Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1916

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2018
Datum publicatie
29-06-2018
Zaaknummer
17/5506 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. De conclusies van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige berusten op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek en zijn overtuigend gemotiveerd, aan de hand van een relevant medisch onderzoek en kennisneming van de over appellant beschikbare medische informatie. De deskundige heeft duidelijkheid verschaft over de diagnoses waarover in beroep onduidelijkheid was ontstaan. Betekenis komt verder toe aan de toelichting van de verzekeringsarts dat met de specifieke voorwaarden voor het functioneren in arbeid (van aspect 1.9) voldoende rekening is gehouden met de door de deskundige genoemde negatieve gevolgen van de medicatie voor de cognitie, de flexibiliteit, het handelingstempo en de professionele rijvaardigheid. Geen twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts .

Gelet op het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts heeft de rechtbank terecht niet ook een onafhankelijk verzekeringsarts als deskundige benoemd. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5506 WIA

Datum uitspraak: 28 juni 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

27 juni 2017, 14/1460 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.H.J. van der Heijden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Heijden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als taxichauffeur voor 31, 38 uur per week. Op

18 november 2011 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Op 25 januari 2012 is zijn dienstverband geëindigd. Het Uwv heeft appellant daarop in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Op 29 september 2013 heeft appellant een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA). Op 15 oktober 2013 heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant per

15 oktober 2013 vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft daarna op basis van een drietal geselecteerde functies berekend dat appellant met passend werk meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Bij besluit van 8 november 2013 heeft het Uwv vervolgens vastgesteld dat appellant met ingang van 21 december 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 21 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 maart 2014, een aangevulde FML van dezelfde datum en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 maart 2014 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing (deskundige) benoemd om een onderzoek in te stellen. Zij heeft bij brief van

18 november 2016 rapport uitgebracht. Partijen hebben op dit rapport gereageerd. De rechtbank heeft deze reacties voorgelegd aan de deskundige, die bij brief van 22 februari 2017 daarop heeft gereageerd. Het door de deskundige uitgebrachte rapport geeft naar het oordeel van de rechtbank blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Daarbij heeft zij betrokken dat de deskundige het dossier heeft bestudeerd, informatie heeft opgevraagd bij de behandelaar van appellant, GZ-psycholoog L. Rengers, en appellant heeft onderzocht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de deskundige heeft geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een angststoornis NAO, gepaard gaande met paniekaanvallen en agorafobie, en afhankelijkheid van sedativum en dat de deskundige voor de door psychiater L.J.M. Klerks gestelde diagnoses PTSS en depressieve stoornis onvoldoende aanwijzingen heeft gevonden. Hernandez-Dwarkasing heeft daarentegen de bevindingen van de behandelaren van appellant onderschreven. Volgens de deskundige dienen in rubriek 1 (persoonlijk functioneren) van de FML extra beperkingen aangenomen te worden ten aanzien van verdelen en concentreren van de aandacht (lichte beperking) en handelingstempo

(lichte beperking). In rubriek 2 (sociaal functioneren) moeten volgens de deskundige extra beperkingen in de FML worden opgenomen ten aanzien van eigen gevoelens uiten

(ernstige beperking) en vervoer (ernstige beperking). De deskundige heeft verder beperkingen bepleit ten aanzien van herinneren (lichte beperking), emotionele problemen van anderen hanteren (lichte beperking) en omgaan met conflicten (matige beperking). De rechtbank heeft vastgesteld dat deze aspecten in de FML van 14 maart 2014 al beperkt zijn geacht; op het aspect omgaan met conflicten is appellant (zelfs) sterk beperkt geacht, op het aspect herinneren is appellant beperkt met betrekking tot meer complexe werkinstructies: appellant moet dan regelmatig dingen apart opschrijven als geheugensteun om de continuïteit van het handelen te waarborgen. In haar brief van 22 februari 2017 heeft Hernandez-Dwarkasing in reactie op de brief van 2 februari 2017 van de door appellant geraadpleegde bedrijfsarts P.M.J. Swerts herhaald de diagnose PTSS tijdens haar expertise niet te hebben gesteld. De rechtbank heeft overwogen geen reden te hebben om te twijfelen aan de door

Hernandez-Dwarkasing gestelde diagnose. Zij heeft daarbij van belang geacht dat de deskundige van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld, waardoor appellant niet belastbaar is in gangbare arbeid, niet heeft gesproken. De rechtbank heeft overwogen dat de deskundige wel enkele aanvullende beperkingen in de FML heeft gesteld, maar daarvan heeft zij ook opgemerkt dat het vaststellen van beperkingen in de FML niet tot haar competentie behoort. De rechtbank heeft overwogen deze passage zo te begrijpen, dat appellant weliswaar beperkt is ten aanzien van de door de deskundige genoemde items, maar dat dit niet noodzakelijkerwijs beperkingen zijn in de zin van het CBBS. De door de deskundige aangegeven beperkingen moeten daarom naar het oordeel van de rechtbank met enige voorzichtigheid worden bezien. De rechtbank heeft de verzekeringsarts gevolgd in zijn reactie van 7 december 2016 op het rapport van de deskundige dat het niet in overeenstemming is met de Basisinformatie CBBS om (meer) beperkingen op te nemen op de aspecten vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht en handelingstempo, omdat beperkingen op deze items in het algemeen alleen voorkomen bij mensen met een ernstige stoornis, waarvan bij appellant geen sprake is. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de deskundige in dit verband heeft gesteld dat op deze items alleen sprake is van een lichte beperking die het gevolg is van het gebruik van Xanax. Het gaat hier dan naar het oordeel van de rechtbank niet om een beperking die dient te worden opgenomen in de FML. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de deskundige in haar brief van 22 februari 2017 heeft gemeld geen op- en aanmerkingen te hebben bij het rapport van 7 december 2016 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv de uit zijn psychische klachten voortvloeiende beperkingen heeft onderschat. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij rapporten van 5 augustus 2017 en 25 november 2017 van bedrijfsarts Swerts overgelegd. Appellant heeft betoogd dat het feit dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige geen op- en aanmerkingen had op het rapport van 7 december 2016 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, niet mag worden gezien als een instemming van de deskundige met dit rapport. Appellant is het er niet mee eens dat de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gevolgd in zijn standpunt terwijl deze verzekeringsarts appellant niet meer heeft gezien of onderzocht. Appellant is van mening dat de rechtbank niet consequent is geweest door niet na het door de psychiater uitgebrachte rapport een onafhankelijke verzekeringsarts te benoemen om de beperkingen vast te stellen. Hij heeft de Raad verzocht om dit alsnog te doen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van

18 november 2016 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De conclusies van de deskundige berusten op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek en zijn overtuigend gemotiveerd, aan de hand van een relevant medisch onderzoek en kennisneming van de over appellant beschikbare medische informatie. De deskundige heeft duidelijkheid verschaft over de diagnoses waarover in beroep onduidelijkheid was ontstaan. Zij heeft geconcludeerd dat voor de in beroep door psychiater Klerks gestelde diagnoses PTSS en een depressieve stoornis onvoldoende aanwijzingen zijn. Op de datum in geding is volgens de deskundige sprake van een angststoornis NAO die gepaard ging met paniekaanvallen en agorafobie. Zij heeft toegelicht dat het aannemelijk is dat in verband met het gebruik van 4 milligram Xanax per dag sprake is van lichte beperkingen op cognitief gebied, ondanks dat zij bij haar eigen psychiatrisch onderzoek geen evidente concentratie- en geheugenproblemen heeft waargenomen. Ook heeft zij wegens dit medicijngebruik een lichte beperking in handelingstempo aannemelijk geacht.

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 7 december 2016 vervolgens overtuigend en navolgbaar uiteengezet dat voor beperkingen op aspecten als vasthouden en verdelen van de aandacht en handelingstempo geen reden is. Beperkingen op deze items in de zin van een FML komen in het algemeen namelijk alleen voor bij mensen met een ernstige stoornis, waarvan bij appellant geen sprake is. Betekenis komt verder toe aan de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat met de specifieke voorwaarden voor het functioneren in arbeid (van aspect 1.9) voldoende rekening is gehouden met de door de deskundige genoemde negatieve gevolgen van de medicatie voor de cognitie, de flexibiliteit, het handelingstempo en de professionele rijvaardigheid. Verder wordt in aanmerking genomen dat appellant al ruim 25 jaar Xanax gebruikt en daarmee ook heeft gewerkt. Het was niet nodig dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant opnieuw zag voordat hij tot een standpunt kwam. Een nieuw psychisch onderzoek was immers juist verricht door de deskundige.

4.3.

Gelet op het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de rechtbank terecht niet ook een onafhankelijk verzekeringsarts als deskundige benoemd. Daartoe wordt ook in hoger beroep geen aanknopingspunt gezien. Het gegeven dat de deskundige heeft gesteld dat zij geen op- en aanmerkingen had op het rapport van

7 december 2016 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is consistent met haar eerdere kanttekening dat het vaststellen van beperkingen in de zin van een FML niet tot haar expertise behoort. Hierin wordt dan ook geen aanknopingspunt gezien voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder wordt in aanmerking genomen dat Swerts in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten heeft aangedragen, maar hoofdzakelijk heeft volhard in zijn eerder ingenomen standpunten.

4.4.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2018.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) R.H. Budde

sg