Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:377

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
23-01-2014
Zaaknummer
860027 en 2197410
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Geschil over cardioscan-apparatuur bij sportscholen. De kantonrechter overweegt dat in het onderhavige geval een tussen A en B gesloten franchiseovereenkomst en een tussen A en C gesloten leaseovereenkomst zozeer met elkaar verbonden zijn, dat de ontbinding van de franchiseovereenkomst leidt tot ontbinding van de leaseovereenkomst.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 860027 \ CV EXPL 13-817 \ JG\516 (hoofdzaak)

zaakgegevens 2197410 \ CV EXPL 13-9874 \JG\516 (vrijwaring)

uitspraak van

vonnis

in de hoofdzaak van

de naamloze vennootschap [Rechtspersoon X]

gevestigd te Maasbree

eisende partij in conventie

gedaagde partij in reconventie

gemachtigde mr. M.T.W. Wijnen

tegen

[persoon A]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

gemachtigde mr. M.G.G. de Bruin

In de vrijwaringszaak van

[persoon A]

wonende te Arnhem

eisende partij in de vrijwaringszaak

gemachtigde mr. M.G.G. de Bruin

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Rechtspersoon Y],

v.h.o.d.n. [handelsnaam rechtspersoon Y]

gevestigd te Langedijk

gedaagde partij in de vrijwaringszaak

Partijen worden hierna ook[Rechtspersoon X], [persoon A] en [Rechtspersoon Y] genoemd

1 De procedure in de hoofdzaak

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 januari 3013 met producties;

- de (incidentele) vonnissen van 17 april 2013 en 26 juni 2013 en de daarin genoemde processtukken;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte voorwaardelijke vermeerdering van eis;

- de akte overlegging producties in conventie en reconventie tevens akte wijziging / aanvulling van eis in reconventie;

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 29 november 2013.

2 De procedure in de vrijwaringszaak

Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 26 juni 2013;

  • -

    de dagvaarding van 16 juli 2013 met producties;

  • -

    het aan [Rechtspersoon Y] op haar verzoek tot twee maal toe verleende uitstel voor het nemen van een conclusie van antwoord.

3 De feiten

3.1.

[persoon A] drijft een sportschool/fitnesscentrum te Arnhem onder de naam [bedrijfsnaam].

3.2.

[persoon A] is eind 2010 benaderd door de heer [persoon B] en begin 2011 door de heer [persoon C] (hierna: [persoon C]), enig bestuurder en aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Verzekerd Fit Polis B.V., een onderneming die zich toelegt op zakelijke dienstverlening aan sportscholen en fitnesscentra.

3.3.

[persoon C] heeft [persoon A] aangeboden om door middel van het aangaan van een franchiseovereenkomst te participeren in het door [persoon C] ontwikkelde BodyCheck-concept. Een concept waarbij klanten van sportscholen een bodycheck kunnen laten uitvoeren middels een cardioscan.

3.4.

Bij mailbericht van 17 mei 2011 heeft [persoon C] aan [persoon A] meegedeeld dat de activiteiten, alsmede alle rechten en verplichtingen van Verzekerd Fit Polis B.V. met terugwerkende kracht per 1 januari 2011 zijn overgenomen door [handelsnaam rechtspersoon Y], een besloten vennootschap waarvan [persoon C] eveneens enig bestuurder en aandeelhouder is.

3.5.

Bij de stukken bevindt zich een op 7 juni 2011 door [persoon A] ondertekende franchiseovereenkomst met [handelsnaam rechtspersoon Y] (verder: de franchiseovereenkomst). Van de zijde van [handelsnaam rechtspersoon Y] is de franchiseovereenkomst niet ondertekend.

3.6.

In de franchiseovereenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“(…) In aanmerking nemende:

  • -

    dat franchisegever het BodyCheck-concept heeft ontwikkeld wat voor fitnesscentra potentiële nieuwe leden genereert, de band met bestaande leden verstevigt en de retentie verbetert; (…)

  • -

    dat het concept verder onder meer wordt gekenmerkt door de volgende eigenschappen:

  • -

    het aanbieden van bodychecks aan leden en potentiële leden;

  • -

    exclusiviteit in de regio;

  • -

    het gebruik van overige door franchisegever verworven know-how; (…)

Artikel 5: De compensatie door franchisegever

1. De franchisegever vergoedt maandelijks aan franchisenemer een bedrag van € 150,00 (exclusief BTW) ten behoeve van de kosten voor lease of koop van de Cardioscan-apparatuur, bestaande uit hardware met software, evenals een laptop of desktop met printer. (…)

Artikel 6: De cardioscan apparatuur

  1. Franchisenemer kan de voor het BodyCheck-concept benodigde Cardioscan-apparatuur kopen of leasen. De franchisenemer gaat hiervoor zelfstandig een afzonderlijke koop- of leaseovereenkomst aan met de leverancier Meditronics (en bij lease de betreffende leasemaatschappij).

  2. De cardioscan-apparatuur bestaat uit hardware met software, evenals een laptop of desktop met printer, een bloeddrukmeter, een lengtemeter, en een weegschaal. (…)

Artikel 9: Zelfstandig ondernemerschap

  1. (…)

  2. De franchisenemer is niet bevoegd op naam en/of voor rekening van de franchisegever te handelen. Door de franchisenemer gesloten overeenkomsten met derden verbinden nimmer de franchisegever, maar doen slechts verbintenissen ontstaan tussen desbetreffende derde(n) en de franchisenemer. (…)

Artikel 13: Gevolgen beëindiging

  1. (…)

  2. De in het geval van lease aangegane lease-overeenkomst voor de Cardioscan-apparatuur eindigt niet bij het beëindigen van het franchisecontract. De verplichtingen hiervan lopen door tot het einde van lease-overeenkomst (…)”

3.7.

[persoon A] heeft op 14 juni 2011 ten behoeve van de cardioscan-apparatuur (verder: de cardioscan) een leaseovereenkomst (classic lease nr. 064-009117) gesloten met[Rechtspersoon X], een onderneming die zich bezig houdt met het in lease geven van roerende zaken.

3.8.

In de leaseovereenkomst tussen[Rechtspersoon X] en [persoon A] staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“(…) Basishuurperiode:

60 maandelijkse termijnen netto € 150,00 per maand

plus wettelijke BTW € 28,50 BTW

maandelijkse bruto leasetermijn € 178,50 (…)

Ik ga / wij gaan akkoord met de algemene leasevoorwaarden zoals hierboven en op de keerzijde beschreven. (…)

Er zijn geen andere, afwijkende regelingen of nevenakkoorden overeengekomen. De lessor wijst erop dat de leverancier of andere derden niet het recht hebben afspraken te maken die afwijken van de contractuele tekst of toezeggingen te doen of de lessor op een andere manier te vertegenwoordigen. (…)”

3.9.

Op de leaseovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Deze luiden, voor zover van belang, als volgt:

“(…) Artikel 8 Facturering en betaling

8.4

Het door de Lessee toepassen van korting of compensatie op de verschuldigde leasetermijnen, dan wel opschorting van de betaling is niet toegestaan. (…)

Artikel 17 Redenen voor ontbinding

Indien Lessee niet, niet behoorlijk of niet tijdig nakomt (…), is Lessee van rechtswege en onmiddellijk in verzuim en is Lessor gerechtigd, zonder enige verplichting tot schadevergoeding en onverminderd de aan Lessor verder toekomende rechten, zonder dat ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst daartoe vereist is, het leascontract geheel of gedeeltelijk te ontbinden dan wel de (verdere) uitvoering van de overeenkomst op te schorten. Lessor is in die gevallen voorts gerechtigd onmiddellijke voldoening van het ons toekomende te vorderen.

Artikel 18 Gevolgen van ontbinding

18.2

Indien de Lessor gebruik maakt van zijn recht op ontbinding (…) dan heeft de Lessor recht op betaling van de voor de totale leasetijd nog uitstaande leasetermijnen. (…) De claim van de Lessor is opeisbaar met ingang van de ontbinding (…).

18.3

De Lessee is verplicht om na ontbinding het leaseobject onmiddellijk op zijn kosten en op zijn eigen risico terug te geven op het vestigingsadres van de Lessor of aan een door de Lessor aangeduide derde. Indien de Lessee het Leaseobject niet onmiddellijk doch uiterlijk binnen vijf dagen teruggeeft, dan heeft de Lessor het recht het Leaseobject op kosten van de Lessee te laten afhalen, welke kosten minimaal € 250,- bedragen. (…)”

3.10.

Blijkens de afgiftebevestiging is de cardioscan op 16 juni 2011 door Meditroncis, de leverancier van het product, bij [persoon A] geplaatst.

3.11.

Bij brief van 23 maart 2012 heeft (de gemachtigde van) [persoon A] aan[Rechtspersoon X] onder andere het volgende laten weten:

“(…) Cliënten zijn (via verzekerd Fit Polis B.V. dan wel [handelsnaam rechtspersoon Y] althans via de heer [voornaam] [persoon C]) met u een leaseovereenkomst aangegaan.

Namens cliënten deel ik u hierbij mede dat zij tot nader bericht de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van die overeenkomsten opschorten in verband met de toerekenbare tekortkoming aan de zijde van respectievelijk Verzekerd Fit Polis B.V., dan wel [handelsnaam rechtspersoon Y], althans de heer [voornaam] [persoon C] in de met die leaseovereenkomsten samenhangende overeenkomsten. (…)”

3.12.

Vanwege het uitblijven van de betaling van de maandelijkse leasetermijnen heeft[Rechtspersoon X] de leaseovereenkomst met [persoon A] bij brief van 17 juli 2012 buitengerechtelijk ontbonden.

3.13.

Blijkens een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel handelt [handelsnaam rechtspersoon Y] sinds 14 januari 2013 onder de naam [Rechtspersoon Y]

3.14.

Bij brief van 7 mei 2013 heeft (de gemachtigde van) [persoon A] (ter attentie van [persoon C]) het volgende geschreven aan [Rechtspersoon Y], voorheen handelend onder de naam [handelsnaam rechtspersoon Y]:

“(…) Cliënten hebben u eerder reeds afzonderlijk en gezamenlijk aangesproken op diverse tekortkomingen aan de kant van u en uw ondernemingen, waaronder in het bijzonder (maar niet uitsluitend beperkt tot) het niet uitkeren van de maandelijkse vergoedingen voor de leasekosten, het niet verlenen van de overeengekomen gebiedsbescherming en het uitblijven van de door u, althans uw ondernemingen, toegezegde effectieve marketingcampagne.

U heeft cliënten meermalen beterschap beloofd zonder daadwerkelijk uw verplichtingen jegens cliënten na te komen. In diverse e-mails heeft u erkend dat niet aan de verplichtingen is voldaan.

Voorts heeft u cliënten geen juiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot het bodycheckconcept, de daaraan wel of niet gelieerde ondernemingen, de samenhang tussen de diverse ondernemingen en het kostenplaatje.

Cliënten hebben bij het aangaan van zowel de overeenkomsten met uw ondernemingen als die met de leasemaatschappijen op de hiervoor genoemde voor cliënten essentiële punten gedwaald als gevolg van de daarover door dan wel namens u gedane mededelingen. Indien cliënten een juiste voorstelling van zaken zouden hebben gehad, hadden zij de overeenkomsten met zowel uw ondernemingen als de leasemaatschappijen niet, althans niet onder de huidige voorwaarden gesloten.

Primair stellen cliënten zich op het standpunt dat de overeenkomsten middels bedrog tot stand zijn gekomen, dan wel dat zij bij het aangaan van de overeenkomsten hebben gedwaald, op grond waarvan zij middels dit schrijven buitengerechtelijk overgaan tot vernietiging van die overeenkomsten, met dien verstande dat de vernietiging zich niet uitstrekt tot de in de overeenkomsten opgenomen vrijwaringsbedingen.

Subsidiair stellen cliënten zich op het standpunt dat u reeds (lang) in verzuim verkeert. Slechts voor zover nodig verzoek en sommeer ik u langs deze weg nogmaals uw verplichtingen uit de met cliënten gesloten overeenkomsten, in het bijzonder maar niet beperkt tot de uitbetaling van de gehele vergoedingen ter zake van de leasekosten, terstond, althans binnen 2 dagen na heden, na te komen. (…)

Reeds nu voor alsdan gaan cliënten middels dit schrijven over tot buitengerechtelijke ontbinding van de met uw onderneming(en) gesloten overeenkomsten met dien verstande dat de ontbinding zich niet uitstrekt tot de in de overeenkomsten opgenomen vrijwaringsbedingen. (…)”

4 De vordering en het verweer in conventie in de hoofdzaak

4.1.

[Rechtspersoon X] vordert thans, na voorwaardelijke vermeerdering van eis in conventie, dat de kantonrechter bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I [persoon A] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan[Rechtspersoon X] te voldoen:

  1. een bedrag van € 10.115,10, zijnde de vordering inclusief buitengerechtelijke incassokosten berekend conform voorwerk II vermeerderd met de wettelijke (handels)rente over de hoofdsom van € 8.977,41 vanaf 22 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

  2. althans een bedrag van € 10.047,10 zijnde de vordering inclusief buitengerechtelijke incassokosten berekend conform de staffel incassokosten en salarissen in rolzaken sector kanton, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf 22 oktober 2013 tot aan de dag van algehele voldoening,

  3. althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

II [persoon A] veroordeelt tot afgifte van of het ter beschikking stellen aan[Rechtspersoon X] van de cardioscan, binnen 2 dagen na betekening van het te wijzen vonnis,

  1. zulks op straffe van een dwangsom van € 250,-, voor iedere dag dat [persoon A] hiermee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag; en

  2. ij gebreke waarvan [persoon A] dient te gehengen en te gedogen dat[Rechtspersoon X] zich de feitelijke macht over de cardioscan verkrijgt, desnoods met behulp van de sterke arm van justitie en politie, met de kosten daarvan ten laste van [persoon A];

III voorwaardelijk bepaalt, namelijk indien de leaseovereenkomst als vernietigd moeten worden beschouwd of wordt vernietigd:

a. dat aan de vernietiging (deels) op grond van artikel 3:53 BW, de werking wordt ontzegd aldus dat:

  • -

    (primair) de vernietiging uitsluitend werking heeft vanaf de datum van het vonnis in deze procedure, althans de datum waarop de leaseovereenkomst wordt vernietigd c.q. als vernietigd moet worden beschouwd en mitsdien op [persoon A] en[Rechtspersoon X] geen verplichting komt te rusten om verrichte prestaties terug te betalen;

  • -

    (subsidiair) aan [persoon A] de verplichting wordt opgelegd om een bedrag aan[Rechtspersoon X] te betalen dat gelijk is aan het bedrag dat[Rechtspersoon X] aan [persoon A] zou moeten betalen als gevolg van vernietiging;

althans [persoon A] te veroordelen om aan[Rechtspersoon X] te betalen een vergoeding van de waarde van het ter beschikking stellen van het leaseobject ingevolge artikel 6:210 lid 2 BW, derhalve [persoon A] te veroordelen tot betaling van een bedrag van (primair) € 5.355,00 te vermeerderen met € 178,50 voor iedere maand, te rekenen vanaf 16 december 2013, dat de geleasete apparatuur zich nog onder [persoon A] bevindt; althans (subsidiair) € 1.695,75;

IV [persoon A] voorwaardelijk te veroordelen, namelijk indien de leaseovereenkomst op vordering van eisers in reconventie zou worden ontbonden c.q. als nimmer tot stand gekomen zou moeten worden beschouwd, tot betaling van een bedrag van (primair)

€ 5.355,00 te vermeerderen met € 178,50 voor iedere maand, te rekenen vanaf 16 december 2013, dat de geleasete apparatuur zich nog onder [persoon A] bevindt althans (subsidiair)

€ 1.695,75;

V. [persoon A] te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen het salaris gemachtigde.

4.2.

[Rechtspersoon X] legt, zakelijk weergegeven, aan haar vorderingen ten grondslag dat tussen partijen op 14 juni 2011 een leaseovereenkomst is gesloten, uit hoofde waarvan op[Rechtspersoon X] de verplichting rust om aan [persoon A] een cardioscan ter beschikking te stellen en op [persoon A] de verplichting om de overeengekomen maandelijkse leasetermijnen steeds tijdig en volledig te voldoen. Ondanks sommaties heeft [persoon A] meerdere leasetermijnen onbetaald gelaten. Hij is daardoor tekort geschoten in de op hem rustende betalingsverplichting. Vanwege die tekortkoming heeft[Rechtspersoon X] de leaseovereenkomst (buitengerechtelijk) ontbonden.[Rechtspersoon X] vordert, op grond van haar algemene voorwaarden, de betaling van de achterstallige en toekomstige leasetermijnen, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente, administratie- en buitengerechtelijke kosten en de teruggave van de cardioscan.

4.3.

[persoon A] voert verweer dat hierna, voor zover hier van belang, door de kantonrechter zal worden besproken.

5 De vordering en het verweer in reconventie in de hoofdzaak

5.1.

Na akte wijziging van eis vordert [persoon A], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij vonnis bij voorraad, dat de kantonrechter:

primair:

  • -

    voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen [persoon A] en[Rechtspersoon X] is vernietigd c.q. ontbonden, dan wel deze overeenkomst bij dit vonnis te vernietigen dan wel te ontbinden;

  • -

    voor recht verklaart dat al hetgeen [persoon A] in het kader van de alsdan vernietigde overeenkomst aan[Rechtspersoon X] heeft voldaan onverschuldigd is betaald;[Rechtspersoon X]

  • -

    veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 1.425,00 exclusief BTW, zijnde € 1.695,75 inclusief BTW;

  • -

    althans voor recht verklaart dat ingeval van ontbinding van de overeenkomst partijen over en weer van hun verplichtingen zijn bevrijd en op [persoon A] geen betalingsverplichting meer rust;

subsidiair:

  • -

    voor recht verklaart dat tussen partijen geen rechtshandeling tot stand is gekomen op grond waarvan op[Rechtspersoon X] een verplichting tot ongedaanmaking rust;

  • -

    [Rechtspersoon X] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 1.425,00 exclusief BTW, zijnde € 1.695,75, inclusief BTW;

zowel primair als subsidiair:[Rechtspersoon X]

  • -

    [Rechtspersoon X] veroordeelt om de cardioscan met toebehoren op eigen kosten bij [persoon A] op te komen halen;[Rechtspersoon X]

  • -

    te veroordelen tot ongedaanmaking dan wel opheffing van de door haar ten laste van [bedrijfsnaam] bij het BKR gedane registratie, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, althans gedeelte van een dag, dat[Rechtspersoon X] na betekening van het ten deze te wijzen vonnis in gebreke blijft ter zake aan dat vonnis te voldoen.

5.2.

[persoon A] stelt zich primair op het standpunt dat gelet op de gang van zaken rondom het afsluiten van de overeenkomsten sprake is van zodanige samenhang tussen de franchiseovereenkomst en de leaseovereenkomst dat sprake is van lotsverbondenheid. Nu de franchiseovereenkomst is vernietigd, c.q. ontbonden, treft de franchiseovereenkomst datzelfde lot. Voor zover samenhang niet wordt aangenomen, stelt [persoon A] subsidiair dat de leaseovereenkomst (zelfstandig) vernietigd of ontbonden is, dan wel dient te worden, omdat hij heeft gedwaald ten aanzien van het product (de cardioscan), respectievelijk omdat er sprake was van gebreken aan het product.

5.3.

[Rechtspersoon X] voert verweer dat hierna, voor zover van belang, door de kantonrechter zal worden besproken.

6 De vordering en het verweer in de vrijwaringszaak

6.1.

[persoon A] vordert dat de kantonrechter [Rechtspersoon Y] veroordeelt om aan hem al datgene te betalen waartoe hij bij vonnis in de hoofdzaak wordt veroordeeld, met veroordeling van [Rechtspersoon Y] in de kosten van zowel de hoofdzaak als de vrijwaringszaak.

6.2.

[persoon A] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij met de rechtsvoorganger van [Rechtspersoon Y] ([handelsnaam rechtspersoon Y]) een franchiseovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan hij verplicht was tot de koop of lease van een cardioscan met toebehoren en [Rechtspersoon Y] gehouden is aan hem een maandelijkse vergoeding te voldoen ten behoeve van de lease of koop van voornoemde apparatuur, welke kosten onderwerp zijn van het geschil in de hoofdzaak. [Rechtspersoon Y] is jegens [persoon A] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst. [persoon A] stelt zich daarom op het standpunt dat een eventuele veroordeling in de hoofdzaak voor rekening van [Rechtspersoon Y] behoort te komen.

6.3.

Aan [Rechtspersoon Y] is tot tweemaal toe uitstel verleend voor het nemen van een conclusie van antwoord. [Rechtspersoon Y] heeft desondanks niet voor antwoord geconcludeerd.

7. De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie in de hoofdzaak

7.1.

Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.

7.2.

Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of, zoals [persoon A] stelt, sprake is van een zodanige samenhang tussen de franchiseovereenkomst en de leaseovereenkomst, dat de leaseovereenkomst het lot van de franchiseovereenkomst (r.o. 7.9) dient te volgen.[Rechtspersoon X]

7.3.

[Rechtspersoon X] betwist dat dit het geval is en heeft, als meest verstrekkend verweer, het bestaan van de franchiseovereenkomst tussen [persoon A] en [Rechtspersoon Y] betwist, nu een handtekening van iemand die [Rechtspersoon Y], althans haar rechtsvoorgangster [handelsnaam rechtspersoon Y], rechtsgeldig mocht vertegenwoordigen onder de franchiseovereenkomst ontbreekt. [persoon A] betoogt dat er wel degelijk een rechtsgeldige franchiseovereenkomst tussen hem en (thans) [Rechtspersoon Y] (verder ook: [persoon C]) tot stand is gekomen, hetgeen reeds blijkt uit het feit dat uitvoering is gegeven aan deze overeenkomst.

7.4.

De kantonrechter stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW). Het sluiten van een overeenkomst kan zowel mondeling als schriftelijk gebeuren, het zetten van een handtekening is derhalve geen constitutief vereiste. Vast staat dat [persoon A] een door [persoon C] opgestelde en aan hem voorgehouden overeenkomst met de titel “franchisecontract [handelsnaam rechtspersoon Y]’ op 7 juni 2011 heeft ondertekend. [persoon A] heeft hiermee het door [persoon C] gedane aanbod aanvaard, als gevolg waarvan een overeenkomst met die inhoud tot stand is gekomen tussen [persoon A] en [persoon C]. Dat daadwerkelijk een franchiseovereenkomst tot stand is gekomen, blijkt overigens ook uit het feit dat [persoon A] en [persoon C] uitvoering aan deze overeenkomst hebben gegeven. Als onweersproken staat immers vast dat [persoon C] na plaatsing van de cardioscan hierover uitleg en training gegeven.

7.5.

Bij de verdere beoordeling zal ervan uitgegaan worden dat tussen [persoon A] en [persoon C] een rechtsgeldige franchiseovereenkomst tot stand is gekomen.

7.6.

Vervolgens ligt de vraag voor of [persoon A] de franchiseovereenkomst met [persoon C] (primair) op grond van dwaling heeft kunnen vernietigen dan wel (subsidiair) op grond van wanprestatie buitengerechtelijk heeft kunnen ontbinden, zoals door hem wordt betoogd.

7.7.

[persoon A] heeft aangevoerd dat de franchiseovereenkomst hem niet heeft gebracht wat hij ervan verwachtte. Het BodyCheck-concept leverde anders dan door [persoon C] was aangegeven geen nieuwe leden op, de overeengekomen gebiedsbescherming en de landelijke marketing hebben in de praktijk niet plaatsgevonden en [persoon C] heeft, anders dan is overeengekomen in artikel 5 van de franchiseovereenkomst, de vergoeding van € 150,- per maand nimmer voldaan, aldus [persoon A].

[persoon A] heeft ter zitting verklaard dat met name de toegezegde maandelijkse vergoeding van € 150,- van doorslaggevend betekenis was om de franchiseovereenkomst en de leaseovereenkomst af te sluiten.

7.8.

Artikel 6:228 BW bepaalt dat wanneer een overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij of indien de wederpartij de dwalende had behoren in te lichten. Voor zover [persoon C] heeft meegedeeld dat het Bodycheck-concept nieuwe leden zou opleveren, hetgeen niet is gebeurd, is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van niet uitgekomen verwachtingen, niet van dwaling. Voor het overige heeft [persoon A] weliswaar onderdelen van de overeenkomst genoemd die [persoon C] volgens hem niet is nagekomen, maar hij heeft niet aangegeven welke specifieke mededeling(en) van [persoon C], dan wel welke uitgebleven inlichting(en) maken dat hij heeft gedwaald bij het aangaan van de overeenkomst. Het feit dat het BodyCheck-concept, achteraf gezien, niet van de grond is gekomen rechtvaardigt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet de conclusie dat de franchiseovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling. Voor vernietiging van de franchiseovereenkomst bestaat derhalve geen grond.

7.9.

De kantonrechter komt vervolgens toe aan het beroep op ontbinding. Als onbetwist staat vast dat [persoon C] de franchiseovereenkomst niet (volledig) is nagekomen, al was het maar omdat het toegezegde bedrag van € 150,00 per maand nooit is voldaan. Dit maakt dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van [persoon C] (artikel 6:74 BW). Deze toerekenbare tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de franchiseovereenkomst. [persoon A] heeft de franchiseovereenkomst dus, nadat hij [persoon C] zonder enig resultaat in gebreke had gesteld, bij brief van 7 mei 2013 kunnen ontbinden. De kantonrechter gaat er bij de verdere beoordeling van uit dat de franchiseovereenkomst op 7 mei 2013 is ontbonden.

7.10.

Ter beoordeling ligt vervolgens de vraag voor of [persoon A] door het tekortschieten van [persoon C] in de nakoming van de franchiseovereenkomst eveneens gerechtigd was de betaling van de uit hoofde van de leaseovereenkomst verschuldigde leasetermijnen jegens[Rechtspersoon X] op te schorten en deze overeenkomst te ontbinden, althans bij de kantonrechter de ontbinding van de leaseovereenkomst te vorderen, hetgeen[Rechtspersoon X] gemotiveerd betwist. Daartoe moet worden nagegaan of de franchiseovereenkomst tussen [persoon C] en [persoon A] en de leaseovereenkomst tussen [persoon A] en[Rechtspersoon X] zozeer met elkaar verbonden zijn dat ontbinding van de franchiseovereenkomst tot gevolg heeft dat ook de leaseovereenkomst niet in stand kan blijven (HR 23 januari 1998, NJ 1997/97). Of die verbondenheid moet worden aanvaard, moet worden vastgesteld aan de hand van de uitleg van de rechtsverhouding tussen partijen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt het niet alleen aan op de taalkundige uitleg van de tekst van de overeenkomsten, maar veeleer op hetgeen ieder van partijen van de andere partij heeft verwacht en heeft mogen verwachten.

7.11.

De kantonrechter stelt vast dat in artikel 13 van de franchiseovereenkomst is bepaald dat beëindiging van het franchisecontract de verplichtingen uit de leaseovereenkomst niet doet stoppen. Deze verplichtingen lopen volgens de tekst van de franchiseovereenkomst door tot het einde van de leaseovereenkomst. Voorts is in de leaseovereenkomst bepaald dat er naast de leaseovereenkomst geen andere of afwijkende nevenakkoorden zijn overeengekomen en dat de leverancier (Meditronics) of andere derden niet het recht hebben om afspraken te maken die afwijken van de tekst van het leasecontract, toezeggingen te doen of[Rechtspersoon X] op een andere manier te vertegenwoordigen. Op grond van voornoemde bepalingen in de tekst van de franchise- en leaseovereenkomst zou, in beginsel, kunnen worden geconcludeerd dat van samenhang tussen de beide overeenkomsten en van vertegenwoordiging van[Rechtspersoon X] door [persoon C] geen sprake kan zijn, zoals[Rechtspersoon X] betoogt. Daar komt nog bij dat [persoon A] volgens[Rechtspersoon X] op grond van de leaseovereenkomst geen opschortingsrecht toekomt.

7.12.

De kantonrechter overweegt evenwel als volgt. Uit artikel 6 van de franchiseovereenkomst blijkt, zoals tussen partijen overigens ook niet in geschil is, dat deelname aan het BodyCheck-concept voor [persoon A] alleen mogelijk was wanneer hij een daarvoor benodigde cardioscan zou kopen of leasen. Hoewel in de franchiseovereenkomst is opgenomen dat de franchisenemer, [persoon A] dus, hiervoor zelfstandig een afzonderlijke koop- of leaseovereenkomst aan diende te gaan met de leverancier Meditronics of met een leasemaatschappij, kwam het er in de praktijk op neer dat [persoon C] alles regelde. [persoon C] heeft zich tot [persoon A] gewend en heeft hem gewezen op de franchiseovereenkomst en een - via [persoon C] te regelen - leaseovereenkomst in verband met de benodigde apparatuur. [persoon C] heeft[Rechtspersoon X] aangedragen als leasemaatschappij, heeft de door [persoon A] aangeleverde (financiële) gegevens - via Meditronics - doorgespeeld aan[Rechtspersoon X], en heeft zowel de franchiseovereenkomst als enige dagen later de - door[Rechtspersoon X] opgestelde - leaseovereenkomst ter tekening voorgelegd aan [persoon A]. Tussen[Rechtspersoon X] en [persoon A] is nimmer contact geweest. De bemoeienis van[Rechtspersoon X] met de totstandkoming van de leaseovereenkomst met [persoon A] heeft zich beperkt tot een kredietcheck. [persoon C] bood de franchise- en de leaseovereenkomst, die qua looptijd en maandbedrag op elkaar zijn afgestemd, aan als een totaalpakket waarbij de te maken kosten in het kader van de leaseovereenkomst vergoed zouden worden door de franchiseovereenkomst.

7.13.

De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op eerder genoemde omstandigheden, sprake is van samenhang tussen beide overeenkomsten. Weliswaar heeft[Rechtspersoon X] in haar leasecontract opgenomen dat zij zich niet laat vertegenwoordigen door een derde en weliswaar heeft[Rechtspersoon X] aangevoerd dat zij in eerste instantie niet wist van het bestaan van [persoon C], maar het feit dat[Rechtspersoon X] kennelijk haar leaseovereenkomsten liet aanbieden door Meditronics zonder zich ervan te vergewissen door wie en onder welke omstandigheden deze leaseovereenkomsten feitelijk werden aangeboden, komt voor rekening en risico van[Rechtspersoon X]. Dit klemt te meer daar[Rechtspersoon X] heeft erkend in een betrekkelijk korte periode een groot aantal aanvragen voor leaseovereenkomsten voor cardioscans te hebben ontvangen. Het had op de weg van[Rechtspersoon X] gelegen zich te verdiepen in de achtergrond van die aanvragen en de wijze waarop die aanvragen tot stand zijn gekomen.[Rechtspersoon X] heeft door haar stilzitten het risico aanvaard dat [persoon C] de leaseovereenkomsten zou aanbieden op de wijze zoals hij dat heeft gedaan, namelijk door bij [persoon A] de verwachting te wekken dat het ging om een totaalpakket in combinatie met een franchiseovereenkomst. [persoon A] heeft naar het oordeel van de kantonrechter door de wijze waarop beide overeenkomsten aan hem zijn aangeboden en de uitlatingen die [persoon C] daarbij heeft gedaan redelijkerwijs mogen begrijpen dat het om met elkaar samenhangende overeenkomsten ging.[Rechtspersoon X] kan zich gelet hierop niet (enkel) beroepen op bepalingen in haar overeenkomst en algemene voorwaarden.

In het onderhavige geval komt daar nog bij dat[Rechtspersoon X] ter zitting heeft verklaard dat zij in mei 2011 reeds op de hoogte was van de (betalings-)problemen van een aantal andere sportscholen die eveneens met [persoon C] en zijn BodyCheck-concept in zee zijn gegaan.[Rechtspersoon X]

heeft daarop - voorafgaand aan het sluiten van de leaseovereenkomst met [persoon A] - overleg gevoerd met leverancier Meditronics en [persoon C]. Besloten is om [persoon C] nog een aantal maanden de gelegenheid te bieden de zaak goed op de rails te krijgen, hetgeen kennelijk niet gelukt is.

7.14.

Onder deze omstandigheden moet naar het oordeel van de kantonrechter worden geoordeeld dat de franchiseovereenkomst en de leaseovereenkomst zozeer met elkaar verbonden zijn, dat de ontbinding van de franchiseovereenkomst kan leiden tot ontbinding van de leaseovereenkomst.

7.15.

[persoon A] heeft zijn betalingen aan[Rechtspersoon X] gelet op het voorgaande op kunnen schorten. De kantonrechter passeert het door[Rechtspersoon X] gedane beroep op artikel 8.4 van haar algemene voorwaarden dat de mogelijkheid van opschorting uitsluit. Vast staat dat partijen niet hebben onderhandeld over de inhoud van de voorwaarden, zij hebben immers geen contact gehad. Nu niet gesteld of gebleken is dat het uitsluiten van het recht op opschorting in de overeenkomst op enige wijze is gecompenseerd, is het uitsluiten van het volgens de wet aan [persoon A] toekomend recht op opschorting gelet op de aard en de overige inhoud van de leaseovereenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 onder a BW. Het beding in de algemene voorwaarden wordt derhalve vernietigd.

7.16.

Nu de leaseovereenkomst door [persoon A] niet buitengerechtelijk is ontbonden, zal de kantonrechter deze overeenkomst ontbinden. De door [persoon A] in reconventie gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen als hierna bepaald.

7.17.

De ontbinding van de leaseovereenkomst bevrijdt partijen van de daardoor getroffen verbintenissen, hetgeen betekent dat voor zover verbintenissen uit de leaseovereenkomst reeds zijn nagekomen, de rechtsgrond voor deze nakoming in stand blijft, maar er voor partijen in beginsel een verbintenis ontstaat tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW).

7.18.

Dit betekent concreet dat [persoon A] de cardioscan aan[Rechtspersoon X] terug moet geven en[Rechtspersoon X], in beginsel, gehouden is om de betaalde leasetermijnen aan [persoon A] te retourneren.

Omdat [persoon A], zij het beperkt, gebruik heeft gemaakt van de cardioscan, acht de kantonrechter het redelijk om een vergoeding voor dit gebruik en de afschrijving toe te kennen. De kantonrechter bepaalt dit bedrag op € 1.695,75 incl. BTW, zijnde het bedrag dat reeds door [persoon A] aan[Rechtspersoon X] is voldaan.[Rechtspersoon X] is op dat punt dan ook niets meer aan [persoon A] verschuldigd.

7.19.

Gelet op het voorgaande zal hetgeen door [persoon A] is gevorderd onder het tweede tot en met het vierde gedachtestreepje van het primaire deel van zijn vordering, worden afgewezen. Aan het subsidiaire gedeelte van de vordering van [persoon A] komt de kantonrechter niet meer toe.

7.20.

[persoon A] heeft voorts de ongedaanmaking dan wel opheffing door[Rechtspersoon X] gevorderd van de ten laste van hem gedane registratie van de betalingsachterstand bij de Stichting BKR. Deze vordering wordt, mede gelet op het daartegen door[Rechtspersoon X] gerichte verweer, als volgt toegewezen.[Rechtspersoon X] dient binnen een termijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis de Stichting BKR op te dragen onderhavige registratie van [persoon A] vanwege het niet nakomen van de leaseovereenkomst ongedaan te maken. In hetgeen door[Rechtspersoon X] is aangevoerd ziet de kantonrechter aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen tot een bedrag van € 100,- per dag, tot een maximum van € 5.000,-

7.21.

De vordering van[Rechtspersoon X] tot afgifte van de cardioscan (conventie onder IIa), zal gelet op het voorgaande en het bepaalde in artikel 18.3 van de algemene voorwaarden worden toegewezen, met dien verstande dat [persoon A] de cardioscan binnen 14 dagen na betekening van het vonnis dient af te geven dan wel ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 5.000,-

7.22.

De vordering in conventie onder IIb (het gehengen en gedogen dat[Rechtspersoon X], desnoods met behulp van de sterke arm, de beschikking over de cardioscan krijgt) zal worden afgewezen, nu[Rechtspersoon X] door de hierboven toegewezen dwangsommen reeds over een dwangmiddel beschikt om haar eigendom terug te krijgen.

7.23.

De vordering van [persoon A] om[Rechtspersoon X] te veroordelen de cardioscan op eigen kosten bij hem op te komen halen, wordt gelet op het voorgaande afgewezen.

7.24.

De vorderingen van[Rechtspersoon X] in conventie onder I en IV zullen, gelet op hetgeen eerder is overwogen, worden afgewezen. Aan de beoordeling van de voorwaardelijke vordering in conventie onder III komt de kantonrechter niet meer toe, nu de daarvoor gestelde voorwaarde niet is ingetreden.

7.25.

Nu[Rechtspersoon X] zowel in conventie als in reconventie in de hoofdzaak grotendeels in het ongelijk wordt gesteld dient zij in beide gevallen de proceskosten te betalen.

8 Het geschil in de vrijwaringszaak en de beoordeling daarvan

8.1.

Van de vorderingen van[Rechtspersoon X] in de hoofdzaak wordt alleen de vordering onder IIa (de teruggave van de cardioscan) toegewezen. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de beoordeling van de vordering van [persoon A] in de vrijwaringszaak, nu het een voorwaardelijke vordering betreft waarvan de voorwaarde niet is ingetreden. [persoon A] wordt immers niet veroordeeld tot het doen van enige betaling aan[Rechtspersoon X].

8.2.

De vordering van [persoon A] in de vrijwaringszaak wordt daarom afgewezen. Gelet hierop moet [persoon A] de proceskosten dragen in de vrijwaringszaak. Deze worden aan de zijde van [Rechtspersoon Y] begroot op nihil.

9 De beslissing

De kantonrechter

in de hoofdzaak

in conventie

9.1.

veroordeelt [persoon A] tot afgifte van, dan wel het ter beschikking stellen aan[Rechtspersoon X] van de cardioscan binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag, althans gedeelte van een dag, dat[Rechtspersoon X] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00;

9.2.

veroordeelt[Rechtspersoon X] in de proceskosten tot op heden aan de zijde van [persoon A] begroot op € 1.000,00,-;

9.3.

wijst hetgeen meer of anders is gevorderd af;

in reconventie

9.4.

verklaart voor recht dat de leaseovereenkomst tussen[Rechtspersoon X] en [persoon A] bij dit vonnis is ontbonden;

9.5.

veroordeelt[Rechtspersoon X] om binnen een termijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis de Stichting BKR op te dragen de registratie van [persoon A] vanwege het niet nakomen van de leaseovereenkomst ongedaan te maken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag, althans gedeelte van een dag, dat[Rechtspersoon X] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00;

9.6.

veroordeelt[Rechtspersoon X] in de proceskosten op dit moment aan de zijde van [persoon A] begroot op € 375,-;

9.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de vrijwaringszaak

9.8.

wijst de vordering af;

9.9.

veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Rechtspersoon Y] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op