Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO7180

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
14-12-2010
Zaaknummer
200.027.094-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Franchiseovereenkomst en huurovereenkomst. Franchiseovereenkomst wordt na korte tijd beëindigd. Vordering tot betaling van huurpenningen over de periode na beëindiging van de franchiseovereenkomst. Geen schriftelijke huurovereenkomst. Uitleg van partijafspraken over huurbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 oktober 2010

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X]HOLDING B.V.,

gevestigd te [A],

APPELLANTE in het principaal appel,

GEÏNTIMEERDE in het voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. A. van Hees, gevestigd te Amsterdam,

t e g e n

1. [GEÏNTIMEERDE 1],

2. [GEÏNTIMEERDE 2],

beiden wonende te [B],

GEÏNTIMEERDEN in het principaal appel,

APPELLANTEN in het voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. H.L. Duijm, gevestigd te Alphen aan den Rijn.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna aangeduid als [appellant] respec¬tieve¬lijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2].

Bij dagvaarding van 12 januari 2009 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 15 oktober 2008 van de kantonrechter te Hilversum, onder kenmerk 874409 / CV 07-2264 gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden.

Bij memorie heeft [appellant] twee grieven aangevoerd (één tegen het vonnis van 6 februari 2008 en één tegen het hiervoor ge¬noemde vonnis van 15 oktober 2008), een productie in het ge¬ding gebracht en ge¬concludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad - de vor¬dering van [appellant] als¬nog zal toewijzen, met veroor¬deling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten van beide instanties.

Bij memorie hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geantwoord en van hun kant in voorwaardelijk incidenteel appel één grief tegen eer¬der¬genoemde vonnissen aangevoerd. Zij hebben in het principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen met veroor¬deling van [appellant] in de proces¬kosten van het hoger beroep. In het voorwaardelijk incidenteel appel hebben zij een verklaring voor recht gevorderd, alsmede vernietiging van de verpandingen dan wel de cessie, uit¬voerbaar bij voorraad, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Vervolgens heeft [appellant] bij memorie in het voor¬waar¬delijk in¬ci¬denteel appel geantwoord, producties in het geding ge¬bracht, en (naar het hof begrijpt) geconcludeerd tot ver¬wer¬ping van dat appel.

Partijen hebben de zaak schriftelijk doen bepleiten, [appellant] door mr. F.B. Keulen, advocaat te Amersfoort, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] door mr. H.L. Duijm voornoemd.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2. De feiten

2.1 De kantonrechter heeft in het vonnis van 6 februari 2008 onder 1.1 tot en met 1.8 een aantal feiten vastgesteld.

2.2 [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben de juistheid van rechts¬overweging 1.8 betwist, zodat het hof niet ervan kan uitgaan dat de inhoud van die overweging een vaststaand feit is.

2.3 Voor het overige bestaat over de door de kantonrechter vastgestelde feiten geen geschil. Ook het hof zal daarom van die feiten uitgaan.

3. De beoordeling in hoger beroep

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) In maart 2004 is een franchiseovereenkomst tot stand ge¬ko¬men tussen Genesis Keukens Eindhoven B.V. (hierna: Genesis Eind¬hoven) als franchisegever en [geïntimeerde 1] als fran¬chise¬nemer. Ten tijde van het sluiten van die overeenkomst exploiteerde Genesis Eindhoven een vestiging aan de [adres] te Utrecht. Genesis was onderhuurder van Wellman, die het bedrijfspand op zijn beurt huurde van De Elf Provinciën B.V. Per 1 april 2004 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] het bedrijfspand betrokken om daar hun bedrijf te exploiteren, Keuken Centrum Utrecht, Ruba Keukens.

(ii) Over de voorwaarden ter zake van het gebruik van het bedrijfspand is in maart 2004 tussen partijen eveneens overleg gevoerd. Bij e-mail van 26 maart 2004 deelt de statutair directeur van Genesis Eindhoven [X] aan [geïntimeerde 2] het volgende mee:

“Wat betreft de huur heb ik jou verteld dat er met Wellmann een dispuut ligt waarvan ik verwacht en ook mijn advocaat, dat er een claim te leggen is bij Wellmann.

Deze claim wil ik niet verliezen door de transactie met jou (…). Wij hebben per 1 juli 2003 de ruimte van Wellmann gehuurd (…). Je begrijpt dat ik niet gehuurd heb voor slechts 1,5 jaar. Wellmann kende een cyclus van 5 jaar met een opzegtermijn van 1 jaar. Wellmann heeft per 31-12-2003 opgezegd (…). De einddatum is dan 31-12-2004. De verhuurder heeft weer een nieuwe huurder nodig en dan zijn wij natuurlijk de meest in aanmerking komende partij. (…)

Ik wil graag met jou tot een oplossing komen in de vorm van het niet betalen van de huur, ik huur dus gewoon verder, maar jij betaalt geen huur tot er een contract wordt aangeboden voor de periode na 1-1-2005. Komt die er dan betaal je huur (vanaf ingangsdatum 1 april 2004) maar dan heb je ook een regulier contract van minimaal 5 of 10 jaar wat je wilt. Komt het contract er niet dan krijg je in feite € 72.000 budget voor verhuiskosten omdat je vanaf april tot december geen huur hoeft te betalen. (…)”

(iii) Op 31 augustus 2004 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de franchiseovereenkomst ontbonden omdat [X] volgens hen toe¬rekenbaar tekort is geschoten. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 8 augustus 2007 geoordeeld dat de buiten¬ge¬rech¬telijke ontbinding gerechtvaardigd was. Tegen dit vonnis heeft Genesis Eindhoven hoger beroep aangetekend.

(iv) Bij vaststellingsovereenkomst van 15 november 2004 zijn partijen overeengekomen dat zij de franchisesamenwerking per 15 november 2004 feitelijk zullen beëindigen. Genesis Eind¬hoven heeft per die datum de exploitatie van het bedrijfspand van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] overgenomen. [geïntimeerde 2] heeft zich bij die vaststellingsovereenkomst hoofdelijk verbonden voor beta¬ling van eventuele vorderingen uit hoofde van de tussen par¬tijen bestaande geschilpunten.

(v) Op 3 december 2004 hebben partijen een tweede vaststel¬lings¬overeenkomst gesloten waarin zij op een aantal van geschilpunten overeenstemming hebben bereikt. De overeenkomst evenwel ook de resterend geschilpunten, waaronder:

“een door Partij A ([geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2], hof) aan Partij B (onder meer Genesis Eindhoven, hof) te vergoeden huur over de periode 1 april tot 15 november 2004 (vastgesteld is nu dat het voorafgaand aan de mediation door partijen genoemde bedrag ad euro 8.000 euro huur per maand exclusief B.T.W. is).”

(vi) Genesis Eindhoven meent dat zij van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] huurpenningen heeft te vorderen ter zake van het bedrijfspand aan de [adres] te Utrecht. Het gaat om een vordering van € 60.000,- voor de periode 1 april 2004 tot en met 14 november 2004.

3.2 In deze procedure vordert [appellant] betaling van de huurpenningen. [appellant] stelt zich op het standpunt dat zij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in rechte kan aanspreken omdat Genesis Eindhoven deze vordering aan Genesis Beheer B.V. heeft verpand, die op haar beurt de vordering aan [appellant] heeft gecedeerd. [appellant] voert voorts aan dat [Z] van Boorder Bedrijfshuisvesting (de makelaar van de verhuurder, De Elf Provinciën) een huurovereenkomst heeft op¬gesteld waarbij het bedrijfspand per 1 januari 2005 zou worden verhuurd aan [geïntimeerde 2], maar dat [geïntimeerde 2] de overeenkomst niet wilde ondertekenen. Volgens [appellant] heeft zij aldus voldaan aan de afspraak die zij in maart 2004 met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] heeft gemaakt over de huur van het bedrijfspand, zodat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] huurpenningen verschuldigd zijn.

3.3 [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben een en ander gemotiveerd betwist. Zij voeren aan dat hen nooit een huurovereenkomst is aangeboden en dat er met hen ook nooit over is onderhandeld over een huurovereenkomst met De Elf Provinciën.

3.4 De kantonrechter heeft in het vonnis van 6 februari 2008 [appellant] toegelaten tot het bewijs dat overeenkomstig de afspraak als bedoeld in de e-mail van 26 maart 2004 een huurovereenkomst is aangeboden ingaande op 1 januari 2005 en dat door toedoen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] die huurovereenkomst niet tot stand is gekomen. Nadat bewijslevering heeft plaats¬gevonden, heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] niet in het bewijs is geslaagd. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen en deze in de kosten veroordeeld.

3.5 Met grief I komt [appellant] op tegen de hiervoor vermelde bewijsopdracht. [appellant] is van mening dat de bewijsopdracht niet ter zake diendend is. De afspraak in de e-mail van 26 maart 2004 is gemaakt in de veronderstelling dat er tussen partijen ook na 1 januari 2005 nog een franchise¬relatie zou bestaan. Nu de franchiseovereenkomst al voor die tijd is beëindigd, kan door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geen beroep meer worden gedaan op de huurafspraken in de bedoelde e-mail, aldus [appellant], en dienen zij de verschuldigde huur over 2004 te voldoen. Bovendien blijkt uit de vaststellings¬overeenkomst van 15 november 2004 alsmede uit de vaststel¬lings¬overeenkomst van 3 december 2004 dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] deze huur verschuldigd zijn.

3.6 Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat tussen partijen geen schriftelijke huurovereenkomst van kracht is. De enige af¬spraak over huurbetaling die partijen voorafgaand aan de huurrelatie op schrift hebben gezet, is neergelegd in de e-mail van 26 maart 2004. Gesteld noch gebleken is dat er op enig moment een nadere aanvullende af¬spraak is gemaakt, afgezien van de vaststellingsovereenkomsten die het hof onder 3.7 zal bespreken. De afspraak in de e-mail van 26 maart 2004 komt erop neer dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] over het jaar 2004 aan Genesis Eindhoven huur zouden zijn ver¬schuldigd indien zij per 1 januari 2005 een nieuwe huur¬overeenkomst zouden sluiten met De Elf Provinciën en dat zij geen huur behoefden te betalen als die huurovereenkomst niet zou worden gesloten. Nu er geen nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen, betekent dat in beginsel dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geen huur ver¬schuldigd waren aan Genesis Keukens. Het was aan Genesis Keukens geweest om een nadere afspraak over de huurbetaling te maken voor de situatie dat de fran¬chiserelatie voortijdig zou stranden. De kanton¬rechter heeft terecht een uitzondering gemaakt voor de situatie dat aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] wél een dergelijke huur¬overeenkomst zou zijn aan¬geboden, maar door hun toedoen niet tot stand is gekomen. De kantonrechter heeft ook terecht de bewijslast daarvan op [appellant] gelegd.

3.7 Het beroep van [appellant] op de vaststellings¬over¬eenkomsten van 15 november 2004 en 3 december 2004, gaat niet op. Uit de vaststellingsovereenkomst van 15 november blijkt niet meer dan dat partijen een geschil hebben over de af¬han¬deling van de huurovereenkomst. In het bijzonder kan daaruit niet worden afgeleid dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben erkend dat zij enig bedrag aan Genesis Eindhoven verschuldigd waren ter zake van de huur. Datzelfde geldt voor de vast¬stel¬lings¬overeenkomst van 3 december 2004. Uit die overeen¬komst kan hooguit worden opgemaakt dat een eventueel te be¬talen bedrag aan huur zou neerkomen op € 8.000,- per maand, exclu¬sief btw.

3.8 Tot slot doet [appellant] nog een beroep op de om¬standigheid dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in een rekening-courant¬overzicht uit augustus 2004 ter zake van de beëindiging van de franchiseovereenkomst, hebben opgenomen dat zij vijf maanden huur zijn verschuldigd aan Genesis Eindhoven. Anders dan [appellant] meent, kan niet (uitsluitend) op grond van dat overzicht worden vastgesteld dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] on¬dubbel¬zinnig hebben erkend dat zij huur zijn verschuldigd aan Genesis Keukens.

3.9 De conclusie is dat grief I faalt.

3.10 Grief II klaagt dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. [appellant] beroept zich in het bijzonder op de getuigenver¬klaringen die in de eerste aanleg zijn afgelegd en op de brief van 4 oktober 2004 van [Y] aan [X].

3.10.1 Getuige [Z] heeft verklaard dat hij werk¬zaam is bij De Boorder Bedrijfshuisvesting en van De Elf Provinciën opdracht heeft gekregen een huurovereenkomst op te stellen voor het onderhavige bedrijfspand. [Z] diende contact op te nemen met de heer [Y], de vastgoed¬tussen¬persoon van De Elf Provinciën. [Z] heeft een huurcontract opgesteld op naam van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]; hij heeft niet onderhandeld met een van beiden. Hij weet vrijwel zeker dat hij van [geïntimeerde 2] persoonlijk een kopie van diens paspoort heeft toegestuurd gekregen. [Z] had daarom verzocht, omdat hij van [Y] geen legitimatiebewijs van [geïntimeerde 2] had ontvangen. Aanvankelijk zou het contract op naam van [geïntimeerde 1] komen, maar later is dit [geïntimeerde 2] geworden. [Z] kan zich niet her¬inneren of hij via de heer [Y] legitimatie van [geïntimeerde 1] heeft ontvangen. [Z] heeft het contract aan [geïntimeerde 2] toe¬gestuurd, maar heeft daarvan geen aantekening in zijn dos¬sier gemaakt. Hij kan zich niet herinneren dat hij met [geïntimeerde 2] over de voorwaarden van het huurcontract heeft ge¬spro¬ken. Toen [Z] geen onder¬tekende huurovereenkomst kreeg terugge¬zon¬den, heeft [Y] hem medegedeeld dat de naam van de huurder moest worden gewijzigd in Genesis Trade.

3.10.2 Getuige [Y] heeft verklaard dat hij blijft bij hetgeen hij in zijn brief van 4 oktober 2004 aan de heer [X] heeft geschreven, te weten dat hij in de periode april – juni 2004 met onder andere [geïntimeerde 2] heeft onderhandeld over de huurvoorwaarden, waarna [Z] een huurovereenkomst heeft opgesteld; dat [Z] de huurovereenkomst in eerste in¬stantie aan [Y] heeft toegezonden, die het contract heeft nagekeken en heeft doorgezonden aan [geïntimeerde 2] en dat hij [geïntimeerde 2] enige tijd later heeft gebeld om te vragen waar het huur¬contract bleef, maar dat deze hem toen heeft medegedeeld dat hij nog geen beslissing wilde nemen over de huurovereenkomst maar eerst de aankomende maanden wilde afwachten. Tijdens het getuigenverhoor heeft [Y] evenwel verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij écht heeft onderhandeld met [geïntimeerde 2]; hij heeft in ieder geval onderhandeld met de heer [X] en hij weet niet of deze heeft teruggekoppeld aan [geïntimeerde 2]. In aanvulling op zijn schriftelijke verklaring heeft getuige [Y] voorts nog verklaard dat hij niet weet wie het contract aan [geïntimeerde 2] heeft toegestuurd; hij kan dat in zijn dossier niet terugvinden en het kan ook zijn dat iemand van De Boorder Bedrijfshuisvesting dat heeft gedaan. Volgens [Y] was [geïntimeerde 2] akkoord met de inhoud van het contract maar wilde hij nog even niet tekenen.

3.10.3 [geïntimeerde 2] heeft als getuige verklaard dat hij nooit een kopie van zijn paspoort aan de heer [Y] heeft gestuurd en zijn partner [geïntimeerde 1] evenmin. [geïntimeerde 2] heeft ook niet met [Y] gesproken of onderhandeld over een huurovereenkomst; [geïntimeerde 2] heeft [Y] voor het eerst tijdens het getuigen¬verhoor gezien. [geïntimeerde 2] heeft [Z] in de zomer van 2004, toen deze bij [geïntimeerde 2] in de zaak was, gevraagd een huur¬overeenkomst te regelen met ingang van 1 januari 2005, maar [Z] heeft dat niet gedaan. [geïntimeerde 2] verklaart voorts dat hij ook nooit met [Z] heeft onderhandeld of verder con¬tact met hem heeft gehad. Op een gegeven moment heeft [geïntimeerde 2] wel een fax aan [V] (de compagnon van [X]) op kantoor op het bureau zien liggen. De fax bevatte een huurcontract waarin volgens hem Ruba Keukens vermeld stond als huurder; Ruba is de naam van de franchiseorganisatie waar het hier om gaat. [geïntimeerde 2] heeft echter verder niet naar de fax gekeken omdat deze niet aan hem was gericht. [geïntimeerde 2] heeft nooit een huurcontract gezien waarin hijzelf of [geïntimeerde 1] als huurder is genoemd. [geïntimeerde 2] verklaart verder dat hij eind augustus 2004 [Z] heeft gebeld en hem heeft gevraagd hoe het zat met het huurcontract. [Z] meldde hem toen dat er een huurcontract was gemaakt met [X] als huurder.

3.10.4 [geïntimeerde 1] heeft als getuige verklaard dat zij in de periode juni tot half augustus 2004 in Amerika was. Toen zij terugkwam hoorde zij van [geïntimeerde 2] dat er nog geen huurcontract was. Voorts verklaart [geïntimeerde 1] dat zij aanwezig is geweest bij een telefoongesprek dat [geïntimeerde 2] eind augustus / begin september 2004 met [Z] heeft gevoerd. De insteek van [geïntimeerde 2] en haar was dat zij verder wilden huren, maar [geïntimeerde 1] begreep uit wat [geïntimeerde 2] zei dat zij niet meer konden huren en dat het huurcontract op naam van [X] stond.

3.11 Naar het oordeel van het hof is op grond van deze verklaringen niet komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] een concept-huurovereenkomst heb¬ben ont¬vangen. Tegenover de verklaringen van [Z] en [Y] staan de verklaringen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]. Daar komt bij dat het hof de ver¬kla¬ringen van [Z] en [Y] op dit punt niet voldoende een¬duidig acht. Enerzijds heeft [Z] verklaard dat hij het contract aan [geïntimeerde 2] heeft toegestuurd (maar daar geen aante¬kening van in zijn dossier heeft gemaakt). Anderzijds heeft [Y] in zijn schriftelijke verklaring van 4 oktober 2004 te kennen gegeven dat hij het contract na het te hebben nagekeken aan [geïntimeerde 2] heeft toe¬gestuurd; [Y] heeft als getuige ver¬klaard nog steeds achter zijn schriftelijke ver¬kla¬ring te staan. In zijn getuigen¬ver¬klaring lijkt [Y] weliswaar daar¬op terug te komen in die zin dat hij de toezending aan [geïntimeerde 2] niet in zijn dossier heeft terug¬gevonden en dat het volgens hem kan zijn dat De Boorder Bedrijfshuisvesting de verzending aan [geïntimeerde 2] heeft verzorgd, maar in de kern komt deze ver¬klaring erop neer dat [Y] dit ten tijde van het ge¬tuigenverhoor in 2008 niet goed meer weet.

3.12 Voorts is in de concept-huurovereenkomst dat aan [geïntimeerde 2] zou zijn toegezonden en die door [appellant] als productie 4 bij inleidende dagvaarding is overgelegd, niet de naam van [geïntimeerde 2] genoemd, maar die van [geïntimeerde 1]. Zij vertegenwoordigt de in het concept genoemde huurder, Keuken Centrum Utrecht, Ruba Keukens. Het is dan ook zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom aan [geïntimeerde 2] zou zijn verzocht een kopie van zijn legitimatiebewijs toe te sturen, zoals [Z] en [Y] verklaren, maar [geïntimeerde 2] zelf ontkent.

3.13 [geïntimeerde 2] heeft als getuige nog wel verklaard dat hij een fax met een huurcontract op naam van Ruba Keukens heeft zien liggen op kantoor, maar deze fax was niet aan hem gericht. Die omstandigheid kan dus geen bewijs opleveren van de toezending van de huurovereenkomst naar [geïntimeerde 2].

3.14 Nu niet is komen vast te staan dat het concept-huur¬contract op enig moment aan [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] is toege¬stuurd, mist relevantie de vraag of die huurovereenkomst door toedoen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet tot stand is gekomen.

3.15 De conclusie is dat ook grief II faalt.

3.16 Kortom, de grieven in het principaal appel hebben geen succes en het hof zal de bestreden vonnissen bekrachtigen. Bij deze stand van zaken behoeft het voorwaardelijk incidenteel appel geen bespreking. [appellant] zal als de in het on¬gelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden vonnissen;

verwijst [appellant] in de kosten van het appel en begroot die kosten, voorzover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gevallen op € 262,- aan verschotten en op € 1.788,- aan salaris voor de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, W.J. Noordhuizen en E.H.J. Schrage en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2010 door de rolraadsheer.