Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:5396

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2018
Datum publicatie
14-06-2018
Zaaknummer
200.185.624/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Geldlening. Tussenarrest.

Heeft terugbetaling van de lening al plaatsgevonden? Echtheid van de handtekeningen onder ontvangstbewijzen. Schriftvergelijkend deskundigenonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.185.624/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/108038/HA ZA 13-244)

arrest van 12 juni 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. S.D. Ramautar, kantoorhoudend te Amstelveen,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R.E. van de Hoef, kantoorhoudend te Almere.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 juni 2017 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de berichten van partijen dat zij afzien van een comparitie.

1.3

Vervolgens hebben partijen gevraagd om arrest, heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

[appellant] heeft in principaal hoger beroep vernietiging gevorderd van het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 25 november 2015, met afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen van [geïntimeerde] en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

1.5

[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep vernietiging gevorderd van het vonnis van 25 november 2015, voor zover daarbij de vordering tot vergoeding van de gederfde rendementsvergoeding van € 2.500,- per kwartaal en de buitengerechtelijke incassokosten zijn afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten. Daarbij is rekening gehouden met wat [geïntimeerde] in grief I heeft aangevoerd tegen het niet opnemen door de rechtbank in haar (eind)vonnis van 25 november 2015 van feiten die tussen partijen nader zijn komen vast te staan. Nu het hof de feiten zelf vaststelt heeft [geïntimeerde] geen belang bij verdere bespreking van die grief, waarbij nog wordt opmerkt dat het hof een grote mate van vrijheid toekomt bij de vaststelling van de feiten en dat hij niet gehouden is om alle feiten die in het geding tussen partijen zijn komen vast te staan te vermelden.

2.2

Partijen zijn met elkaar bevriend geweest.
Zij hebben een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 50.000,- heeft geleend. Die overeenkomst is schriftelijk vastgelegd in een onderhandse akte gedateerd 1 februari 2012, waarin, voor zover van belang, het volgende is bepaald:

“Ondergetekende

De heer [appellant] ( )

En ondergetekende
Mevrouw [geïntimeerde] ( ..)

Zijn overeengekomen dat Genoemde Mevrouw [geïntimeerde] een bedrag van zegge € 50 000,00 euro en schrijven vijftig duizend euro contant heeft betaald aan Genoemde heer [appellant]

Deze overeenkomst houd in dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] zorg zal dragen volgens samen overeengekomen zakelijke deal voor de periode van 48 maanden waarna Mevrouw [geïntimeerde] het genoemde bedrag van zegge € 50 000,00 en schrijven vijftig duizend euro weer contant terug zal krijgen en de Heer [appellant] daar garant voor staat en dat hij haar dit persoonlijk weer zal overhandigen. (…)

2.3

[appellant] heeft op 1 mei 2012 en op 25 juli 2012 telkens contant een bedrag betaald aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft voor de ontvangst van die bedragen telkens een ontvangstbewijs getekend en aan [appellant] afgegeven.

2.4

[geïntimeerde] heeft op 2 mei 2012 op haar bankrekening een bedrag gestort van € 2.450,- en op 26 juli 2012 een bedrag van € 2.500,-.

2.5

Bij brief van 7 januari 2014 heeft [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd tot terugbetaling van het bedrag van € 50.000,-. [geïntimeerde] heeft in die brief onder meer geschreven:
De afspraak is € 50.000 euro lenen voor 2 jaar en ieder kwartaal 2500 euro rente aan mij betalen.
Omdat ik nu geen rente krijg over mijn uitgeleende geld wil ik dat je het bedrag van € 50.000 direct naar mij terugstort (…). De achterstallige rente tot nu toe € 13.500 euro kan in overleg.”
Op die sommatie heeft [appellant] niet gereageerd.

2.6

Op 8 juli 2014 heeft (de rechtsbijstandverzekeraar van) [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd om uiterlijk 21 juli 2014 schriftelijk te berichten of [appellant] zijn verplichtingen tot betaling van de kwartaaltermijnen zal nakomen, bij gebreke waarvan de vordering, zo wordt meegedeeld, in zijn geheel opeisbaar zal zijn.

2.7

Na nog een volgende sommatie heeft [appellant] bij brief van 8 augustus 2014 aan (de rechtsbijstandverzekeraar van) [geïntimeerde] twee handgeschreven ontvangstbewijzen toegezonden, gedateerd 1 mei 2012 respectievelijk 1 augustus 2012. De ontvangstbewijzen dienen ter onderbouwing van een eerdere telefonische mededeling van [appellant] aan (de rechtsbijstandverzekeraar van) [geïntimeerde] dat hij het bedrag van € 50.000,- al aan
heeft terugbetaald.
De tekst van die beide bewijzen luidt als volgt:

“code **01-2-12**110653**$04

Mevrouw [geïntimeerde]
[a-straat 1]
[B]


Bevestigd door ondertekening dat zij heeft ontvangen € 25000,- euro van ondergetekende

De heer [appellant]
[b-straat 2]
[A]

Handtekening Handtekening
mevr. [geïntimeerde] [appellant] ”

Beide ontvangstbewijzen zijn voorzien van handtekeningen onder de namen van [geïntimeerde] en [appellant] .

2.8

Bij brief van 10 september 2014 heeft (de rechtsbijstandverzekeraar van) [geïntimeerde] de echtheid van die ontvangstbewijzen betwist en heeft zij haar vordering in zijn geheel opgeëist. Aan die sommatie en ook een volgende sommatie van 10 oktober 2014 heeft [appellant] geen gevolg gegeven.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg – samengevat – de ontbinding gevorderd van de overeenkomst van geldlening, met veroordeling van [appellant] tot betaling van € 50.000,-, te vermeerderen met € 20.000,- aan achterstallige kwartaaltermijnen, een schadevergoeding van € 2.500,- per kwartaal vanaf 1 januari 2015 tot de terugbetaling van het geleende bedrag,
en € 1.784,75 incl. btw aan buitengerechtelijke kosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.2

[appellant] heeft verweer gevoerd.

3.3

De rechtbank heeft in een tussenvonnis aan [appellant] bewijs opgedragen van zijn stelling dat hij aan [geïntimeerde] tweemaal een bedrag heeft betaald van € 25.000,- en aan [geïntimeerde] bewijs van haar stelling dat zij met [appellant] is overeengekomen dat hij € 2.500,- per kwartaal aan rente zou betalen.

Na bewijslevering door het horen van getuigen heeft de rechtbank in haar (bestreden) eindvonnis, uitvoerbaar bij voorraad, geoordeeld dat zowel [appellant] als [geïntimeerde] niet zijn geslaagd in hun bewijsopdracht. Vervolgens heeft de rechtbank de overeenkomst van geldlening ontbonden, [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 50.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2014, met afwijzing van het meer of anders gevorderde en compensatie van de proceskosten.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

in het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1

[appellant] is in hoger beroep gekomen onder aanvoering van vier grieven (genummerd I tot en met IV). De grieven I tot en met III zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet is geslaagd in het leveren van het bewijs van zijn stelling dat hij aan [geïntimeerde] het geleende bedrag van € 50.000,- al heeft terugbetaald, en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Grief IV is gericht tegen de compensatie van de proceskosten.

4.2

[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep eveneens vier grieven aangevoerd (genummerd I tot en met V, maar een grief genummerd III ontbreekt). Grief I is daarbij gericht tegen de feitenvaststelling door de rechtbank en is hiervoor bij de feitenvaststelling door het hof al aan de orde geweest. Grief II is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in haar bewijsopdracht, grief IV tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten en grief V tegen de compensatie van de proceskosten.

4.3

In het principale hoger beroep staat de vraag centraal of [appellant] de lening al (in 2012 ) heeft terugbetaald. In het incidentele hoger beroep is de kernkwestie of partijen een (rente)vergoeding van € 2.500,- per kwartaal zijn overeengekomen.

4.4

In beide kwesties spelen de bedragen die [appellant] op 1 mei 2012 en op 25 juli 2012 heeft betaald aan [geïntimeerde] een cruciale rol; betroffen die betalingen de terugbetaling van de lening in twee termijnen van elk € 25.000,-, of ging het om de betaling van twee kwartaaltermijnen aan rentevergoeding van elk € 2.500,-?

4.5

[appellant] heeft daaromtrent in eerste aanleg aangevoerd dat hij het geld dat hij had ontvangen van [geïntimeerde] ter beschikking heeft gesteld aan twee heren uit Antwerpen die zich hadden gepresenteerd als bestuurders van de onderneming “TCI Brasschaat import en export van teakhout”, die in teakhout zou beleggen en daar goede rendementen mee zou hebben behaald. Al snel daarna had hij geen goed gevoel meer bij de transactie - de onderneming bleek niet te vinden op het opgegeven adres - en heeft hij bij de heren met succes aangedrongen op terugbetaling van het geld, dat hij vervolgens heeft terugbetaald aan [geïntimeerde] .

4.6

[geïntimeerde] heeft de terugbetaling betwist en heeft daartegenover gesteld dat
naast wat op papier stond over de lening, was afgesproken dat zij per kwartaal een rentevergoeding zou ontvangen van € 2.500,-. Die afspraak is niet opgenomen in de schriftelijke overeenkomst, omdat zij [appellant] vertrouwde. De eerste twee kwartaaltermijnen zijn ook voldaan. De derde is echter te laat voldaan, pas in november 2012, en niet volledig, alleen een bedrag van € 1.500,-, terwijl [appellant] de daarop volgende kwartaaltermijnen helemaal onbetaald heeft gelaten.

4.7

[appellant] heeft betwist dat is gesproken over een rentevergoeding. Volgens hem zou [geïntimeerde] alleen aanspraak kunnen maken op een jaarlijkse bonus, maar heeft uitkering daarvan niet plaatsgevonden, omdat [appellant] het geld al had teruggehaald.

4.8

[appellant] heeft in eerste aanleg getracht aan zijn bewijsopdracht te voldoen door naast zijn beroep op de onvangstbewijzen (zie 3.6) zichzelf en mevrouw [C] als getuigen te laten horen. Ten aanzien van [C] merkt het hof op dat in het proces-verbaal van getuigenverhoor is vermeld dat zij de ex-echtgenote is van [appellant] , maar dat in hoger beroep is gebleken dat zij nog steeds met [appellant] is gehuwd.

4.9

[geïntimeerde] heeft getracht aan haar bewijslast te voldoen door zichzelf en haar echtgenoot als getuigen te laten horen. Verder heeft zij gewezen op de met kwartaalvergoedingen corresponderende tijdstippen van de betalingen door [appellant] , de met kwartaalvergoedingen corresponderende tijdstippen en bedragen van haar stortingen van contante gelden op haar bankrekening (zie 3.4), en op inconsistenties en onvolledigheden in de verklaringen van [appellant] (onder meer over hoe hij het geld heeft teruggekregen en op welk(e) tijdstip(pen) dat is gebeurd).

4.10

De rechtbank heeft ten aanzien van de bewijslevering door [appellant] overwogen, samengevat, dat zijn verklaring als partijgetuige dat hij tweemaal € 25.000,- aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald onvoldoende steun vindt in de verklaring van [C] om geloofwaardig te zijn, nu zijn verklaring en die van [C] zijn weersproken door de verklaringen van [geïntimeerde] en [D] , terwijl de ontvangstbewijzen geen bewijs in zijn voordeel opleveren, omdat [geïntimeerde] de echtheid van haar handtekening onder die ontvangstbewijzen heeft betwist (zie rov. 2.2 tot en met 2.5 van het vonnis van 25 november 2015).

4.11

Ten aanzien van de bewijslevering door [geïntimeerde] heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat haar verklaring als partijgetuige dat zij verschillende keren met [appellant] heeft gesproken over een rendement van € 2.500,- per kwartaal onvoldoende is om aan te nemen dat dit ook is overeengekomen, dat haar verklaring verder onvoldoende steun vindt in de verklaring van [D] nu hun verklaringen worden weersproken door [appellant] en niet worden bevestigd door [C] , en dat niet is gebleken van andere omstandigheden om aan haar verklaring en die van haar man doorslaggevende waarde toe te kennen. Met betrekking tot de stortingen van gelden op de bankrekening heeft de rechtbank overwogen dat die onvoldoende zeggen over de herkomst van dat geld, nu in de schriftelijke overeenkomst niets is vastgelegd over de betaling door [appellant] van een rendement van
€ 2.500,- per kwartaal aan [geïntimeerde] (zie rov. 3.8 tot en met 3.11 van het vonnis van 25 november 2015).

4.12

Het hof onderschrijft in het licht van het gepresenteerde bewijsmateriaal, de bewijswaardering van de rechtbank. In de (toelichtingen op de) grieven van partijen tegen die bewijswaardering heeft het hof geen (nieuwe) argumenten aangetroffen die aanleiding geven om dat bewijs in hoger beroep voorshands anders te waarderen.

4.13

Wel heeft [appellant] in hoger beroep als aanvullend bewijs nog een schriftelijke verklaring overgelegd van de heer [E] . Daarin verklaart [E] , samengevat, dat [appellant] half juli 2012 bij hem op bezoek is geweest en toen een bedrag van € 25.000,- bij zich had, dat hij naar zijn zeggen had opgehaald in België om terug te geven aan iemand die geïnvesteerd had. [appellant] heeft aangeboden om [E] zonodig als getuige te horen.

4.14

Het hof is van oordeel dat de overgelegde schriftelijke verklaring van [E] geen aanvullend bewijs oplevert dat aanleiding geeft voor een andere bewijswaardering. Uit de verklaring blijkt nog niet dat [appellant] het bedrag waar [E] in zijn verklaring over spreekt, heeft betaald aan [geïntimeerde] . Het hof ziet verder ook geen aanleiding om [E] nog als getuige te horen; [appellant] heeft niet aangegeven wat [E] als getuige nog meer of anders zou kunnen verklaren dan hij op papier al heeft gedaan.

4.15

[appellant] heeft in hoger beroep tevens verzocht om, als het hof het door hem te leveren bewijs niet geleverd acht, een deskundigenonderzoek te laten verrichten naar de handtekeningen onder de ontvangstbewijzen.

4.16

Het hof ziet aanleiding dit verzoek van [appellant] te honoreren in de vorm van een schriftvergelijkend onderzoek naar de handtekeningen onder de ontvangstbewijzen die van [geïntimeerde] afkomstig zouden zijn. De uitkomst van een dergelijk onderzoek zou namelijk van belang kunnen zijn voor een nadere bewijswaardering. In de eerste plaats voor het door [appellant] te leveren bewijs dat hij aan [geïntimeerde] tweemaal (op 1 mei 2012 en op 25 juli 2012) een bedrag van € 25.000,- heeft betaald. Het hof merkt daarbij op dat in de ontvangstbewijzen het door [appellant] (beweerdelijk) aan [geïntimeerde] betaalde bedrag weliswaar niet is uitgeschreven, maar dat [geïntimeerde] tijdens de comparitie in eerste aanleg heeft verklaard dat zij bij het tekenen voor ontvangst er goed op heeft gelet of er ruimte was om achter het ingevulde bedrag nog een nul te zetten, en dat die er niet was. Met het oog op de aan de in de ontvangstbewijzen vermelde bedragen toe te kennen bewijswaarde acht het hof het niettemin van belang om aan de deskundige ook de vraag voor te leggen of de laatste “0” van de op de ontvangstbewijzen vermelde bedragen op hetzelfde moment en door dezelfde persoon zijn ingevuld als de andere cijfers van die bedragen.

4.17

Daarnaast kan de uitkomst van een schriftvergelijkend onderzoek tevens van belang zijn voor een nadere waardering van het door [geïntimeerde] te leveren bewijs dat partijen zijn overeengekomen dat zij per kwartaal een (rente)vergoeding van € 2.500,- zou ontvangen.

Indien namelijk uit het onderzoek naar voren mocht komen dat [geïntimeerde] haar handtekening niet heeft gezet onder de ontvangstbewijzen, of dat de laatste nul van de ingevulde bedragen op een ander moment en/of door een andere persoon mocht zijn geplaatst, wint aan geloofwaardigheid haar stelling dat de betalingen die zij heeft ontvangen hebben plaatsgevonden in het kader van een tussen partijen (aanvullend) gemaakte afspraak over een aan [geïntimeerde] toekomende kwartaalvergoeding.

4.18

Het hof stelt voor aan de te benoemen deskundige(n) de volgende vragen voor te leggen:

- met welke mate van zekerheid zijn de kwitanties gedateerd 1 mei 2012 en 1 augustus 2012 ondertekend door [geïntimeerde] ? Kunt u uw antwoord toelichten;
- met welke mate van waarschijnlijkheid is de laatste “0” van de in de kwitanties vermelde bedragen ingevuld op hetzelfde moment en door dezelfde persoon als de andere cijfers van de bedragen;
- is er verder nog iets dat u kunt opmerken dat voor de beoordeling van de zaak van belang kan zijn?

4.19

Nu [appellant] zich beroept op de echtheid van de door hem overgelegde kwitanties zal hij worden belast met het aan de deskundige(n) te betalen voorschot.

4.20

Alvorens over te gaan tot het benoemen van de deskundige zal het hof partijen nog in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over het aantal en de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) voor te leggen vragen.
Partijen wordt daarbij verzocht om met elkaar in overleg te treden, opdat zij zo mogelijk met een eensluidend voorstel zullen kunnen komen.

4.21

Partijen zullen hun medewerking dienen te verlenen aan het onderzoek. [appellant] zal daarbij aan de deskundige het origineel van de ontvangstbewijzen en het origineel van de leningsovereenkomst ter hand dienen te stellen. Ook zullen partijen op diens verzoek aan de deskundige(n) andere (vergelijkings) bescheiden ter hand dienen te stellen en/of hun medewerking dienen te verlenen aan een schrijfproef.

4.22

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5
5. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

alvorens nader te beslissen:


verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 10 juli 2018 voor akte van partijen houdende uitlating als hiervoor onder 4.20 aangegeven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, J.H. Kuiper en R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

12 juni 2018.