deze Overeenkomst (automatisch) van rechtswege op de laatste dag van onderhavige termijn, zonder dat terzake enigerlei opzegging zal zijn vereist en zonder dat terzake enigerlei vergoeding aan Franchisenemer zal zijn verschuldigd. Indien de goedkeuring wel binnen genoemde termijn van zes (6) maanden wordt verkregen, zal deze Overeenkomst na verloop daarvan automatisch worden verlengd voor onbepaalde tijd.

5.2

Partijen zijn, indien en nadat deze Overeenkomst zal zijn verlengd voor een onbepaalde termijn, beiden te allen tijde gerechtigd om zonder enigerlei vergoeding aan de andere Partij de (verlengde) Overeenkomst te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van, tenminste:

(i) één (1) maand, in het eerste contractsjaar van de Overeenkomst;

(ii) twee (2) maanden, in het tweede contractsjaar van de Overeenkomst; en

(iii) drie (3) maanden, in ieder daaropvolgend contractsjaar van de Overeenkomst.

Franchisegever is bovendien te allen tijde gerechtigd deze Overeenkomst onmiddellijk te beëindigen, met dien

verstande dat Franchisegever in dat geval aan Franchisenemer een vergoeding zal betalen ten bedrage van:

(i) indien deze Overeenkomst eindigt in het eerste contractsjaar van de Overeenkomst: één (1) maand

(ii) indien deze Overeenkomst eindigt in het tweede contractsjaar van de Overeenkomst: twee (2) maanden

(iii) indien deze Overeenkomst eindigt in enig daaropvolgend contractsjaar: drie (3) maanden

netto winst van Franchisenemer, welke netto winst wordt berekend op basis van het gemiddelde van de daaraan direct voorafgaande twaalf (12) maanden, waarbij alleen de netto winst in aanmerking wordt genomen die is gemaakt als direct gevolg van de exploitatie van de Wasstraat (met andere woorden: die is verkregen uit de in artikel 18 c. gespecificeerde 6 (zes) services). Franchisenemers netto winst zal derhalve niet omvatten: enigerlei winst, verdiensten of inkomsten van Franchisenemer als gevolg van andere activiteiten zoals wielenreiniging, (kleine) poetsbeurten, (verkoop van) wax- en cockpit doekjes, evenals andere activiteiten die geen direct verband houden met de autowasdiensten onder deze Overeenkomst. Ten behoeve van deze berekening, zijn Partijen overeengekomen dat Franchisenemers netto winst in enigerlei maand zal bestaan uit Franchisenemers inkomsten als direct gevolg van de exploitatie van de Wasstraat in de respectievelijke maand minus Franchisenemers Kostenbijdrage en Franchisenemers Franchisevergoeding - zoals beschreven in artikel 18 - alsmede Franchisenemers overige kosten met betrekking tot de betreffende maand.

2.5.

Partijen hebben zich op de voet van het bepaalde in artikel 7:291 lid 2 BW gezamenlijk gewend tot de kantonrechter te Zwolle-Lelystad met het verzoek om goedkeuring te geven aan, onder meer, de hiervoor bij 2.4. weergegeven van het huurrecht afwijkende bepaling in de franchiseovereenkomst. Bij beschikking van 1 februari 2013 is de gevraagde goedkeuring verleend.

2.6.

Met een brief van 21 mei 2015 heeft IPIC de franchiseovereenkomst, en de daarvan onderdeel uitmakende (onder)huurovereenkomst, met [gedaagde] , met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, opgezegd tegen 13 september 2015, op de voet van artikel 5.2 van de franchiseovereenkomst. [gedaagde] heeft deze brief voor akkoord ondertekend.

2.7.

IPIC heeft tevens de huurovereenkomst met BP opgezegd op 28 mei 2015.

2.8.

Op 18 augustus 2015 heeft IPIC per e-mailbericht het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“ Hierdoor komen wij terug op de beëindiging van onze franchiseovereenkomst tegen 13 september 2015 zoals aangekondigd bij brief van 21 mei jl.

Zoals recent met u besproken ziet het er naar uit dat IPIC Nederland BV, anders dan destijds verondersteld, de exploitatie van de wasstraat toch zal gaan voortzetten. De reden hiervoor is dat de verhuurder van het terrein bereid lijkt te zijn de huur ervan voor een langere termijn en tegen gunstigere huurvoorwaarden voort te zetten. Als gezegd, doet dit echter niets af aan de voorgenomen beeindiging van de franchiseovereenkomst; IPIC Nederland BV zal de wasstraat in dat geval in eigen beheer voortzetten.”

2.9.

Op 23 oktober 2015 heeft IPIC aan [gedaagde] een hernieuwde opzegging van de franchiseovereenkomst gestuurd. In de brief schrijft IPIC, onder andere:

“IPIC maakt hierbij krachtens artikel 5.2. van de franchiseovereenkomst gebruik van het recht om in plaats van een opzegtermijn van (opnieuw) 3 maanden in acht te nemen een vergoeding te betalen gelijk aan 3 maanden nettowinst, zoals nader in het artikel omschreven en neerkomend op een bedrag ad (3 x € 2.093 =) € 6.279.”

3 Het geschil

3.1.

IPIC vordert – samengevat en zakelijk weergegeven – om [gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na de betekening van dit vonnis het terrein gelegen aan de [adres] te verlaten en te ontruimen, op straffe van een dwangsom en, indien [gedaagde] nalaat om binnen veertien dagen na dit vonnis aan deze veroordeling te voldoen, de ontruiming zo nodig zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde] , dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten.

3.2.

Aan haar vordering heeft IPIC het volgende ten grondslag gelegd. IPIC vordert dat [gedaagde] de wasstraat zal ontruimen en aan IPIC ter beschikking zal stellen omdat de franchiseovereenkomst en de daarvan onlosmakelijk onderdeel uitmakende (onder)huurrelatie is beëindigd. [gedaagde] heeft aanvankelijk met de opzegging ingestemd om hierop vervolgens terug te komen en aan te sturen op het verkrijgen van een exit-fee. Op grond van artikel 5.2 van de franchiseovereenkomst is IPIC gerechtigd om deze vrijelijk op te zeggen, hetzij met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden en zonder enige vergoeding, hetzij onmiddellijk tegen betaling van een vergoeding, gelijk aan drie maanden netto winst, zoals nader omschreven in het artikel.

IPIC heeft de overeenkomst in eerste instantie met de brief van 21 mei 2015 opgezegd om bedrijfseconomische redenen. De bedoeling van IPIC was om de exploitatie van de wasstraat geheel te staken en zij heeft daarom ook daarna de huurovereenkomst met BP opgezegd. De reactie van BP op de opzegging was evenwel voor IPIC reden om haar initiële besluit te heroverwegen. BP bleek namelijk bereid om de huurovereenkomst tegen een lagere huurprijs voort te zetten en IPIC heeft hierop uiteindelijk besloten om de exploitatie toch niet te staken, maar dan in eigen beheer voort te zetten. Aldus bleef de wens om de franchiseovereenkomst (en de huurrelatie) met [gedaagde] te beëindigen ongewijzigd. IPIC heeft [gedaagde] geïnformeerd over voornoemde ontwikkelingen en is steeds bereid geweest om in goed overleg naar mogelijkheden voor [gedaagde] te kijken. Omdat dit niet tot resultaat leek te leiden, heeft IPIC zich genoodzaakt te zien om de franchiseovereenkomst voor de zekerheid nogmaals op te zeggen. Bij brief van 23 oktober 2015 is de overeenkomst daarom opgezegd tegen 31 oktober 2015, waarbij IPIC zich ditmaal bereid heeft verklaard om de overeengekomen vergoeding aan [gedaagde] te betalen. Er was op enig moment ook sprake van een betalingsachterstand van [gedaagde] aan IPIC, maar deze achterstand is gaandeweg ingelost. Nu [gedaagde] echter – ondanks vele verzoeken – niet bereid lijkt te zijn om de wasstraat vrijwillig te ontruimen en overleg tussen partijen niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, heeft IPIC thans een spoedeisend belang bij haar vordering in dit kort geding.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Hoewel [gedaagde] heeft betoogd dat IPIC geen spoedeisend belang bij haar vordering heeft en dat de kwestie te gecompliceerd zou zijn om in kort geding te behandelen, is de voorzieningenrechter gebleken van een voldoende spoedeisend belang van IPIC bij haar vorderingen in dit kort geding, gelet op de aard van de vordering en hetgeen zij daaraan ten grondslag heeft gelegd.

4.2.

De bespreking van de vordering in (voorwaardelijke) reconventie, die [gedaagde] pas ter zitting heeft ingediend, zal de voorzieningenrechter achterwege laten omdat deze vordering – zoals partijen reeds ter zitting is meegedeeld – niet op de in het procesreglement voorgeschreven wijze is ingediend, nu deze eerst ter zitting is gepresenteerd zonder ten minste 24 uur van tevoren te zijn aangekondigd.

4.3.

In deze kort geding procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vordering van IPIC in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is – hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat een bodemrechter de vordering zal toewijzen –, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Verder is bij de beoordeling van belang dat de verhouding tussen partijen wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid die zij ten opzichte van elkaar hebben te betrachten. Dat betekent dat zij over en weer rekening moeten houden met de gerechtvaardigde belangen van de andere partij.

4.4.

[gedaagde] heeft – zakelijk weergegeven – de navolgende verweren tegen de vordering van IPIC aangevoerd. Op de eerste plaats heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van de vordering van IPIC kennis te nemen. Omdat in deze kwestie tevens een beslissing inzake een huurovereenkomst moet worden gegeven, is de kantonrechter volgens [gedaagde] bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 94 Rv. Inhoudelijk heeft [gedaagde] verklaard dat hij aanvankelijk heeft ingestemd met de opzegging omdat IPIC hem heeft toegezegd dat hij een andere vestiging in Amsterdam zou kunnen overnemen als franchisenemer als de wasstraat in Lelystad zou worden gesloten. Toen bleek dat de hoofdhuurovereenkomst met BP toch niet zou worden beëindigd, was er volgens [gedaagde] geen reden meer voor beëindiging van de franchise- (en onderhuur)overeenkomst. [gedaagde] zou hierdoor financieel grote schade leiden omdat de wasstraat door zijn inzet is opgebloeid en ook BP heeft verklaard dat zij zeer tevreden is met de exploitatie door [gedaagde] . Bovendien gaat IPIC eraan voorbij dat er in deze situatie ook sprake is van huur van bedrijfsruimte, waarop bepalingen van dwingend recht van toepassing zijn. [gedaagde] vindt het onder de gegeven omstandigheden niet meer dan terecht dat hem een schadevergoeding toekomt. Aangezien [gedaagde] maandelijks ongeveer € 2.500,00 (netto) verdient met de exploitatie en de (hoofd)huurovereenkomst door IPIC met BP voor een periode van drie jaar is voortgezet, acht [gedaagde] een bedrag van € 90.000,00 in dit geval redelijk en heeft de betaling van dit bedrag in (voorwaardelijke) reconventie gevraagd. [gedaagde] heeft om de hiervoor genoemde redenen geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van IPIC.

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt ten eerste dat hij op grond van het bepaalde in artikel 254 Rv. bevoegd is om van de vordering van IPIC kennis te nemen. In artikel 254 lid 5 wordt weliswaar bepaald dat de kantonrechter, onder meer, in huurzaken bevoegdheid toekomt, maar dit staat er niet aan in de weg dat de voorzieningenrechter in ieder geval op grond van het bepaalde in artikel 254 lid 1 Rv. (ook) bevoegd is.

4.6.

[gedaagde] heeft zich verweerd tegen de opzegging van de franchiseovereenkomst door IPIC met de brief van 21 mei 2015, door te betogen dat hij deze opzegging – en de (financiële) gevolgen daarvan – na zijn aanvankelijke instemming daarmee, niet langer redelijk vond. Ter zitting heeft IPIC nader verduidelijkt dat het aanvankelijke besluit om de wasstraat in Lelystad te sluiten een bedrijfseconomische afweging was en [gedaagde] heeft beaamd dat dat hem zo in de eerste gesprekken hierover is medegedeeld. Duidelijk is bovendien dat IPIC pas heeft besloten om een andere koers te varen nadat BP te kennen had gegeven dat zij bereid was om de huurovereenkomst op voor IPIC gunstiger voorwaarden voort te zetten. Onder die omstandigheden zou het zo kunnen zijn dat het besluit van IPIC om wel de (hoofd)huurovereenkomst voort te zetten, doch alsnog tot een beëindiging van de franchiseovereenkomst en de (onder)huurrelatie met [gedaagde] te willen komen ten aanzien van laatstgenoemde – in het licht van de eisen van redelijkheid en billijkheid – niet langer zou zijn te rechtvaardigen. Wat hier echter ook van zij, vast staat dat IPIC de franchiseovereenkomst op 23 oktober 2015 andermaal heeft opgezegd en derhalve niet langer heeft willen vasthouden aan de eerdere opzegging, hetgeen temeer blijkt uit het gegeven dat partijen in weerwil van deze opzegging op dezelfde voet zaken met elkaar hebben gedaan en [gedaagde] ook uiteindelijk de betalingsachterstand is ingelopen.

4.7.

Voorshands acht de voorzieningenrechter het dan ook voldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de hernieuwde opzegging in ieder geval effect heeft gehad. In de hiervoor bij 2.4. weergegeven bepaling uit de franchiseovereenkomst hebben partijen voorzien in twee manieren om de overeenkomst op te zeggen. De opzegging van 21 mei 2015 betrof de eerstgenoemde wijze, terwijl de opzegging van 23 oktober 2015 gestoeld is op de overeengekomen mogelijkheid voor IPIC om de overeenkomst te allen tijde op te zeggen, waarbij IPIC gehouden is om [gedaagde] een bedrag van driemaal de netto maandwinst bij wijze van vergoeding te voldoen. IPIC heeft [gedaagde] deze vergoeding ook aangeboden, echter partijen twisten over de hoogte van het bedrag. [gedaagde] maakt aanspraak op een (veel) hogere vergoeding bij beëindiging van de franchiseovereenkomst, waarbij hij zich op het standpunt lijkt te stellen dat IPIC hem een vergoeding voor goodwill of, in zijn woorden, een exit-fee verschuldigd is. Nu is vergoeding van goodwill bij franchiseovereenkomsten normaal gesproken niet aan de orde en voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor een afweging van de wederzijdse belangen in dit geval evenmin plaats is, nu partijen in de franchiseovereenkomst hebben voorzien in een – naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidelijke – regeling voor de opzegging van de overeenkomst.

De bezwaren die [gedaagde] tegen de (voorwaarden van de) opzegging heeft geuit kunnen hem dan ook niet baten, nu hij reeds op voorhand met de thans door IPIC ingeroepen bepaling heeft ingestemd. De gevolgen daarvan behoren tot het normale ondernemersrisico en dienen dan ook voor rekening van [gedaagde] te blijven.

4.8.

Ten slotte heeft [gedaagde] aangevoerd dat de opzegging van de franchiseovereenkomst de beëindiging van de huurrelatie onverlet laat, gelet op dwingendrechtelijke huurbeschermingsbepalingen die tevens van toepassing zijn, volgens [gedaagde] . Partijen zijn in hun overeenkomst evenwel afgeweken van een aantal van deze bepalingen en zij hebben ten tijde van het sluiten van de franchiseovereenkomst de door hen voorgenomen afwijkende afspraken voorgelegd aan de kantonrechter. In dit kort geding is gebleken dat de kantonrechter goedkeuring heeft gegeven aan de integraal voorgelegde tekst, zoals hiervoor bij 2.4. is weergegeven, en naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet dan ook voorshands worden aangenomen dat de procedure bij de kantonrechter zorgvuldig is geweest en dat de belangen van [gedaagde] in de beoordeling van de kantonrechter zijn meegewogen. Dit betekent dat opzegging door IPIC, naar voorshands moet worden aangenomen, mogelijk was. Ook dit verweer van [gedaagde] moet derhalve worden verworpen.

4.9.

Dit alles brengt met zich dat moet worden geoordeeld dat het belang van IPIC in dit stadium doorslaggevend is en dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om het gehuurde te ontruimen, zoals is gevorderd. De termijn waarbinnen [gedaagde] aan de hiernavolgende veroordeling dient te voldoen zal worden gesteld op veertien dagen na de betekening van dit vonnis, nu door [gedaagde] ter zitting is verklaard dat er niet zoveel is om te ontruimen. Als noodzakelijke stimulans tot nakoming acht de voorzieningenrechter de gevorderde dwangsom eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd op de hierna te vermelden wijze en voorts zal worden bepaald dat er onder omstandigheden geen dwangsommen zullen worden verbeurd. Zoals hiervoor bij 4.3. is weergegeven, zijn partijen gehouden om over en weer rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de andere partij en zij zullen in dat opzicht dan ook de nodige voortvarendheid moeten betrachten. Het gevorderde om de ontruiming zo nodig zelf te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm zal evenwel worden afgewezen, nu de deurwaarder, die met de eventuele executie van dit vonnis zal worden belast, deze bevoegdheid reeds toekomt op grond van de wet.

4.10.

Ter zake van de beëindiging van de franchiseovereenkomstkomt komt [gedaagde] op de voet van artikel 5.2 een vergoeding toe van drie maal de netto maandwinst. IPIC heeft in dat verband aangeboden om € 6.279,00 te voldoen (zie hiervoor bij 2.9.). Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij maandelijks een bedrag van ongeveer € 2.500,00 uit de onderneming onttrekt, terwijl hij voorts heeft aangevoerd dat hij een (veel) hoger bedrag aan schade zal lijden door de opzegging. Binnen de beperkte kaders van dit kort geding, kan hierover geen uitsluitstel worden gegeven. De voorzieningenrechter vindt in een en ander aanleiding om, uitgaande van de eigen opgaven van partijen, aan de onder 4.9. bedoelde veroordeling de voorwaarde te verbinden dat IPIC aan [gedaagde] voorafgaande aan de ontruiming een (voorschot)betaling doet van € 6.750,00.

4.11.

Tegen de gevorderde nakosten heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd, zodat dit deel van de vordering eveneens kan worden toegewezen.

4.12.

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van IPIC worden begroot op:

- dagvaarding € 77,84

- vast recht 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.512,84

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om, binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, de wasstraat gelegen te [adres] met al het zijne en de zijnen te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden door de sleutels ter vrije en algehele beschikking van IPIC te stellen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] nalaat om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,00, en bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding, en verbindt voorts aan deze veroordeling de voorwaarde dat IPIC voorafgaande aan de ontruiming aan [gedaagde] een (voorschot)betaling doet van € 6.750,00,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van IPIC tot op heden begroot op € 1.512,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na heden,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na heden volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na heden,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Manuel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2016.