Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:2661

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2022
Datum publicatie
25-03-2022
Zaaknummer
AWB 20/6876
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vtv arbeid als zelfstandige; Mvv-vereiste; artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000; Verweerder heeft in het bestreden besluit niet alle van belang zijnde persoonlijke feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang beoordeeld;

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/6876


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2022 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.H.W.M. van Lokven).

Procesverloop

In het besluit van 27 februari 2020 (primair besluit) heeft verweerder eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen.

In het besluit van 12 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 15 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Hierop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Op 18 februari 2022 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat zij het onderzoek daarom heropent en bepaalt dat het beroep op een nog nader te bepalen datum opnieuw op een zitting zal worden behandeld.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Dordrecht op 9 maart 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser is geboren op 9 juni 1970 en in het bezit van de Chinese nationaliteit. Sinds 2011 verblijft hij in Nederland. Hij is Nederland met een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingereisd.

1.2.

Van 13 januari 2011 tot en met 31 augustus 2013 heeft eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gehad, voor het verblijfsdoel 'arbeid in loondienst bij [naam bedrijf 1] '. Op 17 september 2015 heeft hij een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'Arbeid in loondienst' bij [naam bedrijf 2] ’. Verweerder heeft deze aanvraag op 15 april 2016 afgewezen, nadat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een negatief advies had uitgebracht. Volgens Uwv was prioriteitgenietend aanbod aanwezig op de arbeidsmarkt. Hiertegen heeft eiser op 4 mei 2016 bezwaar gemaakt en op 21 juni 2016 heeft het Uwv opnieuw een negatief advies uitgebracht. Bij besluit van verweerder van 22 juli 2016 is het bezwaar ongegrond verklaard. Het (kennelijk) tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 11 oktober 2016 (AWB 16/17757) niet-ontvankelijk verklaard. Op 12 december 2019 heeft eiser de nu voorliggende aanvraag ingediend. Met deze aanvraag beoogt hij verblijf als zelfstandig ondernemer bij acupunctuurpraktijk [naam bedrijf 3] .

2. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen, omdat hij niet in het bezit is van een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, zoals neergelegd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Een vrijstelling op basis van artikel 17, eerste lid, van de Vw of artikel 3.71, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is volgens verweerder niet aan de orde.

3. Eiser voert als beroepsgrond aan dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat toepassing van het mvv-vereiste in zijn geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, zoals bedoeld in artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000. Deze beroepsgrond slaagt.

3.1.

Verweerder heeft in het bestreden besluit niet alle voor deze vaststelling van belang zijnde persoonlijke feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang beoordeeld, te weten (dat):

(i.) eiser Nederland in 2011 legaal is ingereisd en in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning die tot 31 augustus 2013 geldig was;

(ii.) uit een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 9 november 2016 blijkt dat eiser in de periode tussen 1 mei 2014 en 31 december 2014 slachtoffer geworden van oplichting door een persoon die zich voordeed als iemand met een hoge positie bij de Nederlandse overheid en die eiser in strijd met de waarheid heeft doen geloven dat hij een verblijfsvergunning voor hem kon regelen;

(iii.) eiser op 17 september 2015 de hiervoor onder 1.2 genoemde verblijfsaanvraag heeft ingediend, die door verweerder is beoordeeld zonder dat het mvv-vereiste aan eiser is tegengeworpen;

(iv.) niet in geschil is dat eiser als acupuncturist over een bijzondere vakbekwaamheid beschikt, gezien de herkomst van de clientèle die hij in Nederland heeft behandeld en de support die hij krijgt vanuit de reguliere academische medische wereld;

(v.) reizen naar China is op zich al lastig is en zeker ten tijde van de beschikking op bezwaar werd bemoeilijkt door de coronapandemie.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen volgt de rechtbank verweerder niet zonder meer in zijn oordeel dat toepassing van het mvv-vereiste in dit geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4. Eiser voert aan dat verweerder de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden. Deze beroepsgrond slaagt.

4.1

Volgens vaste rechtspraak vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden afgezien als er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Van een dergelijke situatie is, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1 is overwogen, geen sprake.

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en geoordeeld.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Verweerder dient ook het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 178,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Eertink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2022.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.