Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:401

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
C-16-352602 - HA ZA 13-697
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Storting op aandelen door inbreng van overeenkomst. Geen sprake van contractsovername ex 6:159 BW en daarom geen geldige storting en vorderingsrecht voor eiseres. Uitleg franchiseovereenkomst tav toestemming bij voorbaat voor overdracht rechtsverhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/205
AR 2015/211
RN 2015/36
JONDR 2015/447
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/352602 / HA ZA 13-697

Vonnis van 4 februari 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMPULSUS PERSONAL QUALITY & RESULTS B.V.,

gevestigd te Leiden,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMPULSUS SUPPORT & FACILITIES B.V.,

gevestigd te Leiden,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMPULSUS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Leiden,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat: mr. C. van Oosten te Leiden,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. H.C. Sauer te Amersfoort.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk respectievelijk IPQR (dan wel IPQR Nieuw), ISF en IN genoemd worden en gezamenlijk Impulsus c.s. Gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 januari 2014;

  • -

    de producties 48 tot en met 51 van de zijde van Impulsus c.s.;

  • -

    de producties 34 tot en met 43 van de zijde van [gedaagde];

  • -

    de akte vermindering van eis in reconventie van [gedaagde];

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 juli 2014;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Mevrouw [A] (hierna: [A]) is bestuurder van de in deze procedure als partij optredende vennootschappen IPQR en IN. IPQR is de moedervennootschap van ISF. Van deze laatste vennootschap is de heer [X] (hierna: [X]) bestuurder.

2.2.

[A] was op enig moment bestuurder van Groei-en B.V. (hierna: Groei-en). Deze vennootschap heette tot en met 31 mei 2010 Impulsus Personal Quality & Results B.V.

(voor de leesbaarheid van dit vonnis hierna: IPQR Oud). Groei-en heeft bij notariële akte van 31 mei 2010 de vennootschap Impulsus Personal Quality & Results B.V. (hierna: IPQR Nieuw) opgericht.

2.3.

IPQR Nieuw biedt diverse soorten trainingen aan en gebruikt daarvoor de methodiek CiEP, welke afkorting (thans) staat voor Change into Excellent Performance. IPQR Nieuw exploiteert verder een franchisesysteem, waarbij franchisenemers – kort gezegd – in staat gesteld worden de door IPQR Nieuw aangeboden trainingen aan hun eigen klanten aan te bieden.

2.4.

[gedaagde] heeft op 14 september 2005 een eenmanszaak ingeschreven in het handelsregister. Deze eenmanszaak voerde de handelsnamen In-Contact (vanaf 14 september 2011), AndersDenkenAndersDoen (vanaf 14 september 2011), Impulsus Personal Quality & Results (vanaf 11 april 2006) en Thematisch Werken (vanaf 16 juli 2012).

2.5.

Op 13 maart 2006 hebben IPQR Oud en [gedaagde] een franchiseovereenkomst gesloten. De inhoud van deze overeenkomst luidt – voor zover relevant – als volgt:

“(…)

De ondergetekenden

1. Impulsus Personal Quality & Results BV, gevestigd te Leiden, te dezer zake rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur mevrouw [A] hierna te noemen: de franchisegever,

2. [gedaagde], geboren [1964], [adres], [woonplaats], hierna te noemen: de franchisenemer,

(…)

komen overeen als volgt:

Artikel 8 - INTELLECTUELE EIGENDOMSRECHTEN

1. Franchisenemer erkent het uitsluitend recht van de franchisegever op de werkwijze, merken, de logo’s, de handelsnaam, kleurencombinaties, slagzinnen etc. als in de considerans omschreven, en daaronder begrepen het recht om, met inachtneming van deze overeenkomst, franchiserechten te verlenen.

2. Franchisenemer zal de eerdergenoemde werkwijze, merken, logo’s de handelsnaam, kleurencombinaties, slagzinnen etc. uitsluitend gebruiken ten behoeve van de uitvoering van het Coaching in Efficiency Program, de daarvan afgeleide programma’s en het CiEP ManagementSystem en slechts zolang deze overeenkomst voortduurt.

3. Daarbuiten zal de franchisenemer zich onthouden van elk gebruik van de werkwijze, merken, de logos, de handelsnaam, kleurencombinaties, slagzinnen etc.

(…)

Artikel 11 - GEHEIMHOUDING, NIET-CONCURRENTIEBEDING

1. Franchisenemer verplicht zich jegens franchisegever tot volledige geheimhouding van al hetgeen franchisenemer ter kennis is gekomen in het kader van de uitoefening van de onderhavige overeenkomst, o.a. betreffende de werkwijzen, werkzaamheden en relaties van franchisegever en met franchisegever gelieerde bedrijven. Deze geheimhoudingsplicht dient de franchisenemer eveneens op te leggen aan al diegenen die betrokken (zullen) zijn bij de exploitatie van zijn bedrijf. De franchisegever zal eveneens geheimhouding betrachten omtrent vertrouwelijke informatie van de franchisenemer. Deze verplichting blijft van kracht na beëindiging van deze overeenkomst.

2. Franchisenemer zal, behoudens schriftelijke toestemming van de franchisegever, tijdens het bestaan van deze overeenkomst generlei zakelijke relatie mogen onderhouden met een keten of een persoon of vennootschap, die in dezelfde bedrijfstak een soortgelijk Franchisesysteem toepast noch financiële belangen hebben in het kapitaal van een concurrerend bedrijf die hem de macht zouden geven het economisch gedrag van dat bedrijf te beïnvloeden.

3. Franchisenemer zal, behoudens schriftelijke toestemming van de franchisegever, gedurende de looptijd van deze overeenkomst en gedurende een periode van één jaar na beëindiging daarvan niet om enige reden direct of indirect, zelfstandig of in dienstverband of in de vorm van een vennootschap werkzaam zijn bij een bedrijf, dat gelijksoortig is aan het door franchisenemer geëxploiteerde bedrijf.

(…)

Artikel 14 - VRIJWARINGEN

1. De franchisenemer vrijwaart de franchisegever tegen elke actie van derden voor zover die actie het gevolg is van een handelen of nalaten van de franchisenemer.

2. Deze verplichting tot vrijwaring vervalt indien het handelen of de nalatigheid van de franchisenemer het gevolg is van het niet, niet tijdig dan wel niet behoorlijk nakomen van zijn overeenkomstige verplichtingen door de franchisegever.

3. Anderzijds vrijwaart de franchisegever de franchisenemer tegen acties van derden, die het gevolg zijn van een niet, niet tijdig dan wel niet behoorlijk nakomen door de franchisegever van zijn verplichtingen jegens de franchisenemer.

(…)

Artikel 22- OVERDRACHT RECHTEN FRANCHISEGEVER

1. Franchisegever is bevoegd zijn rechten uit deze overeenkomst aan derden over te dragen of door derden te laten uitoefenen, met dien verstande dat daardoor niet de continuïteit van het bedrijf van de franchisenemer in gevaar mag komen.

2. Franchisegever verbindt zich om in bovengenoemd geval schriftelijk ten behoeve van de franchisenemer te bedingen, dat deze opvolgende franchisegever alle verplichtingen uit deze franchiseovereenkomst zal nakomen en garandeert gedurende de resterende looptijd van de overeenkomst de nakoming van deze verplichtingen door de opvolgende franchisegever.

(…)

Artikel 25- VERPLICHTINGEN BIJ BEËINDIGING OVEREENKOMST

1. Indien deze overeenkomst op enigerlei wijze eindigt, is de franchisenemer verplicht onverwijld alle hulp- en trainingsmaterialen, computerapparatuur, instructieboeken, formulieren, folders, telefoonnummers, faxnummers, e-mail adres etc. terug te geven aan de franchisegever. Voorts is de franchisenemer verplicht elke vermelding van de woorden “CiEF’ en/of “Coaching in Efficiency” en “Impulsus Personal Quality & Results” te verwijderen, elk gebruik van enig aan de franchisegever toebehorend handelsmerk, handelsnaam, logo’s, reclameslagzin, huisstijl, etc. te staken en voortaan alles te vermijden, wat de indruk zou wekken, dat hij nog tot uitoefening overeenkomstig het Franchisesysteem of tot gebruik van de werkwijze, naam, logo en andere kenmerken gerechtigd zou zijn. Alle functies van de franchisenemer binnen de Impulsus franchiseorganisatie komen bij beëindiging van deze overeenkomst te vervallen.

2. Bij gebreke van teruggave overeenkomstig het eerste lid van dit Artikel binnen 14 dagen na het einde van de overeenkomst, is de franchisegever gemachtigd zelf tot terughaling en/of verwijdering van genoemde zaken over te gaan, zulks op kosten van de franchisenemer.

3. Na het eindigen van deze overeenkomst, ongeacht de oorzaak daarvan, blijven de artikelen 8, 11 en l4 van kracht.

(…)

Artikel 27 - BOETEBEDING

Indien de franchisenemer in strijd handelt met het bepaalde in Artikel 8, Artikel 11, Artikel 23

lid 1 en 3, Artikel 25 lid 1 en/of Artikel 28, verbeurt de franchisenemer een direct opeisbare,

niet voor rechterlijke matiging vatbare boete van € 37.500,-- (zegge: zevenendertigduizend en vijfhonderd euro) per overtreding alsmede een direct opeisbare en niet voor rechterlijke matiging vatbare boete van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat de nalatigheid voortduurt, onverminderd het recht van franchisegever om, indien de door hem geleden schade meer dan het totale boetebedrag mocht belopen, volledige schadevergoeding te vorderen.

(…)”

2.6.

Impulsus c.s. heeft bij brief van 12 juni 2012 onder meer het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“(…)

Geachte heer [gedaagde], beste [voornaam],

Hierbij bevestigen wij ons gesprek van hedenmiddag waarin wij aangaven de franchiseovereenkomst van 13 maart 2006 bij deze te ontbinden per 30-06-2012. De reden

hiervan is dat op basis van Artikel 21 van de franchiseovereenkomst en de ingebrekestelling

per 12-02-2012, je de (opeisbare) financiële achterstand niet hebt ingelost. Naast de financiële achterstand spelen er enige zaken op integriteitniveau welke we niet tot in detail besproken hebben. Je commentaar was dat je het begreep en het eigenlijk ook wel wist. Je zei dat het een optelsom is van wat eraan vooraf gegaan is.

Per 31-05-2012 is je financiële achterstand:

IMPULSUS Personal Quality & Results B.V. : € 44.930,--

Impulsus Support & Facilities B.V : € 30.196,--

Impulsus Nederland B.V. : € 18.971,--

Totaal : € 94.097,--

De hiervoor genoemde schuldeisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘Impulsus”.

Inzake de financiële afwikkeling zijn we het volgende overeengekomen:

De potentiële opdrachten die voortkomen uit jouw portefeuille, bestaande klanten, mogelijk

nieuwe klanten (in verband met jouw huidige prospects/leads) en inactieve klanten, zoals genoemd in bijlage 1, worden bij deze verkocht en geleverd aan Impulsus, waarbij Impulsus Support & Facilities B.V. “leading” is.

Impulsus bekijkt - telkens naar eigen inzicht - of zij a) de opdrachten zelf zal uitvoeren b)

doorverkoopt aan andere franchisenemers, c) dan wel besluit dat beide opties onmogelijk zijn.

Bij uitvoering door Impulsus (geval a) zal de aflossingsruimte (=betaalde netto omzet van

die klant minus fees, inhuur trainer coaches en overige kosten) als koopprijs worden

aangemerkt en worden verrekend met de hiervoor genoemde schulden. Dit is de enige

vergoeding die verschuldigd is, en deze is afhankelijk van de daadwerkelijke betaling van de

klant. Impulsus bepaalt telkens zelfstandig de gehanteerde tariefstelling.

In geval van het overnemen van klanten door franchisenemers (geval b) zal de tussen Impulsus en die franchisenemer overeengekomen prijs voor die (weder)(ver)koop als koopprijs worden aangemerkt en eveneens worden verrekend met de hiervoor genoemde schuld. Dit is de enige vergoeding die verschuldigd is, en deze is afhankelijk van de daadwerkelijke betaling van de franchisenemer. Impulsus bepaalt telkens zelfstandig de hoogte van de koopprijs.

In het geval van c, hiervoor genoemd, is geen enkele vergoeding verschuldigd.

Er kan geen discussie worden opgeworpen door jou over de wijze waarop wij omgaan met de hiervoor genoemde keuzes, tarieven en koopsommen.

In het geval de totale schuld als hiervoor genoemd is voldaan en er nog steeds koopprijzen als hiervoor bedoeld verschuldigd worden, zullen deze tot en met 15 december 2012 conform het voorgaande worden overgemaakt naar jouw rekening. Na 15 december 2012 bestaat er geen enkele vergoedingsverplichting meer aan jou. Niet relevant daarbij is de vraag in welk stadium (potentiële) opdrachten zich bevinden etc.

Indien er na 15-12-2012 een restschuld is ten aanzien van de totale schuld als hiervoor genoemd zal deze afgelost worden door jou in maandelijkse betalingen van € 200,--, waarbij de eerste termijn ingaat op 1 januari 2013. Dit zal notarieel worden vastgelegd. Hierbij tekenen wij aan dat alle kosten die dit met zich mee brengt bij die restantvordering wordt opgeteld.

Je zult alle noodzakelijke medewerking verlenen om het voorgaande uit te voeren en bij die

medewerking positief blijven richting derden en onze medewerkers/franchisenemers.

Voorts dien je alle hulp- en trainingsmaterialen, werkmodellen, instructieboeken, formulieren, brochures, zowel papier als elektronisch voor 30 juni a.s. terug te hebben gegeven aan de Franchisegever, dan wel verwijderd te hebben uit mailboxen en elektronische folders op persoonlijke computers. Ook op internet en in sociale media dient zichtbaar te zijn dat de samenwerking met Impulsus en CIEP verleden tijd is.

Wij wijzen erop dat de artikelen 25, 8, 11, 14 en 27 van de franchiseovereenkomst na beëindiging van de franchiseovereenkomst volledig van kracht blijven.

Indien één of meerdere verplichtingen zoals hier vastgelegd door jou wordt geschonden, hebben we het recht deze afspraken te ontbinden en de daardoor geleden schade te verhalen.

Wil je ter bevestiging van de afspraken de eerste pagina van deze brief paraferen en de tweede pagina tekenen?

(…)”

Deze brief is door [A], [X] en [gedaagde] ondertekend en zal hierna de beëindigingsovereenkomst genoemd worden.

2.7.

ISF heeft eind 2012/begin 2013 door (een kantoorgenoot van) haar raadsman een schriftelijk stuk laten opstellen. Dit stuk is door [gedaagde] als Productie 8 overgelegd en zal hierna worden aangeduid als Productie 8. Het stuk heeft – voor zover relevant – de volgende inhoud:

“(…)

AKTE VAN GEDEELTELIJKE BEDRIJFSOVERDRACHT

De ondergetekenden:

1. de heer [gedaagde] (franchisenemer), wonende [adres], [woonplaats],

hierna ‘verkoper’,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Impulsus, Support & Facilities B.V., statutair gevestigd te Leiden en kantoorhoudende te Leiden aan de Doezastraat 35-37 (2311 HA), ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 28075477, hierbij rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [X], in zijn functie van directeur, hierna ‘koper’,

in aanmerking nemende dat:

verkoper als franchisenemer een onderneming exploiteert onder de naam Impulsus Personal Quality & Results, welke zicht bezig houdt met het verzorgen van trainingen t.b.v. ondernemingen en instellingen, met name gericht op het verbeteren van de efficiency op de werkvloer;

verkoper een zelfstandig deel van zijn onderneming aan koper wenst te verkopen;

koper te kennen heeft gegeven het zelfstandige deel van de onderneming van verkoper te

willen kopen;

de overdracht van de onderneming wordt beheerst door de navolgende voorwaarden en

bedingen.

komen het volgende overeen.

Artikel 1. Koop en verkoop

1. Op basis van de veronderstelling dat de tot op heden door verkoper ten aanzien van de onderneming verstrekte informatie juist en volledig is, koopt koper hierbij van verkoper een zelfstandig deel van de onderneming, gelijk verkoper deze aan koper verkoopt.

2. De onderneming van verkoper bestaat uit de volgende onderdelen:

a. een vaste groep van het klanten bestand en alle daarbij behorende informatie; een en ander als nader gespecificeerd in de aan deze overeenkomst aangehechte bijlage 1.

3. Verkoper verklaart dat de eigendomsoverdracht van dit zelfstandige deel van de onderneming aan koper, geschiedt vrij van beslag en van zakelijke en persoonlijke rechten ten gunste van derden.

4. Verkoper verplicht zich jegens koper de in lid 2 omschreven onderdelen behorende tot zijn onderneming op of voor de overnamedatum als omschreven in Artikel 2 te zullen leveren aan koper, gelijk koper verklaart deze alsdan te zullen aanvaarden, op de voor elk onderdeel van de onderneming vereiste wijze. Voor zover nodig zullen partijen over en weer medewerking verlenen aan de desbetreffende leveringshandeling(en).

5. Eventuele overige activa en passiva, welke behoren tot de onderneming van verkoper, worden door verkoper niet in eigendom overgedragen aan de koper, maar blijven eigendom van verkoper.

Artikel 2. Overnamedatum

De levering van voornoemde onderneming zal plaatsvinden op 30 juni 2012, hierna te noemen:

overnamedatum’.

Artikel 3. Rekening en risico

Het verkochte zelfstandige deel van de onderneming wordt vanaf de overnamedatum voor rekening en risico van koper uitgeoefend. Alle winst en verlies van de onderneming vanaf deze datum behaald, respectievelijk geleden, komen ten bate, respectievelijk ten laste, van koper, een en ander met inachtname van het in deze overeenkomst bepaalde.

Artikel 4. Koopsom

Met inachtneming van hetgeen vermeld is in Artikel 5 (betaling) zal verkoper het zelfstandige deel van de onderneming aan koper leveren tegen betaling door koper aan verkoper van een koopsom van € 86.717 , (zegge: zes en tachtig duizend zeven honderd zeventien euro).

Artikel 5. Betaling

1. Betaling door koper van de koopsom als genoemd in Artikel 5 dient te geschieden op de overnamedatum.

2. Alle betalingen geschieden door verrekeningen van de openstaande vorderingen van koper op de verkoper. Dit betreft ook de vorderingen van CiEP Personal Quality & Results BV., statutair gevestigd te Warmond en kantoorhoudend te Warmond aan de Achterpoelen 3 (2361 ME), ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 28083117 en Impulsus Personal Quality & Results statutair gevestigd te Leiden en kantoorhoudend te Leiden aan de Doezastraat 35-37 (2311 HA), ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 50106082, welke door middel van een overeenkomst tot openbare cessie zijn overgedragen aan koper.

3. Indien na verrekening van de koopsom met de openstaande vorderingen van koper op de verkoper, alsnog een bedrag verschuldigd is, zal de partij die nog een bedrag verschuldigd is, dit binnen 30 dagen na de overnamedatum worden voldaan.

2.8.

De raadsman van IPQR en ISF heeft [gedaagde] bij brief van 29 januari 2013 – samengevat – het volgende geschreven. Volgens IPQR en ISF is sprake van activiteiten van [gedaagde] die in strijd komen met de artikelen 8, 11 en 25 van de franchiseovereenkomst, als gevolg waarvan [gedaagde] tot dat moment een boete zou hebben verbeurd van € 525.000,00. Verder is [gedaagde] gesommeerd een verklaring te ondertekenen waarin is opgenomen dat hij de contractuele verplichtingen uit de franchiseovereenkomst zal nakomen, hij zich zal onthouden van activiteiten die in strijd zijn met de overeenkomst en/of onrechtmatig zijn jegens Impulsus, waaronder begrepen inbreuken op intellectuele eigendomsrechten. Naast het voorgaande roepen IPQR en ISF de vernietiging in van de overeenkomst van 12 juni 2012 waar het de betaling in termijnen betreft van een bedrag van € 32.457,00 omdat [gedaagde] volgens IPQR en ISF tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van 12 juni 2012. IPQR en ISF eisen betaling van genoemd bedrag binnen vier werkdagen.

2.9.

Bij brief van 27 mei 2013 van haar raadsman heeft Impulsus c.s. het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“(…)

Tot onze spijt is het Impulsus en u niet gelukt een oplossing te bereiken voor het gerezen geschil. U heeft zich geruime tijd niet gehouden aan belangrijke onderdelen van de beëindigingsovereenkomst d.d. 12 juni 2012 tussen Impulsus en uzelf. Impulsus heeft – en zo dit niet (volledig) gebeurd zou zijn, doet zij dit bij deze alsnog – de beëindigingsovereenkomst middels een schrijven onzerzijds d.d. 29 januari 2013 partieel ontbonden wegens niet nakoming, namelijk voor wat betreft de maandelijkse aflossing van de restant schuld. Het totaalbedrag is daarmee volledig opeisbaar. U hebt tot op heden niet (volledig) voldaan aan uw verplichting tot het afbetalen van uw schuld alsmede de verbeurde boetes, en heeft overigens aangegeven hiertoe ook niet bereid te zijn.

(…)”

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Impulsus c.s. vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat de overeenkomst van 12 juni 2012 (partieel) buitengerechtelijk is ontbonden, althans die overeenkomst alsnog (partieel) te ontbinden in het kader van de tekortkomingen zijdens [gedaagde];

II. [gedaagde] te veroordelen tot de volgende betalingen:

a. € 14.423,365 aan IPQR;

b. € 9.693,10 aan ISF;

c. € 6.089,52 aan IN;

telkens te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 29 januari 2013, althans te rekenen vanaf een in goede justitie te bepalen datum, alsmede te vermeerderen met een bedrag van € 359,02 aan buitengerechtelijke incassokosten;

III. indien de vordering onder II niet kan worden toegewezen, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 30.206,00 aan Impulsus c.s., te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 29 januari 2013, althans te rekenen vanaf een in goede justitie te bepalen datum, alsmede te vermeerderen met een bedrag van € 1.077,06 aan buitengerechtelijke incassokosten;

IV. indien de vorderingen onder nummers I en II niet kunnen worden toegewezen, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 200,00 maal het aantal maanden dat is verstreken sinds 1 januari 2013 tot de dag van het ten deze te wijzen vonnis (zijnde de vervallen termijnen vanaf de vaststellingsovereenkomst van 12 juni 2012), alsmede tot betaling van een maandelijks bedrag van € 200,00 vanaf de dag van het ten deze te wijzen vonnis totdat het bedrag van € 30.206,00 volledig is ingelost, alles te vermeerderen met wettelijke handelsrente te rekenen vanaf 29 januari 2013, althans te rekenen vanaf een in goede justitie te bepalen datum, alsmede te vermeerderen met een bedrag van € 1.077,06 aan buitengerechtelijke kosten;

V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.222.000,00 aan opeisbare boetes, te vermeerderen met € 500,00 vanaf 28 augustus 2013 tot aan de dag dat [gedaagde] Artikel 25.2 van de franchiseovereenkomst niet meer overtreedt, althans een in goede justitie te bepalen bedrag aan verschuldigde boetes;

VI. [gedaagde] telkens te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Impulsus c.s. in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Na vermindering van eis vordert [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair: veroordeling van Impulsus Support & Facilities B.V. tot betaling van een bedrag van € 160.052,69, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2012 tot de dag der algehele voldoening;

subsidiair: veroordeling van Impulsus Support & Facilities B.V. tot betaling van een bedrag van € 108.335,69, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2012 tot de dag der algehele voldoening;

dit, zowel primair als subsidiair met veroordeling van Impulsus Support & Facilities B.V. in de proceskosten.

3.5.

Impulsus c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing daarvan.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Ontvankelijkheid Impulsus c.s. in haar vorderingen

4.1.

Tussen partijen is onder meer in geschil of Impulsus c.s. kan worden ontvangen in haar vorderingen. [gedaagde] weerspreekt dit door erop te wijzen dat hij op 13 maart 2006 een overeenkomst heeft gesloten met IPQR Oud en niet met IPQR Nieuw of ISF of IN. Van contractsovername in de zin van Artikel 6:159 BW is volgens [gedaagde] geen sprake omdat hij daarvoor geen toestemming heeft gegeven.

4.2.

IPQR Nieuw stelt dat zij, in plaats van IPQR Oud, partij is geworden bij de franchiseovereenkomst met [gedaagde]. Bij oprichting van IPQR Nieuw heeft IPQR Oud op basis van Artikel 2:204 BW de franchiseactiviteiten van IPQR Oud ingebracht in IPQR Nieuw. Dit heeft IPQR Oud gedaan om te voldoen aan de op haar rustende volstortingsplicht, aldus IPQR Nieuw.

4.3.

Omdat IPQR Nieuw, ISF en IN een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten met [gedaagde] en zij – onder meer – nakoming van die overeenkomst vorderen, kunnen zij worden ontvangen in hun vorderingen in conventie. De gegrondheid daarvan komt hierna aan de orde.

Vorderingen onder II, III en IV

4.4.

Aan hun vorderingen tot betaling van respectievelijk € 14.423,365, € 9.693,10 en € 6.089,52 leggen IPQR, ISF en IN afzonderlijk, dan wel aan hun vordering tot betaling van € 30.206,00 gezamenlijk, het volgende ten grondslag. In de beëindigingsovereenkomst is vastgelegd dat [gedaagde] aan IPQR € 44.930,00, aan ISF € 30.196,00 en aan IN € 18.971,00 verschuldigd was. Het totaalbedrag van € 94.097,00 diende [gedaagde] volgens Impulsus c.s. op grond van de beëindigingsovereenkomst uiterlijk per 15 december 2012 te hebben betaald door middel van inkomsten uit uitvoering van opdrachten vanuit zijn portefeuille. Na uitvoering van een aantal projecten voor de gemeente Dronten, resteert thans nog een door [gedaagde] te betalen bedrag van € 30.206,00, aldus Impulsus c.s. Dit bedrag is opgebouwd uit de oorspronkelijke schuld van € 94.097,00 minus € 53.515,00, € 6.344,00 en € 4.032,00. Omdat de beëindigingsovereenkomst is ontbonden ten aanzien van de betaling in termijnen, kan in deze procedure volgens Impulsus c.s. betaling ineens worden gevorderd van de hiervoor genoemde bedragen of het totaalbedrag daarvan.

4.5.

[gedaagde] erkent dat hij op grond van de beëindigingsovereenkomst oorspronkelijk in totaal € 94.097,00 aan Impulsus c.s. diende te betalen. Belangrijkste twistpunt tussen partijen op dit punt is de verschuldigdheid van het thans door Impulsus c.s. gevorderde bedrag van € 30.206,00 dat na aftrek van de verdiensten voor het project gemeente Dronten van de oorspronkelijke vordering van € 94.097,00 resteert. [gedaagde] stelt dat hij en ISF een overeenkomst hebben gesloten tot overdracht van zijn klantenbestand tegen betaling door ISF van een koopprijs (hierna: de koopovereenkomst), waarbij de koopprijs volgens [gedaagde] even hoog diende te zijn als hetgeen hij aan Impulsus c.s. verschuldigd was, zodat plus en min tegen elkaar zouden wegvallen. De overeenkomst is volgens [gedaagde] in opdracht van ISF schriftelijk vastgelegd in het door hem als Productie 8 overgelegde stuk dat getiteld is “akte van gedeeltelijke bedrijfsoverdracht”. [gedaagde] stelt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de prijs en de over te dragen klanten en zogenoemde leads. Dit blijkt volgens hem ook uit het e-mailbericht van de medewerkster van Impulsus c.s. van 16 januari 2013 (productie 9 van [gedaagde]) waarin zij schrijft dat [gedaagde] de “overeenkomst” moet onderteken en een factuur dient te sturen van € 86.717,00. Impulsus c.s. voert tegen deze stellingen verweer.

4.6.

Het verweer van Impulsus c.s. dat [gedaagde] geen nakoming van de door [gedaagde] opgestelde koopovereenkomst kan vorderen dient te worden verworpen. Ter comparitie heeft Impulsus c.s. erkend dat niet [gedaagde], maar de (voormalig) raadsman van Impulsus c.s. de door [gedaagde] als Productie 8 overgelegde overeenkomst heeft opgesteld. Productie 8 is kennelijk de schriftelijke uitwerking van de (mondelinge) koopovereenkomst die [gedaagde] met ISF stelt te hebben gesloten.

4.7.

Impulsus c.s. weerspreekt niet dat tussen ISF en [gedaagde] (wils)overeenstemming is bereikt over de prijs en de over te dragen klanten en zogenoemde leads. Daarmee is dit komen vast te staan. Waar partijen aanvankelijk in de beëindigingsovereenkomst een bepaalde – gedifferentieerde – berekeningswijze zijn overeengekomen voor de door ISF te betalen koopprijs, zijn ISF en [gedaagde] later bij het sluiten van de (mondelinge) koopovereenkomst overeengekomen dat ISF een vaste koopprijs verschuldigd zou zijn. Daarmee is de koopovereenkomst – in ieder geval – op het punt van de koopprijs in de plaats getreden van de beëindigingsovereenkomst.

4.8.

Omdat Impulsus c.s. niet heeft weersproken dat de koopprijs van € 86.717,00, zoals deze in de koopovereenkomst staat vermeld, is overeengekomen tussen ISF en [gedaagde] dient deze prijs tot uitgangspunt te worden genomen. Of ISF dit bedrag diende te betalen is afhankelijk van het volgende. In deze procedure is voldoende komen vast te staan dat tussen ISF en [gedaagde] wilsovereenstemming bestond over de overdracht van klanten door [gedaagde] aan ISF tegen een koopprijs die even hoog zou zijn als het bedrag dat [gedaagde] nog aan Impulsus c.s. verschuldigd zou zijn na afronding van het project bij de gemeente Dronten. Het was, zoals [gedaagde] stelt en door Impulsus c.s. ter comparitie ook is erkend, de bedoeling van partijen om met gesloten beurzen uit elkaar te gaan. Impulsus c.s. erkent dat de in de overeenkomst (Productie 8 van [gedaagde]) vermelde koopprijs van € 86.717,00 ertoe zou leiden dat [gedaagde] zonder restschuld zou kunnen vertrekken na afronding van het project van de gemeente Drongen. Op grond hiervan dient ervan uit te worden gegaan dat [gedaagde] zich niet alleen tegenover ISF, maar ook tegenover IPQR Nieuw en IN op de gesloten koopovereenkomst kan beroepen.

4.9.

Met haar verweer dat [gedaagde] niet bevoegd zou zijn om een koopovereenkomst te sluiten omdat de klanten reeds zouden zijn overgedragen en [gedaagde] geen eigenaar meer was van de activa, verliest Impulsus c.s. uit het oog dat de goederenrechtelijke gevolgen van een (eerdere) overdracht niet aan het sluiten van een (nadere) koopovereenkomst in de weg staan. Daarom en omdat gesteld noch gebleken is dat de rechtsverhoudingen tussen [gedaagde] en zijn klanten overeenkomstig Artikel 6:159 BW zijn overgedragen, strandt dit verweer.

4.10.

Het beroep van Impulsus c.s. op dwaling ten aanzien van de als Productie 8 overgelegde overeenkomst wordt verworpen. Dat voor Impulsus c.s. duister is waarom de schriftelijke overeenkomst is opgesteld en [A] ziek was in de tijd dat de koopovereenkomst werd gesloten vormt in ieder geval geen voldoende onderbouwing voor een dergelijk beroep omdat deze feiten en omstandigheden geen betrekking hebben op de voorstelling van zaken die leefde bij Impulsus c.s. Omdat Impulsus c.s. haar beroep op dwaling voor het overige niet feitelijk heeft uitgewerkt faalt haar beroep op dwaling.

4.11.

Naast het voorgaande heeft Impulsus c.s. kennelijk bedoeld zich te beroepen op rechtsverwerking door [gedaagde] waar zij aanvoert dat [gedaagde] niets meer van zich heeft laten horen ten aanzien van de koopovereenkomst en ISF er zodoende op mocht vertrouwen dat [gedaagde] geen nakoming van de koopovereenkomst zou vorderen. Van rechtsverwerking kan slechts sprake zijn als de schuldeiser, in dit geval [gedaagde], zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Daarvoor is de enkele omstandigheid dat de schuldeiser gedurende lange tijd heeft stilgezeten onvoldoende; er dient sprake te zijn van bijkomende omstandigheden. Die heeft Impulsus c.s. niet gesteld, zodat haar beroep op rechtsverwerking wordt verworpen.

4.12.

Omdat het de bedoeling van partijen was dat zij met gesloten beurzen uit elkaar zouden gaan, althans [gedaagde] zonder schuld aan Impulsus c.s. zou kunnen vertrekken en dit ook is overeengekomen, kan Impulsus c.s. in deze procedure geen betaling vorderen van het bedrag van het bedrag van € 30.206,00. De vorderingen van Impulsus c.s. onder II, III en IV zullen daarom alle worden afgewezen. De in dit verband gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten delen dit lot.

Vordering onder V

4.13.

Vooropgesteld wordt dat een aandeelhouder bij de inbreng in natura ter voldoening aan de op hem rustende stortingsplicht zowel activa als passiva kan inbrengen. In dit geval dient beoordeeld te worden of IPQR Oud de gehele rechtsverhouding, bestaande uit wederkerige verbintenissen tussen haar en [gedaagde] die voortvloeien uit de franchiseovereenkomst, op de juiste wijze heeft overgedragen aan IPQR Nieuw. Een inbreng ter voldoening aan de stortingsplicht vormt op zich geen levering, maar vereist deze juist. Voorts dient voor het ter beschikking stellen van de inbreng, afhankelijk van de aard van het in te brengen object, een goederenrechtelijke handeling plaats te vinden. In dit kader is van belang wat in de akte van inbreng van 31 mei 2010 is bepaald ten aanzien van de inbreng door IPQR Oud. Indien deze akte niet de inbreng zelf inhoudt, maar slechts een verplichting tot inbreng, dan kan de akte niet dienen als de voor levering vereiste akte (vgl. Hoge Raad 29 oktober 2004, NJ 2004, 673; Tonnaer/Van Uden).

4.14.

Uit de door Impulsus c.s. overgelegde notariële akte van inbreng (productie 33) van 31 mei 2010 blijkt niet welke activa en passiva IPQR Oud daadwerkelijk heeft geleverd aan IPQR Nieuw. De bij de akte horende beschrijving en door een registeraccountant opgestelde inbrengverklaring en akte(n) van levering zijn niet door Impulsus c.s. overgelegd, zodat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van de stelling dat de franchiseactiviteiten, waaronder is begrepen de rechtsverhouding met [gedaagde], zijn ingebracht in IPQR Nieuw. Er kunnen geen rechten of verplichtingen voor IPQR Nieuw zijn ontstaan indien niet aan de eisen van – onder meer – artikelen 2:204 en 2:204a BW (zoals deze luidden tot 1 oktober 2012, de datum van inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht) is voldaan. Dit is van belang omdat Impulsus c.s. in deze procedure onder meer veroordeling van [gedaagde] vordert tot betaling van boetes die zij baseert op bepalingen in de franchiseovereenkomst waarvan de rechten en plichten mogelijkerwijs – dit kan niet worden vastgesteld op grond van de voorhanden stukken – niet aan IPQR Nieuw toekomen. Reeds hierom kan Impulsus c.s. niet worden gevolgd waar zij stelt dat sprake is van contractsoverneming in de zin van Artikel 6:159 BW. Impulsus c.s. zal evenwel niet in de gelegenheid worden gesteld om de bij de akte horende beschrijving en inbrengverklaring in het geding te brengen vanwege het volgende.

4.15.

Voor zover de akte van inbreng van 31 mei 2010 al kan worden beschouwd als akte in de zin van Artikel 6:159 BW en rechten en plichten van IPQR Oud aan IPQR Nieuw zijn overgedragen – hetgeen zoals hiervoor is overwogen niet kan worden vastgesteld – kan niet worden gesproken van contractsoverneming omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] daaraan zijn medewerking heeft verleend. Anders dan Impulsus c.s. betoogt, volgt uit Artikel 22 van de franchiseovereenkomst niet dat [gedaagde] bij voorbaat toestemming heeft gegeven voor, of medewerking heeft verleend aan overdracht aan IPQR Nieuw van de gehele rechtsverhouding tussen IPQR Oud en [gedaagde]. Artikel 22 van de franchiseovereenkomst brengt immers een scheiding aan tussen rechten en plichten die uit die overeenkomst voortvloeien en op basis van het Artikel kunnen enkel rechten bevoegdelijk worden overgedragen door de franchisegever. Het Artikel rept echter niet over de bevoegdheid van IPQR Oud om op haar rustende verplichtingen aan een derde over te dragen. Artikel 23 waarop Impulsus c.s. zich ook beroept is niet van toepassing omdat van overdracht van rechten van de franchisenemer in de zin van dat Artikel geen sprake is. Het Artikel heeft betrekking op de overdracht van de onderneming van de franchisenemer en de daarvoor benodigde toestemming van de franchisegever. Dit alles brengt mee dat er geen sprake is van een op de artikelen 22 en 23 van de franchiseovereenkomst gebaseerde (toestemming bij voorbaat voor of) medewerking aan overdracht van de (gehele) rechtsverhouding tussen IPQR Oud en [gedaagde] aan IPQR Nieuw.

4.16.

Evenmin is komen vast te staan dat [gedaagde] op een later moment toestemming aan overdracht heeft gegeven. Impulsus c.s. stelt dat dit wel het geval is. Zij voert in dit verband aan dat zij tijdens bijeenkomsten, onder meer in de franchiseraad waarbij [gedaagde] niet betrokken was, mededeling heeft gedaan van het feit dat er een “opschaling in de vennootschap” plaatsvond en dat voor iedereen duidelijk is geweest hoe de nieuwe situatie eruit zou komen te zien, zonder concreet in te gaan hoe uit mededelingen van Impulsus c.s. aan de franchisenemers de medewerking van [gedaagde] zou kunnen blijken en zonder toe te lichten wat zij bedoelt met de term “opschaling in de vennootschap”. Dat er geen vragen zijn gesteld, zoals Impulsus c.s. aanvoert, geeft evenmin blijk van medewerking van de benodigde medewerking van [gedaagde]. De enkele mededeling aan [gedaagde], al dan niet bij confraternele correspondentie, dat de overeenkomst met [gedaagde] door IPQR Oud aan IPQR Nieuw zou zijn overgedragen is onvoldoende om te kunnen spreken van medewerking van [gedaagde] aan de overdracht van die rechtsverhouding door IPQR Oud aan IPQR Nieuw.

4.17.

Omdat Impulsus c.s. geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat [gedaagde] medewerking heeft verleend aan de overdracht van de gehele rechtsverhouding – en niet enkel de rechten van IPQR Oud op [gedaagde] – is niet komen vast te staan dat sprake is van contractsoverneming in de zin van Artikel 6:159 BW. Verder heeft Impulsus c.s. niet gesteld dat IPQR Oud door middel van cessie vorderingsrechten heeft overgedragen aan IPQR Nieuw. Hieruit volgt dat, voor zover de rechtsverhouding tussen IPQR Oud en [gedaagde] deelbaar was in rechten en verplichtingen en deze (tegenover elkaar staande) rechten en verplichtingen afzonderlijk zouden kunnen worden overgedragen, niet is komen vast te staan dat IPQR Nieuw enig vorderingsrecht op [gedaagde] heeft verkregen van IPQR Oud.

4.18.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat geen van de eiseressen enig vorderingsrecht kan ontlenen aan de franchiseovereenkomst tussen IPQR Oud en [gedaagde] en dat de op de bepalingen in deze overeenkomst gebaseerde vordering onder V (de veroordeling tot betaling van boetes) zal worden afgewezen.

Vordering onder I

4.19.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ontbreekt belang van Impulsus c.s. bij toewijzing van haar vordering onder I. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom niet worden gegeven.

Proceskosten

4.20.

IPQR c.s. zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 75,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 6.497,00

in reconventie

4.21.

Hetgeen hiervoor in conventie is overwogen, met name onder 4.5. tot en met 4.12., brengt mee dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie eveneens dienen te worden afgewezen. Het uitgangspunt van partijen bij het sluiten van de koopovereenkomst was immers het uiteengaan met gesloten beurzen, waarbij de koopovereenkomst in de plaats is getreden van de beëindigingsovereenkomst zodat [gedaagde] daarom geen nakoming van die laatste overeenkomst kan vorderen. Hetgeen [gedaagde] voor het overige heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

4.22.

[gedaagde] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van IPQR c.s. worden begroot op € 1.421,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 1.421,00) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Impulsus c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 6.497,00,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen af,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Impulsus c.s. tot op heden begroot op € 1.421,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, bijgestaan door mr. C.T. Hemmink als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2015.1

1 type: CTH/4065 coll: RS/4234