Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ9769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
201206853/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2012:BW8225, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2010 heeft de minister een verzoek van [verzoekster] om nadeelcompensatie krachtens de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 (hierna: de Regeling) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/187 met annotatie van W.J. van Doorn-Hoekveld
BR 2013/97 met annotatie van D.R. Boer
O&A 2013/92
JOM 2013/536
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206853/1/A2.

Datum uitspraak: 8 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

De minister van Infrastructuur en Milieu,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 mei 2012 in zaak nr. 11/130 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2010 heeft de minister een verzoek van [verzoekster] om nadeelcompensatie krachtens de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 (hierna: de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft de minister het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2012 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 oktober 2010 vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft een verweerschrift ingediend.

De minister en [verzoekster] hebben ieder nadere stukken overgelegd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2013, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.G.C.H. Thuijls en drs. M van der Zijp, beiden werkzaam bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu, bijgestaan door mr. ing. A.C.M.M. van Heesbeen en mr. I.J.B. Bottram, beiden werkzaam bij bureau Gloudemans, en [verzoekster], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. W. Leistra, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft de minister, na onderling overleg tussen partijen, erkend dat [verzoekster] ten gevolge van het op 23 mei 2006 vastgestelde en op 7 juni 2006 in werking getreden Tracébesluit Zandmaas/Maasroute aanvulling I (hierna: het Tracébesluit) schade lijdt ten bedrage van € 52.500,00, die op grond van de Regeling voor vergoeding in aanmerking kan komen. De minister heeft ter zitting alleen de beroepsgrond tegen het oordeel van de rechtbank over het normaal maatschappelijk risico gehandhaafd en alle overige beroepsgronden ingetrokken.

2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling kent de minister degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

In het Tracébesluit is bepaald dat schade die rechtstreeks hieruit voortvloeit voor vergoeding in aanmerking komt op grond van de Regeling.

3. [verzoekster] exploiteert de veerverbinding Cuijk-Middelaar in het stuwvak Grave van de rivier de Maas met veerstoepen in Cuijk en Mook. Hij heeft verzocht om vergoeding van schade ten gevolge van het Tracébesluit, omdat daarin is bepaald dat in het stuwvak Grave een peilopzet van 30 cm wordt gerealiseerd, waardoor het normale stuwpeil bij de stuw Grave wordt verhoogd van 7,60 naar 7,90 m boven NAP. Het op- en afrijden van de veerpont wordt daardoor bemoeilijkt, waardoor het risico op schade aan auto’s toeneemt en gebruik van het veer door automobilisten kan afnemen. Volgens [verzoekster] moeten de in 1989 aangelegde veerstoepen ten gevolge van de peilopzet van 30 cm worden aangepast. Daarvan bedragen de kosten volgens een bij de aanvraag gevoegde offerte € 52.500,00, exclusief BTW.

4. De minister betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat hij een korting van 40% wegens normaal ondernemersrisico op de schade die [verzoekster] ten gevolge van het Tracébesluit lijdt niet toereikend heeft gemotiveerd, mede omdat hij in een vergelijkbare zaak in Vierlingsbeek nadeelcompensatie zonder aftrek wegens normaal ondernemersrisico heeft toegekend, heeft miskend dat de zaak Vierlingsbeek niet vergelijkbaar is met de situatie bij het veer van [verzoekster] en dat ook in de zaak Vierlingsbeek op de bepaalde schade een korting van 40% wegens normaal ondernemersrisico is toegepast. Hij voert verder aan dat de uitdieping van de Maas en ten gevolge daarvan de verhoging van de peilopzet tot het normale ondernemersrisico van een veerbedrijf als van [verzoekster] behoort. Dat [verzoekster] heeft gekozen voor de exploitatie van een veerdienst over de rivier de Maas, die eigendom is van de Staat en waarvan het kwantiteitsbeheer onder verantwoordelijkheid van de minister plaatsvindt, rechtvaardigt een hoger ondernemersrisico, aldus de minister.

4.1. In dit geval is sprake van een verzoek om nadeelcompensatie, waarbij alleen aanspraak bestaat op vergoeding van onevenredige, dat wil zeggen buiten het normaal ondernemersrisico vallende schade. Hoe groot het normaal ondernemersrisico is, moet worden bepaald met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang kunnen hierbij onder meer zijn de aard van de overheidshandeling en de aard en de omvang van de toegebrachte schade. Naarmate een bestuursorgaan een hoger percentage als normaal ondernemersrisico op de tegemoetkoming in mindering brengt, geldt dat er zwaardere eisen aan de motivering worden gesteld.

4.2. De minister heeft terecht aangevoerd dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in de zaak Vierlingsbeek op de bepaalde schade een korting van 40% wegens normaal maatschappelijk risico heeft toegepast. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, reeds omdat de besluitvorming in de zaak Vierlingsbeek voor deze zaak niet van belang is, nu volgens de minister de zaak Vierlingsbeek niet vergelijkbaar is met de thans voorliggende zaak.

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat van eventuele schade die [verzoekster] ten gevolge van de peilopzet lijdt 40% binnen zijn normaal maatschappelijk risico valt. Aan dat percentage heeft de minister ten grondslag gelegd dat de wijziging van het waterpeil een rivier betreft, zodat op het peil mede natuurlijke omstandigheden van invloed zijn en dat, nu voor de Maas geen wettelijk vastgesteld peil geldt, door het Tracébesluit alleen door de minister gewekte verwachtingen over het te voeren peilbeleid worden doorkruist.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister aldus zijn standpunt dat 40% van de door [verzoekster] geleden schade onder zijn normaal ondernemersrisico valt, niet toereikend heeft gemotiveerd. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat [verzoekster] bij de aanleg van de veerstoepen rekening heeft gehouden met het toentertijd bestaande normale peil van 7,60 m boven NAP en met de natuurlijke omstandigheden die een aantal dagen per jaar tot een hoger waterpeil leiden. Dat natuurlijke omstandigheden mede van invloed zijn op het waterpeil van de Maas kan reeds daarom niet bijdragen aan een toereikende motivering voor het gehanteerde kortingspercentage van 40%. Dat [verzoekster] ervoor heeft gekozen zijn bedrijf uit te oefenen op een rivier waarvoor geen wettelijk vastgesteld peil geldt en waarvan het waterkwantiteitsbeheer onder verantwoordelijkheid van de minister plaatsvindt, zijn op zichzelf omstandigheden die aanleiding vormen voor een korting op de door [verzoekster] geleden schade wegens normaal ondernemersrisico, maar daarmee is de korting van 40% niet toereikend gemotiveerd.

Het betoog faalt.

5. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het besluit van de minister van 29 oktober 2010 terecht heeft vernietigd. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, zelf in de zaak te voorzien. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Bij het normaal maatschappelijk risico en het normaal ondernemersrisico gaat het om algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee men rekening kan houden, ook al bestaat geen zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze zich zullen concretiseren en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zullen voortvloeien. [verzoekster] heeft ervoor gekozen op de rivier de Maas een veerdienst te exploiteren. Nu dat met zich brengt dat het peil van de Maas van invloed kan zijn op zijn bedrijfsvoering, kon en moest hij rekening houden met de mogelijkheid dat het normale peil ter plaatse zou kunnen wijzigen. De realisering van de peilopzet vindt verder geruime tijd na de aanleg van de veerstoepen in 1989 geleidelijk plaats, nu een eerste peilopzet van 10 cm in 2001 en een tweede peilopzet van 5 cm in 2011 zijn gerealiseerd en een verdere verhoging van 15 cm nog moet worden gerealiseerd. Gezien het voorgaande acht de Afdeling een korting van 30% wegens normaal maatschappelijk ondernemersrisico in dit geval niet onredelijk.

De Afdeling zal de aangevallen uitspraak bevestigen, de minister veroordelen aan [verzoekster] een schadevergoeding te betalen van 70% van € 52.500, zijnde € 36.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2008, de dag waarop het verzoek van [verzoekster] om nadeelcompensatie bij de minister is ingekomen, tot aan de dag van betaling, en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 29 oktober 2010. De minister hoeft derhalve geen nieuw besluit op het door [verzoekster] gemaakte bezwaar te nemen.

6. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. herroept het besluit van 25 januari 2010;

III. bepaalt dat de minister van Infrastructuur en Milieu aan [verzoekster] een vergoeding van € 36.750,00 (zegge: zesendertig duizend zevenhonderdvijftig euro) betaalt, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 december 2008 tot aan de dag van algehele voldoening;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 29 oktober 2010;

V. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 993,68 (zegge: negenhonderddrieënnegentig euro en achtenzestig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. bepaalt dat van de minister van Infrastructuur en Milieu een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2013

507.