Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:262

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2015
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
14/5468
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aan verzoekster is bij het besluit van 31 oktober 2014 een indicatie voor huishoudelijke hulp voor 8,5 uur per week in de vorm van een Pgb, verstrekt, dit ter voortzetting van de indicatie die zij daarvoor (jarenlang) kreeg. Deze indicatie is niet in geschil tussen partijen waar het de omvang van 8,5 uur per week betreft, maar wel voor wat betreft de duur van de indicatie (alleen voor december 2014).

Bij besluit van 7 januari 2015 heeft verweerder vastgesteld dat verzoekster met ingang van 1 januari 2015 niet in aanmerking komt voor een Pgb voor huishoudelijke hulp omdat de huishoudelijke hulp vanaf 1 januari 2015 een algemene voorziening is, waarvan niet is gebleken dat deze niet passend is voor verzoekster.

Tegen beide besluiten is bezwaar gemaakt. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is alleen connex aan het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2014.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoet een beperkte duur van de indicatie van één maand niet aan de in de Wmo 2007 geregelde compensatieplicht. Verzoekster heeft, en dat is ook niet tussen partijen in geschil, niet slechts gedurende één maand behoefte aan huishoudelijke hulp. Door de beperking in de duur kan de indicatie dan ook niet worden gezien als een compensatie voor de beperkingen van verzoekster. De verwijzing door verweerder naar de Wmo 2015 en de gevolgen die dat heeft voor de toekenning van maatschappelijke ondersteuning, is geen in de Wmo 2007 gegeven grond ter bepaling van de duur van de indicatie. Voor zover verweerder met het oog op de Wmo 2015 indicaties wil gaan aanpassen, zal dit dienen te geschieden met inachtneming van het overgangsrecht zoals dat in de Wmo 2015 is neergelegd. Dat kan echter niet, zoals verweerder kennelijk heeft beoogd, reeds een rol spelen bij de inhoudelijke beoordeling van indicaties op grond van de Wmo 2007 terwijl de Wmo 2015 op dat moment nog niet in werking is getreden.

Ter beantwoording van de vraag of er aanleiding is de gevraagde voorziening toe te wijzen is van belang of het besluit van 7 januari 2015 een voor verzoekster adequate voorziening is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval. Los van de vraag of de door verzoekster gevraagde huishoudelijke hulp in de vorm van een algemene voorziening kan worden gegoten, de voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 23 december 2014 (ECLI:NL:RBNNE:2013:8103), is van belang dat, zo blijkt uit het procesdossier, deze algemene voorziening voor verzoekster bestaat uit huishoudelijk hulp voor 2,5 uur per week, te leveren door Oosterlengte. Daarnaast is uit het verhandelde ter zitting gebleken dat niet gewaarborgd kan worden dat dit steeds dezelfde huishoudelijke hulp is, terwijl verzoekster heeft betoogd dat gelet op haar persoonlijke omstandigheden het hebben van een vaste hulp juist van groot belang is.

Toewijzing van het verzoek en treffen van voorlopige voorziening dat verweerder aan verzoekster ook na 31 december 2014 een Pgb verstrekt voor 8,5 uur huishoudelijke hulp per week, dit in ieder geval tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/44

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/5468

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2015 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. D. van der Wal),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Pekela, verweerder

(gemachtigde: E. Keuning).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in aanmerking gebracht voor een voortzetting van de indicatie huishoudelijke hulp in de vorm van een Persoonsgebonden budget (Pgb) met ingang van 1 december 2014 tot en met 31 december 2014.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

Bij het primaire besluit is een indicatie huishoudelijke hulp in de vorm van een Pgb afgegeven voor de periode van één maand (1 december 2014 tot en met 31 december 2014). Blijkens het primaire besluit is gekozen voor deze beperkte geldigheidsduur in verband met de te verwachten wijzigingen in de wet- en regelgeving op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning.

2.2.

Bij besluit van 7 januari 2015 heeft verweerder vastgesteld dat verzoekster met ingang van 1 januari 2015 niet in aanmerking komt voor een Pgb voor huishoudelijke hulp omdat de huishoudelijke hulp vanaf 1 januari 2015 een algemene voorziening is, waarvan niet is gebleken dat deze niet passend is voor verzoekster.

2.3.

Verzoekster heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is connex aan het bezwaar tegen het primaire besluit van 31 oktober 2014. Verzoekster verzoekt de rechtbank om bij voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder aan verzoekster ook na 31 december 2014 een Pgb verstrekt voor 8,5 uur huishoudelijke hulp per week, dit in ieder geval tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.

3.1.

Verzoekster voert aan dat zij al jaren voor 8,5 uur per week huishoudelijke hulp van de gemeente heeft gehad in de vorm van een Pgb, uitgevoerd door een vaste hulp,[hulp]. Verzoekster heeft lichamelijke beperkingen en maakt gebruik van een elektrische rolstoel. Haar man is bekend met een psychische stoornis en met name hierom is het van essentieel belang dat er een vaste hulp is. Verzoekster is bij brief van 27 oktober 2014 geïnformeerd over de komende veranderingen van de Wmo in 2015 en welke gevolgen dit heeft voor mensen die huishoudelijke hulp in de vorm van een persoonsgebonden budget ontvangen vanuit de (oude) Wmo. Als reactie hierop heeft verzoekster op 5 november 2014 een brief geschreven aan de burgemeester van de gemeente. Daarop heeft een huisbezoek plaatsgevonden op 18 november 2014, waarvan een rapport is opgemaakt, gedateerd 25 november 2014. Besproken is onder meer de mogelijkheid dat de vaste hulp in dienst zou treden bij Oosterlengte. Dit is niet mogelijk gebleken.
Verzoekster verwijst naar artikel 8.9. van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat een onmiddellijk voor het tijdstip van het in werking treden van de Wmo 2015 onder de Wmo 2007 genomen besluit betreffende een voorziening in natura, dan wel een persoonsgebonden budget van toepassing blijft. Verzoekster verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van deze rechtbank van 9 december 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6176.
Verzoekster voert voorts aan dat de gemeente ten aanzien van de Wmo 2015 een beleid heeft ontwikkeld waardoor een Pgb in de praktijk nooit meer zal worden verstrekt en dat dit in strijd is met artikel 2.3.6 van de Wmo 2015.

3.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 8.9 van de Wmo 2015 niet op de situatie van verzoekster van toepassing is omdat de rechten en verplichtingen van verzoekster voortvloeiende uit het primaire besluit van 31 oktober 2014 reeds zijn geëindigd op het moment dat de Wmo 2007 wordt ingetrokken, te weten 1 januari 2015. Er is in het geval van verzoekster geen sprake van beëindiging van de hulp, maar van een aflopende indicatie tot de datum van inwerkingtreding van de Wmo 2015 en de gemeentelijke verordening per 1 januari 2015, zodat de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank waarnaar verzoekster verwijst, niet op de haar situatie van toepassing is. Verder heeft verweerder uiteengezet dat na een melding van een belanghebbende wordt bezien hoe de individuele problematiek het best kan worden opgelost. Dit kan betekenen dat in een situatie waarin een belanghebbende voor een aantal uren huishoudelijke hulp ontving, het college van oordeel is dat een andere voorziening of een combinatie van huishoudelijke hulp met een andere voorziening aangewezen is. Huishoudelijke hulp is vanaf 1 januari 2015 een algemene voorziening geworden, waarvoor geen Pgb mogelijk is.

4.1.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het primaire besluit van 31 oktober 2014, het besluit waaraan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening connex is, is genomen op grond van de Wmo 2007.

4.2.

In de Wmo 2007 staat de compensatieplicht centraal. Gelet op het bepaalde in artikel 4 van de Wmo 2007 zijn gemeenten verplicht om mensen met een beperking of psychische problematiek te compenseren voor de beperkingen die zij ondervinden bij hun zelfredzaamheid en participatie en om hen daarmee in staat te stellen, onder andere, een huishouden te voeren.

4.3.

Aan verzoekster is bij het primaire besluit van 31 oktober 2014 een indicatie voor huishoudelijke hulp voor 8,5 uur per week in de vorm van een Pgb, verstrekt, dit ter voortzetting van de indicatie die zij daarvoor (jarenlang) kreeg. Deze indicatie is niet in geschil tussen partijen waar het de omvang van 8,5 uur per week betreft, maar wel voor wat betreft de duur van de indicatie (één maand).

4.4.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoet een beperkte duur van de indicatie van één maand niet aan de in de Wmo 2007 geregelde compensatieplicht. Verzoekster heeft, en dat is ook niet tussen partijen in geschil, niet slechts gedurende één maand behoefte aan huishoudelijke hulp. Door de beperking in de duur kan de indicatie dan ook niet worden gezien als een compensatie voor de beperkingen van verzoekster. De verwijzing door verweerder naar de Wmo 2015 en de gevolgen die dat heeft voor de toekenning van maatschappelijke ondersteuning, is geen in de Wmo 2007 gegeven grond ter bepaling van de duur van de indicatie. Voor zover verweerder met het oog op de Wmo 2015 indicaties wil gaan aanpassen, zal dit dienen te geschieden met inachtneming van het overgangsrecht zoals dat in de Wmo 2015 is neergelegd. Dat kan echter niet, zoals verweerder kennelijk heeft beoogd, reeds een rol spelen bij de inhoudelijke beoordeling van indicaties op grond van de Wmo 2007 terwijl de Wmo 2015 op dat moment nog niet in werking is getreden.

4.5.

Het voorgaande betekent dat het bezwaar tegen het primaire besluit van 31 oktober 2014 een redelijke kans van slagen heeft.

4.6.

Ter beantwoording van de vraag of er aanleiding is de gevraagde voorziening toe te wijzen is van belang of het besluit van 7 januari 2015 een voor verzoekster adequate voorziening is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval. Los van de vraag of de door verzoekster gevraagde huishoudelijke hulp in de vorm van een algemene voorziening kan worden gegoten, de voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 23 december 2014 (ECLI:NL:RBNNE:2013:8103), is van belang dat, zo blijkt uit het procesdossier, deze algemene voorziening voor verzoekster bestaat uit huishoudelijk hulp voor 2,5 uur per week, te leveren door Oosterlengte. Daarnaast is uit het verhandelde ter zitting gebleken dat niet gewaarborgd kan worden dat dit steeds dezelfde huishoudelijke hulp is, terwijl verzoekster heeft betoogd dat gelet op haar persoonlijke omstandigheden het hebben van een vaste hulp juist van groot belang is.

5. Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek zal toewijzen en de voorlopige voorziening treft dat verweerder aan verzoekster ook na 31 december 2014 een Pgb verstrekt voor 8,5 uur huishoudelijke hulp per week, dit in ieder geval tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.

6. Verweerder dient aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter :

- treft de voorlopige voorziening dat verweerder aan verzoekster ook na 31 december 2014 een Pgb verstrekt voor 8,5 uur huishoudelijke hulp per week, tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzieningenrechter , in aanwezigheid van mr. M.H. Bolhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.