Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU3807

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
493693/ CV EXPL 10-17098
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres biedt via internet vliegtickets aan. Gedaagde heeft bij eiseres een vliegticket geboekt en dit betaald met haar creditcard. Wegens faillissemenet van de luchtvaartmaatschappij heeft de door gedaagde geboekte vlucht niet kunnen plaatsvinden. Gedaagde heeft haar betaling laten storneren.

Eiseres vordert betaling van de kosten van het vliegticket. De vordering wordt afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat eiseres heeft voldaan aan haar verplichting een e-ticket aan gedaagde te leveren. De kantonrechter overweegt voorts dat, ook indien wel een e-ticket zou zijn geleverd, eiseres geen betaling van de kosten van het vliegticket toekomt, nu zij stelt als bemiddelaar tussen gedaagde en de luchtvaartmaatschappij te hebben opgetreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 493693/ CV EXPL 10-17098

datum uitspraak: 6 juli 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

BEINS TRAVEL GROUP B.V.

te Oosterhout

eiseres

hierna te noemen BTG

gemachtigde mr. P.L.J.M. Guinee, Van Arkel gerechtsdeurwaarders

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde

hierna te noemen [gedaagde]

verschenen bij A.A. Broekhuizen

De procedure

BTG heeft [gedaagde] gedagvaard op 14 december 2010. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 19 januari 2011 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011, waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. BTG heeft bij de comparitie stukken in het geding gebracht. Na de comparitie heeft BTG nog een akte ingediend, waarop [gedaagde] schriftelijk heeft gereageerd.

De feiten

a. BTG handelt (ook) onder de naam CheapTickets.nl en biedt via internet vliegtickets aan.

b. [gedaagde] heeft op 28 oktober 2008 via de website van BTG een vliegticket geboekt voor een retourvlucht van Amsterdam naar Kopenhagen met de luchtvaartmaatschappij Sterling.

c. Op 28 oktober 2008 heeft BTG aan [gedaagde] per e-mail een bevestiging gestuurd waarin ondermeer is opgenomen:

” Hartelijk bedankt voor uw online reservering. Deze boekingsbevestiging dient tevens als factuur. Binnen 24 uur ontvangt u van ons een tweede e-mail met hierin uw e-ticket. Indien u onverhoopt geen email ontvangt met het e ticketnummer dient u contact met ons op te nemen.”

d. [gedaagde] heeft de factuur voor de vlucht ter hoogte van € 413,35 op 28 oktober 2010 betaald met haar creditcard.

e. Kort na de boeking van het vliegticket is Sterling in staat van faillissement verklaard. [gedaagde] heeft daardoor niet met Sterling van Amsterdam naar Kopenhagen en terug kunnen vliegen.

f. [gedaagde] heeft haar betaling van de factuur laten storneren.

De vordering

BTG vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 521,53. De vordering bestaat uit € 413,95 aan hoofdsom, € 33,18 aan rente en € 75,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. BTG legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] een vliegticket heeft gekocht via BTG. BTG heeft het vliegticket aan [gedaagde] geleverd en heeft aldus aan haar verplichtingen voldaan. BTG heeft ook zelf daadwerkelijk kosten gemaakt door het vliegticket aan Sterling te betalen. BTG was niet op de hoogte van een faillissementsaanvraag van Sterling. Nu [gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een annulerings- of vliegticketverzekering af te sluiten, komt het risico van het faillissement van Sterling voor haar rekening.

Het verweer

[gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan dat BTG niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. Bovendien had BTG haar geen vliegticket van Sterling mogen aanbieden, omdat BTG op de hoogte had moeten zijn van de faillissementsaanvraag van Sterling. [gedaagde] voert verder aan dat zij het geschil tussen partijen heeft voorgelegd aan de geschillencommissie te Den Haag.

De beoordeling van het geschil

1. Allereerst moet de kantonrechter beoordelen of hij bevoegd is om van de onderhavige vordering kennis te nemen. Dat zou niet het geval zijn indien het geschil tussen partijen aanhangig is bij de geschillencommissie te Den Haag en deze bij wege van bindend advies uitspraak zal doen.

2. [gedaagde] heeft gesteld dat zij het geschil in september 2010 aan de geschillencommissie te Den Haag heeft voorgelegd. BTG heeft aangevoerd dat zij informatie heeft ingewonnen bij de geschillencommissie en heeft vernomen dat deze het geschil niet in behandeling heeft genomen, omdat [gedaagde] te laat de klacht aan de geschillencommissie had voorgelegd. Het door [gedaagde] gestorte klachtengeld is, volgens BTG, aan [gedaagde] door de commissie terugbetaald en het depotgeld is niet geïnd. [gedaagde] heeft vervolgens haar stelling dat het geschil in behandeling is bij de geschillencommissie niet nader concreet onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van betalingsbewijzen of brieven van de commissie waaruit blijkt dat het geschil (nog) in behandeling is.

Gelet hierop moet de kantonrechter het er voor houden dat het geschil niet bij wege van bindend advies in behandeling is bij de geschillencommissie te Den Haag en acht hij zich bevoegd van het geschil tussen partijen kennis te nemen.

3. De kantonrechter begrijpt de stellingen van BTG aldus dat via haar bemiddeling door Sterling aan [gedaagde] een vliegticket is verkocht en dat [gedaagde] de door BTG voorgeschoten koopsom aan haar dient te vergoeden.

4. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet gehouden is aan BTG een vergoeding voor de koopsom te betalen. Daartoe is het volgende redengevend.

Op grond van de bevestigingsbrief van 28 oktober 2008 die BTG aan [gedaagde] heeft verzonden, had binnen 24 uur een tweede e-mail met daarin het e-ticket aan [gedaagde] verzonden moeten zijn. Dat dit is gebeurd, is echter gesteld noch gebleken. Dat op andere wijze (later) alsnog een e-ticket is geleverd is evenmin gesteld of gebleken. De levering van het e-ticket was echter volgens de stellingen van BTG wel een van haar verplichtingen. Door het faillissement van Sterling kon BTG ook geen e-ticket meer leveren. [gedaagde] heeft vervolgens door middel van de stornering van de betaling de overeenkomst tussen partijen (feitelijk) ontbonden op grond van het tekortschieten van BTG en is daardoor niet (meer) gehouden om BTG te betalen.

5. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat zelfs indien wel zou zijn komen vast te staan dat BTG een e-ticket aan [gedaagde] had geleverd, BTG ook geen aanspraak had kunnen maken op betaling van de koopsom. BTG heeft immers gesteld te hebben bemiddeld bij de totstandkoming van de koopovereenkomst tussen Sterling en [gedaagde]. In beginsel is het dan Sterling die betaling van de koopsom kan vorderen en niet de bemiddelaar. De bemiddelaar heeft slechts aanspraak op een bemiddelingsvergoeding. Een eventueel door BTG – achteraf bezien – onverschuldigd aan Sterling betaald voorschot, dient BTG zelf terug te vorderen van Sterling. Een faillissement van Sterling komt in deze situatie voor rekening en risico van BTG.

6. Gelet op het voorgaande dienen de hoofd- en nevenvorderingen van BTG te worden afgewezen. De proceskosten komen voor rekening van BTG omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt BTG tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag worden begroot op € 25,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten ex artikel

238 lid 2 Rv.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Frinking en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum. Bij afwezigheid van mr. Frinking is dit vonnis getekend door mr. J.J. Dijk.