Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2005:AU2255

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
08-09-2005
Datum publicatie
08-09-2005
Zaaknummer
61023 KG ZA 05-128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aantal uitlatingen in de pers van ex-franchisenemer over Hypotheek Visie Centrale en haar algemeen directeur zijn onrechtmatig jegens hen. Verbod op het doen van mededelingen in de toekomst en vordering tot rectificatie (gedeeltelijk) toegewezen. Gevorderde lijfsdwang afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer : 61023 / KG ZA 05-128

datum : 8 september 2005

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Civiel Recht

Vonnis in kort geding

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hypotheek Visie Centrale B.V.,

gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Best,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. A.J. Keizers te Eindhoven,

procureur mr. J.A. Visser,

tegen

[gedaagde],

voorheen gehandeld hebbende onder de naam "Hyptoheek Visie [plaatsnaam]",

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. L.P. Quist.

Partijen worden hieronder aangeduid als HVC, [eiser 2] en [gedaagde].

Het procesverloop

1. De voorzieningenrechter heeft ter terechtzitting van 1 september 2005 kennis genomen van de volgende processtukken:

* dagvaarding van 26 augustus 2005,

* pleitnotities van mr. Keizers, voornoemd,

* de door HVC en [eiser 2] overgelegde producties,

* de door [gedaagde] overgelegde conclusie van antwoord, alsmede de door hem overgelegde producties waar ter zitting een beroep is gedaan, zijnde producties 1, 2, 16, 17, 25, 28 en 29.

De feiten

2. Op grond van de - in zoverre niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken - stellingen van partijen en in het geding gebrachte producties wordt in dit geding van het volgende uitgegaan:

3. HVC exploiteert als franchisegever een franchiseketen genaamd "Hypotheek Visie". Haar franchisenemers adviseren en bemiddelen bij het afsluiten van hypothecaire geldleningen, overige geldleningen en assurantieovereenkomsten. Alle franchisenemers zijn lid van de franchisevereniging Hyviver.

4. [eiser 2] is algemeen directeur van HVC.

5. HVC en [gedaagde] hebben op 25 mei 2005 een intentieverklaring ondertekend. Op 22 augustus 2002 heeft [gedaagde] met HVC een franchiseovereenkomst voor de duur van vijf jaar gesloten. In de intentieverklaring en in de franchiseovereenkomst is een geheimhoudingsclausule opgenomen. Als franchisenemer van HVC exploiteerde [gedaagde] een Hypotheek Visie kantoor te [plaatsnaam].

6. Bij verzoekschrift van 21 april 2005 is HVC tegen [gedaagde] een arbitrageprocedure voor het Nederlands Arbitrage Instituut te Rotterdam begonnen.

7. Bij aangetekende brief van 13 juni 2005 heeft de raadsman van HVC de franchiseovereenkomst met [gedaagde] met onmiddellijke ingang opgezegd.

8. Bij brief van 25 juli 2005 heeft [gedaagde] bij de Sociaal Economische Raad een klacht tegen HVC ingediend.

9. [gedaagde] heeft een interview gegeven aan de Financiële Telegraaf, het Assurantie Magazine en, per telefoon, aan het Eindhovens Dagblad.

10. Op 11 augustus 2005 is in het dagblad(onderdeel) de Financiële Telegraaf een artikel gepubliceerd waarin melding wordt gemaakt van de door [gedaagde] bij de SER ingediende klacht. Dit artikel bevat - voor zover hier van belang - de volgende passages:

"... [gedaagde] stelt dat de franchisecentrale "bewust bij herhaling franchisenemers aanspoort om provisiegedreven te adviseren. En als je niet meedoet, dan wordt je bedrijf financieel de nek omgedraaid." ... Volgens de voormalig Hypotheek Visie-adviseur [gedaagde] worden klanten aangespoord via een beleggingshypotheek meer te lenen dan nodig is. "Dit extra geld staat op een beleggingsrekening die maandelijks wordt opgegeten. Een weinig risicovolle levensverzekering wordt vervolgens afgesloten met een hoge maandelijkse premie. Een tweede inleg van geleend geld drukt de maandlast. Van deze inleg gaat wel 7% als provisie naar Hypotheek Visie. De achteloze consument wordt intussen alleen voorgehouden dat hij een lagere maandlast heeft dan bij de concurrent", legt [gedaagde] uit. Met deze constructie creëren huizenkopers volgens [gedaagde] "hun eigen Dexia-risico". Ze beleggen met geleend geld op de beurs, hebben een torenhoge schuld waar deels geen onderpand tegenover staat en ze betalen meer rente voor een beleggingshypotheek." ...[gedaagde] verklaart zich net als enkele collega's, meteen te hebben gedistantieerd van de provisiegedreven adviezen. "Maar tegelijk schroeft Hypotheek Visie de kosten voor franchisenemers zo enorm op dat je bijna wel zo moet werken om te overleven."

11. Op 19 augustus 2005 is in de Financiële Telegraaf een artikel met de kop 'Hypotheek Visie wurgt eigen adviseurs' gepubliceerd. Dit artikel bevat - voor zover hier van belang - de volgende passages:

"... Voormalig franchisenemer [gedaagde] uit [woonplaats] kan erover meepraten. "De verbouwing kwam zonder mijn medeweten € 40.000,-- te duur uit. Maar ik heb geen enkele offerte mogen zien, ik kon met geen enkele aannemer onderhandelen en intussen werd het geld wel afgeschreven door Hypotheek Visie." ......

[gedaagde] somt enkele verbouwingskosten op. "Ik moest een nieuwe airconditioning betalen van € 10.000,--, terwijl er al een perfect functionerende airco was. Een elektrotechnisch bureau rekende € 18.000,-- voor de aanleg van snoeren voor verlichting. Een loodgieter rekende € 4500,-- voor een afvoerleiding in de keuken. Het was van de zotte. Ook moest ik het pand laten schilderen door een bedrijf uit Eindhoven, niet geheel toevallig eigendom van de broer van HVC-directeur [naam]." ......

De met schulden belaste franchisenemer mag dan vertrekken met achterlating van een panklaar kantoor waarmee de volgende franchisenemer kan worden leeggezogen, te beginnen met betaling van een torenhoge entrance fee", stelt [gedaagde]. ......"

12. Op 26 augustus 2005 is in het tijdschrift Assurantie Magazine onder de kop "Kantoren Hypotheek Visie hebben het nakijken" een artikel met een uitgebreid interview van [gedaagde] en een andere ex-franchisenemer van HVC gepubliceerd.

13. Op 30 augustus 2005 is in het Eindhovens Dagblad een artikel met de kop "Franchisenemers strijden met [eiser 2]" gepubliceerd. Dit artikel bevat - voor zover hier van belang - de volgende passages:

"......"Hij boezemt angst in. Niet alleen door zijn gestalte, maar ook door zijn manier van zakendoen. Hij is een bokser die net zolang doorvecht tot zijn tegenstander in de ring ligt. Je moet hem niet tegen hebben." Zo wordt [eiser 2] omschreven door [gedaagde] uit [woonplaats]. ......[gedaagde] voelt zich door de topman van Hypotheek Visie benadeeld. "Hij heeft me voor tienduizenden euro's uitgemolken. Hij laat je eerst flink investeren in een pand dat je van hem huurt en als je eruit wilt heb je een probleem. Je moet als franchisenemer bovendien extreme omzetten halen. Daardoor wordt in de hand gewerkt dat je klanten alleen maar provisiegedreven adviseert." ......"

De vordering

14. HVC en [eiser 2] vorderen (na vermeerdering van eis) - kort samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te verbieden zich, in welke vorm dan ook, direct of indirect, laatdunkend en/of suggestief en/of negatief en/of beschadigend uit te laten over HVC, diens directie, diens organisatie, [eiser 2] en franchisenemers en alle daarbij betrokkenen;

II. [gedaagde] te veroordelen om op zijn kosten een rectificatie van minimaal 15 cm x 15 cm., lettergrootte 14 te doen plaatsen op de voorpagina van de Finaciële Telegraaf, de pagina "Economie" van het Eindhovens Dagblad en in het Assurantie Magazine van vrijdag 2, dan wel vrijdag 9 september 2005, danwel de eerstvolgende vrijdag- of zaterdageditie, alsmede op de aan deze bladen verbonden websites met de inhoud als weergegeven in de pleitnota van mr. Keizers;

Dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom en subsidiair op straffe van lijfsdwang en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Zij stellen daartoe het volgende.

15. De mededelingen die [gedaagde] via de pers doet zijn onjuist, tasten de eer en goede naam van HVC en [eiser 2] aan en hebben geen ander doel dan hun schade te berokkenen. Dit handelen van [gedaagde] is onrechtmatig jegens HVC en [eiser 2] en tevens in strijd met de geheimhoudingsbedingen zoals neergelegd in artikel 4 van de intentieverklaring en artikel 8 van de franchiseovereenkomst. Nu [gedaagde] ondanks diverse sommaties volhardt in het doen van vorenbedoelde mededelingen en geen verhaal biedt voor eventueel verbeurde dwangsommen, hebben HVC en [eiser 2] recht en een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen.

Het verweer

16. [gedaagde] heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken. De inhoud van zijn verweer zal hierna voor zover nodig nader worden omschreven.

De beoordeling

17. [gedaagde] heeft voor alle verweren een beroep gedaan op de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter om in kort geding van de onderhavige vorderingen kennis te nemen. Dit beroep baseert [gedaagde] op artikel 20 lid 1 van de franchiseovereenkomst, waarin is bepaald dat alle geschillen, welke mochten ontstaan naar aanleiding van die overeenkomst dan wel nadere overeenkomsten, die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen worden beslecht overeenkomstig het Reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut. Krachtens artikel 1022 lid 2 Rv. staat deze arbitrageclausule er niet aan in de weg dat een partij zich overeenkomstig artikel 254 Rv. wendt tot de voorzieningenrechter in kort geding. Dat het Reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut, zoals [gedaagde] stelt, voorziet in de mogelijkheid van een spoedarbitrage maakt dat niet anders. Indien moet worden aangenomen dat artikel 1051 Rv. eveneens geldt indien spoedarbitrage is overeengekomen, is namelijk geen sprake van omstandigheden die de voorzieningenrechter aanleiding geven zich onbevoegd te verklaren. Immers is [eiser 2] geen partij bij de franchiseovereenkomst en is niet gebleken dat in de spoedarbitrage op vergelijkbare termijn een beslissing kan worden verkregen als in dit kort geding.

18. Voorts heeft [gedaagde] een beroep gedaan op de 'exceptio plurium litis consortium' en daartoe aangevoerd dat derden, die niet in het geding zijn betrokken, (mede)verantwoordelijk zouden zijn voor de gewraakte onrechtmatige mededelingen. Dit verweer faalt, aangezien geen rechtsregel meebrengt dat - in het geval een onrechtmatige handeling meerdere daders kent - de burgerlijke rechter in één beslissing over de aansprakelijkheid van de betrokkenen dient te oordelen. Voorts doet de eventuele aansprakelijkheid van derden niet af aan de eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde] die voortvloeit uit onrechtmatige gedragingen die hem zijn toe te rekenen.

19. Aan [gedaagde] kunnen in beginsel slechts die mededelingen worden toegerekend, die door hem zijn gedaan. Dat anderen naar aanleiding van zijn mededelingen eveneens (anoniem) mededelingen over HVC en/of [eiser 2] hebben gedaan, is onvoldoende om hem de mededelingen van die anderen eveneens toe te kunnen rekenen. Bijkomende bijzondere omstandigheden die dat wel kunnen meebrengen, zijn niet door HVC en [eiser 2] gesteld. Derhalve zal in het navolgende slechts worden ingegaan op mededelingen die blijkens de gewraakte artikelen door [gedaagde] zijn gedaan. Voorts behoeft slechts te worden ingegaan op die door [gedaagde] in de pers geuite mededelingen, waartegen HVC en [eiser 2] in deze procedure bezwaar heeft gemaakt.

20. De geheimhoudingsclausules in de intentieverklaring en de franchiseovereenkomst houden in dat het [gedaagde], ook na afloop van de overeenkomst, is verboden op enigerlei wijze mededeling te doen van of aangaande enige bijzonderheid met betrekking tot het systeem en/of de franchise-organisatie en dat deze verplichting alleen bijzonderheden en/of mededelingen betreft waarvan [gedaagde] redelijkerwijs kan verwachten dat geheimhouding in het belang van franchisegever vereist kan zijn. [gedaagde] betwist dat de uitlatingen die in dit geding aan de orde zijn daaronder vallen. Zulks kan voorshands ook niet aangenomen worden. Gebruikelijk hebben geheimhoudingsclausules immers tot doel dat bedrijfsgeheimen niet worden verraden en uit de voormelde inhoud volgt niet dat de onderhavige clausules een ander doel dienen. Niet gesteld is dat de uitlatingen die in dit geding aan de orde zijn gesteld bedrijfsgeheimen van HVC betreffen. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat HVC redelijkerwijs mocht verwachten dat de onderhavige clausules ook ter bescherming tegen die uitlatingen dienen. De vorderingen kunnen derhalve voorshands niet op grond van vorenbedoelde geheimhoudingsclausules toegewezen worden.

21. Het verweer van [gedaagde] dat HVC een rechtspersoon is en derhalve niet in haar eer of goede naam kan worden aangetast, is evident onjuist. Het spreekt immers voor zich dat rechtspersonen die een onderneming drijven, zoals HVC, een reputatie kunnen opbouwen en dat die reputatie ook kan worden beschadigd.

22. Niet in geschil is dat [gedaagde] in het op 11 augustus 2005 in de Financiële Telegraaf gepubliceerde artikel HVC ervan heeft beschuldigd dat zij franchisenemers zou aansporen om provisiegedreven te adviseren. Aangezien daaruit volgt dat bij het advies van de klant niet (primair) op diens belangen, maar op de provisie wordt gelet, is aannemelijk dat deze beschuldiging mogelijke klanten van de franchisenemers van HVC afschrikt en dat HVC en haar franchisenemers daardoor schade lijden. Deze beschuldiging mag derhalve niet lichtvaardig worden geuit en dient steun te vinden in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal. [gedaagde] heeft daartoe een beroep gedaan op een door hem opgemaakt verslag van een landelijke bijeenkomst van de franchisenemers op 7 december 2004 en een bij productie 17 door [gedaagde] overgelegde anoniem gemaakte e-mail die volgens hem afkomstig zou zijn van een franchisenemer van HVC. Die e-mail is echter niet verifieerbaar, zodat de juistheid van de beschuldiging niet op grond daarvan kan worden aangenomen. Hetzelfde geldt voor de inhoud van het verslag van [gedaagde], nu dit niet door enig verifieerbaar stuk wordt ondersteund. Voorshands moet dan ook worden geconcludeerd dat de onderhavige beschuldiging onvoldoende steun vindt in beschikbaar feitenmateriaal. Daaruit volgt reeds dat de uiting van voormelde beschuldiging onrechtmatig jegens HVC is, zodat niet behoeft te worden ingegaan op de daarbij gehanteerde bewoordingen.

23. De stelling van HVC en [eiser 2] dat [gedaagde] in de pers de verdenking heeft geuit dat HVC haar franchisenemers voor onverwacht hoge kosten stelt, is niet door [gedaagde] weersproken en vindt tevens voldoende steun in de voormelde inhoud van het artikel in de Financiële Telegraaf van 19 augustus 2005, alsmede de in het artikel in het Assurantie Magazine van 26 augustus 2005 opgenomen mededeling van [gedaagde] "... dat de kostenstructuur flink anders is dan was voorgesteld". Aannemelijk is dat die verdenking kandidaat-franchisenemers ervan weerhoudt een franchiseovereenkomst met HVC te sluiten en dat HVC als gevolg daarvan schade lijdt. Derhalve mag ook deze verdenking niet lichtvaardig worden geuit en dient deze steun te vinden in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal. Deze steun ontbreekt, omdat niet uit de stukken naar voren komt dat [gedaagde] in de kosten geen inzicht had of had kunnen krijgen voordat hij de franchiseovereenkomst met HVC aanging. De ter zake van die kosten tussen HVC en [gedaagde] gemaakte afspraken kunnen thans niet aan HVC worden tegengeworpen. Voorts weerlegt de door [gedaagde] als productie 29 overgelegde offerte die door hem zou zijn overgeschreven zijn in de pers gedane verklaring dat hij geen enkele offerte heeft mogen inzien. Indien al aan de hand van die productie moet worden aangenomen dat de verbouwings- en inrichtingskosten zijn overschreden, is niet aannemelijk dat [gedaagde] die overschrijding niet heeft kunnen voorzien en daar geen invloed op had. [gedaagde] heeft immers niet weersproken dat met zijn toestemming meer werkzaamheden zijn verricht dan in de offerte waren voorzien, zoals de vervanging van de airco. Dit alles rechtvaardigt voorshands de conclusie dat de uiting van de onderhavige verdenking in de pers onrechtmatig jegens HVC was. Er behoeft dan ook niet te worden ingegaan op hetgeen overigens is aangevoerd op dit onderdeel van het geschil.

24. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] ter zake de inschakeling van het schildersbedrijf van de broer van [eiser 2] in de pers (artikel in de Financiële Telegraaf van 19 augustus 2005) meer of anders heeft meegedeeld dan dat hij zijn pand niet geheel toevallig door dit bedrijf moest laten schilderen. HVC werkt steeds met dit bedrijf, dus de mededeling is feitelijk juist. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - kan niet worden ingezien dat de wijze waarop deze mededeling is ingekleed onnodig grievend voor HVC en/of [eiser 2] is. Niet aannemelijk is derhalve dat met die mededeling de eer en goede naam van HVC en/of [eiser 2] is aangetast.

25. HVC en [eiser 2] stellen voorts dat de eer en goede naam van laatstgenoemde is aangetast door uitlatingen van [gedaagde] in het artikel van het Eindhovens Dagblad van 30 augustus 2005 die inhouden dat [eiser 2] angst inboezemt en hem voor tienduizenden euro's heeft uitgemolken. [gedaagde] stelt dat hij in dit artikel onjuist is geciteerd. Indien dit zo is, mag van [gedaagde] worden verwacht dat hij bij het Eindhovens Dagblad tegen het opnemen van die citaten protesteert. Nu [gedaagde] er geen blijk van heeft gegeven dat hij dat heeft gedaan of binnen afzienbare tijd zal doen, dienen deze uitlatingen hem voorshands te worden toegerekend, te meer daar [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tevoren invloed heeft bedongen op de wijze waarop zijn woorden zouden worden afgedrukt.

26. De mededeling dat [eiser 2] angst inboezemt, dient te worden gelezen binnen het verband waarin die is gedaan, te weten dat hij zulks niet alleen door zijn gestalte doet, maar ook door zijn manier van zakendoen en dat hij een bokser is die net zolang doorvecht tot zijn tegenstander in de ring ligt en je hem niet tegen je moet hebben. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden ingezien dat deze bewoordingen de reputatie aantasten van een ervaren en stevig zakenman als [eiser 2] kennelijk is. De stelling dat die mededeling onrechtmatig jegens [eiser 2] is, wordt derhalve vooralsnog verworpen. Dit ligt anders ten aanzien van de mededeling die inhoudt dat [gedaagde] door [eiser 2] voor tienduizenden euro's is uitgemolken. Zoals onder 23 is overwogen, is niet gebleken dat [gedaagde] in de kosten geen inzicht had of had kunnen krijgen voordat hij de franchiseovereenkomst met HVC aanging en [gedaagde] behoort derhalve niet de ter zake van die kosten met HVC gemaakte afspraken thans aan HVC en/of [eiser 2] tegen te werpen, laat staan dat daarbij grievende bewoordingen als uitmelken kunnen worden gebruikt.

27. Het voorafgaande wordt niet anders door de resultaten van een enquête onder de HVC-franchisenemers. Uit die resultaten, voorzover door de advocaat van [gedaagde] ter zitting aan de orde gesteld, komt weliswaar naar voren dat bij een aantal van de respondenten onvrede bestaat over het handelen van HVC op diverse punten, maar niet dat HVC zich schuldig maakt aan hetgeen [gedaagde] in interviews heeft gezegd.

28. Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde] via de pers mededelingen heeft gedaan die de eer en goede naam van HVC en/of [eiser 2] aantasten, welke handelwijze van [gedaagde] onrechtmatig is jegens HVC en/of [eiser 2]. Nu [gedaagde] dit bij herhaling en ook na sommatie van HVC om zich daarvan te onthouden heeft gedaan, is de vrees gerechtvaardigd dat hij daarmee in de toekomst zal doorgaan. Op grond hiervan is een verbod op het doen van dergelijke mededelingen in de toekomst gerechtvaardigd. Het gevorderde verbod, zoals dat in het petitum onder I is geformuleerd, is echter dermate ruim gesteld dat het in strijd komt met de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde]. De grens aan die vrijheid van meningsuiting ligt daar waar de uiting onrechtmatig wordt, hetgeen niet per definitie het geval is wanneer een uitlating van [gedaagde] over HVC en/of [eiser 2] laatdunkend en/of suggestief en/of negatief is. Vordering sub 1 zal derhalve als na te melden worden toegewezen.

29. HVC en [eiser 2] hebben voorts gevorderd dat [gedaagde] een aantal geciteerde uitlatingen van hem zal rectificeren. Voor zover die uitlatingen door [gedaagde] zijn gedaan en hiervoor onrechtmatig zijn bevonden, is die vordering voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat van [gedaagde] niet kan worden verlangd een mening te verkondigen die niet de zijne is. Tot slot komt de rectificatie in het Assurantie Magazine op de gevorderde wijze, gelet op het formaat van dat magazine zoals dat uit de overgelegde producties blijkt, overdadig voor. De gevorderde rectificatie zal derhalve als na te melden worden toegewezen.

30. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en aan een maximum worden verbonden zoals hierna vermeld. Voor het subsidiair opleggen van lijfsdwang bestaat geen aanleiding, nu niet kan worden aangenomen dat [gedaagde] geen verhaal biedt voor eventueel verbeurde dwangsommen. HVC en [eiser 2] hebben immers niet bestreden dat de woning van [gedaagde], waarop zij reeds conservatoir beslag hebben doen leggen, een overwaarde heeft en dat [gedaagde] bovengemiddelde inkomsten uit zijn onderneming genereert.

31. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter:

verbiedt [gedaagde], direct of indirect, in de media mededelingen te doen met de strekking dat HVC, diens directie en/of organisatie en/of [eiser 2]:

- franchisenemers zou aansporen om provisiegedreven te adviseren;

- franchisenemers voor onverwacht hoge kosten zou stellen;

- [gedaagde] zou hebben uitgemolken;

dan wel mededelingen te doen die op andere wijze onrechtmatig jegens HVC en/of [eiser 2] zijn;

veroordeelt [gedaagde] om op zijn kosten een rectificatie van minimaal 15 cm x 15 cm., lettergrootte 14 met de volgende inhoud te doen plaatsen op de voorpagina van de Financiële Telegraaf van de eerst mogelijke vrijdag- of zaterdageditie, alsmede tezelfdertijd op de daaraan verbonden website:

"RECTIFICATIE INZAKE HYPOTHEEK VISIE LOGO

Uit eerder door mij gedane, in de Financiële Telegraaf op 11 en 19 augustus 2005, in het Eindhovens Dagblad op 30 augustus 2005 en in het Assurantie Magazine op 26 augustus 2005 geciteerde uitlatingen, zou de indruk kunnen zijn ontstaan dat Hypotheek Visie Centrale haar franchisenemers zou aansporen diens klanten provisiegericht te adviseren en dat Hypotheek Visie Centrale haar franchisenemers voor onverwachte hoge kosten zou stellen.

Bij vonnis in kort geding van 8 september 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht geoordeeld dat deze uitlatingen onvoldoende steun vinden in beschikbaar feitenmateriaal en derhalve onrechtmatig jegens Hypotheek Visie Centrale zijn."

veroordeelt [gedaagde] om op zijn kosten een rectificatie van minimaal 15 cm. x 15 cm., lettergrootte 14, met de hiervoor vermelde inhoud, te doen plaatsen op de pagina "Economie" van het Eindhovens Dagblad van de eerst mogelijke vrijdag- of zaterdageditie, alsmede tezelfdertijd op de daaraan verbonden website;

veroordeelt [gedaagde] om op zijn kosten een rectificatie van minimaal 10 cm. x 10 cm., met een lettergrootte die passend is om die ruimte te vullen en de hiervoor vermelde inhoud, te doen plaatsen in het Assurantie Magazine van de eerst mogelijke editie alsmede tezelfdertijd op de aan dat magazine verbonden website;

bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom zal verbeuren van € 10.000,-- voor iedere overtreding van het voormelde verbod na betekening van dit vonnis, en voorts een dwangsom zal verbeuren van € 10.000,-- voor iedere week dat hij na betekening van dit vonnis in gebreke blijft met de plaatsing van (één van) de voormelde rectificaties, dit alles tot een maximum van

€ 300.000,--;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van HVC en [eiser 2] bepaald op € 816,-- aan salaris van de procureur en € 315,93 aan verschotten, waarvan € 244,-- aan griffierecht;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2005.