Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
201503107/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:1441, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om over te gaan tot invordering van een dwangsom bij [de maatschap] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2016/93
M en R 2016/48 met annotatie van B. Arentz
Milieurecht Totaal 2016/6504
JOM 2016/189
OGR-Updates.nl 2016-0047
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503107/1/A1.

Datum uitspraak: 24 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Streefkerk, gemeente Molenwaard,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2015 in zaak nr. 14/4933 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Molenwaard.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om over te gaan tot invordering van een dwangsom bij [de maatschap] afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 5 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door G.H.C.M. Renne en drs. M.A. ten Bloemendal, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, en C. Benschop, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [gemachtigde], namens [de maatschap], gehoord.

Overwegingen

1. [de maatschap] exploiteert een melkrundveehouderij op het perceel aan de [locatie] te Streefkerk. [appellant] is eigenaar van de woning op het perceel naast het perceel van [de maatschap].

2. Bij besluit van 18 februari 2011 heeft het college [de maatschap], onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 50.000,00, gelast om - verkort weergegeven - een overtreding geheel te beëindigen door ervoor zorg te dragen dat de bestaande inrit tussen de woningen [locaties] te Streefkerk vanaf 1 mei 2011 niet meer wordt gebruikt door landbouw- en vrachtverkeer dat gaat naar en komt van de melkrundveehouderij van [de maatschap]. Bij uitspraak van 20 maart 2013 in zaak nr. 201108450/1/A4 heeft de Afdeling laatstelijk de aan het besluit van 18 februari 2011 verbonden begunstigingstermijn verlengd tot en met zes weken na verzending van de uitspraak.

[appellant] heeft het college verzocht om tot invordering over te gaan. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 25 oktober 2013 heeft het college dat verzoek afgewezen omdat er geen dwangsommen zijn verbeurd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de aan [de maatschap] opgelegde last niet is overtreden. Daartoe voert [appellant] aan dat hij bij brief van 9 augustus 2013 heeft verzocht om over te gaan tot invordering van de dwangsom. Bij die brief heeft [appellant] een foto gevoegd, waaruit volgens hem blijkt dat met een vrachtwagen ten onrechte de inrit tussen de woningen is gebruikt, terwijl de last inhoudt dat de inrit niet voor landbouw- en vrachtverkeer mag worden gebruikt. Dat de foto niet door een ter zake deskundige medewerker van het college is gemaakt, niet tijdens een controle is genomen en er geen verslag beschikbaar is, maakt volgens [appellant] niet dat de foto niet als bewijs kan dienen dat de last is overtreden. In dit verband stelt hij dat de aard van de last met zich brengt dat het vrijwel onmogelijk is dat de overtreding wordt geconstateerd door een ter zake deskundige medewerker van het college en dat er om die reden naar ander bewijsmateriaal moet worden gekeken. Voorts voert hij aan dat uit een bij besluit van 26 november 2013 aan [de maatschap] verleende gedoogbeschikking volgt dat de inrit nog werd gebruikt voor landbouw- en vrachtverkeer. Aan de gedoogbeschikking is het voorschrift verbonden dat [de maatschap] per direct de bestaande stoep op het eigen terrein afsluit en afgesloten houdt voor al het gemotoriseerde verkeer door het plaatsen van één of meerdere betonblokken bij de reeds aanwezige blokken. Het verbinden van een dergelijk voorschrift aan de gedoogbeschikking zou niet noodzakelijk zijn geweest als aan de last was voldaan, aldus [appellant].

3.1. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zoals de uitspraak van 13 november 2013 in zaak nr. 201204385/1/A4), overwogen dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag dient te liggen en heeft tevens terecht overwogen onder welke omstandigheden daarvan sprake is. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2014 in zaak nr. 201401146/1/A4 volgt dat het niet volledig voldoen aan alle in de uitspraak van 13 november 2013 genoemde vereisten, niet in alle gevallen betekent dat een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden ontbreekt. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2015 in zaak nr. 201410001/1/A1 is overwogen, laat deze nuancering onverlet dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag.

In hetgeen [appellant] ter zitting van de Afdeling heeft aangevoerd over de waarde van door hem persoonlijk gemaakte foto’s, ziet de Afdeling geen aanleiding om anders te oordelen dan in voornoemde uitspraak van 25 november 2015 in zaak nr. 201410001/1/A1. De stelling van [appellant] dat het lastig is dat een ter zake deskundige medewerker van het college de overtreding zou moeten constateren omdat hier geen sprake is van een voortdurende overtreding, en het daarom aangewezen is dat [appellant] zelf een overtreding van de last kan vastleggen, doet er niet aan af dat een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag de waarneming van de overtreding moet doen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de bij het verzoek van [appellant] van 9 augustus 2013 overgelegde foto niet ten grondslag kan liggen aan een vaststelling of de aan [de maatschap] opgelegde last is overtreden. Voor zover [appellant] in dit verband nog betoogt dat de last niet handhaafbaar is, wordt overwogen dat de last in deze procedure niet meer ter discussie staat.

Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat uit het besluit van het college van 26 november 2013, dat strekt tot het gedogen van de door [de maatschap] aangelegde in- en uitrit aan de Randweg te Streefkerk, niet volgt dat [de maatschap] niet aan de last heeft voldaan. Het aan dat besluit verbonden voorschrift dat de bestaande stoep op het terrein moet worden afgesloten en afgesloten gehouden voor al het gemotoriseerde (landbouw- en vracht-) verkeer door het (bij-)plaatsen van een of meerdere betonblokken bij de reeds aanwezige blokken, waardoor de ruimte tussen de blokken maximaal 1,2 m bedraagt, is geen vaststelling dat de inrit is gebruikt door landbouw- en vrachtverkeer van of naar [de maatschap]. De rechtbank heeft aan dat besluit terecht niet de betekenis gehecht die [appellant] daaraan gehecht wil zien, nu daaruit niet volgt dat de aan [de maatschap] opgelegde last is overtreden.

3.2. Tijdens op 27 mei 2013, 18 en 26 juli 2013, 8 en 14 augustus 2013 en 18 september 2013 uitgevoerde controlebezoeken heeft het college niet geconstateerd dat de inrit tussen de woningen [locaties] werd gebruikt door landbouw-of vrachtverkeer dat gaat naar of komt van de melkrundveehouderij van [de maatschap]. Het college is in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 25 oktober 2013 dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de aan [de maatschap] opgelegde last niet is overtreden. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Wijgerde

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016

672.