Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2087

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201302231/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 januari 2012 heeft het college de wegenlegger van de gemeente Bernheze vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302231/1/A3.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2013 in zaak nr. 12/468 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2012 heeft het college de wegenlegger van de gemeente Bernheze vastgesteld.

Bij tussenuitspraak van 22 augustus 2012 heeft de rechtbank naar aanleiding van het door [appellant] ingestelde beroep het college in de gelegenheid gesteld het in die uitspraak vermelde gebrek te herstellen.

Deze uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 februari 2013, zoals gerectificeerd op 18 februari 2013, heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de vaststelling van de wegenlegger wat de Ruitersweg betreft, niet-ontvankelijk en het beroep, voor zover gericht tegen de vaststelling van de wegenlegger wat de Vinkenstraat betreft, gegrond verklaard.

De rechtbank heeft het besluit van 9 januari 2012 in zoverre vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand worden gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2013, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wegenwet houdt de legger in:

I. het nummer van de weg;

II. de naam, waaronder de weg bekend staat;

III. de eindpunten en de richting van de weg;

IV. de beperkingen in het gebruik van de weg, als bedoeld in artikel 6, alsmede de afschuttingen, welke zich op de weg bevinden;

V. de verharding met vermelding van de aard, breedte en lengte;

VI. de zich in de weg bevindende bruggen en duikers, met vermelding van de aard, hoofdafmetingen en samenstelling;

VII. de onderhoudsplichtigen van de weg en van de zich daarin bevindende bruggen en duikers;

VIII. de omvang van de onderhoudsplicht;

IX. degenen, die tot het onderhoud hebben bij te dragen, met vermelding van de omvang van de bijdrage;

X. het gezag, dat volgens de artikelen 16 en 17 heeft te zorgen, dat de weg in goede staat verkeert.

Ingevolge het derde lid behoort tot de legger een overzichtskaart op geen kleinere schaal dan 1 op 25.000, waarop de wegen met hun nummers zijn aangewezen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Wegenleggerbesluit behoort tot de legger een overzichtskaart op geen kleinere schaal dan van 1 op 25.000, waarop de wegen met hun nummers zijn aangewezen. Voor zover de bruggen in de legger onder een afzonderlijk nummer zijn genoemd, worden ook die bruggen met nummers op de kaart aangegeven.

Voor de overzichtskaart wordt een van Rijkswege uitgegeven topografische kaart gebruikt, voor zover deze op de voorgeschreven schaal bestaat.

Ruitersweg

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat hij niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen, nu hij niet woonachtig is in de directe nabijheid van de Ruitersweg en vanuit zijn woning ook geen zicht heeft op deze weg. Hiermee heeft de rechtbank miskend dat hij vanuit zijn woning zicht heeft op een gedeelte van de weg, hij groot belang hecht aan het cultuurhistorisch erfgoed waarvan de Ruitersweg deel uitmaakt en als ruiter en koetsier gebruik maakt van deze weg, aldus [appellant].

2.1. Ingevolge artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. [appellant] woont aan de Vinkenstraat. Hoewel [appellant] ter zitting bij de Afdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanuit zijn woning zicht heeft op de Ruitersweg, noopt dat niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak op dit onderdeel, nu zoals [appellant] ter zitting heeft bevestigd de afstand tussen zijn woning en de Ruitersweg meer dan 100 meter bedraagt. Gelet op deze afstand heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat deze weg niet in de directe nabijheid van de woning van [appellant] ligt. Vergelijk de uitspraak van 7 december 2005 in zaak nr. 200502923/1. Ook de omstandigheid dat [appellant] sterk betrokken is bij het cultuurhistorisch erfgoed en gebruik maakt van de Ruitersweg, is ontoereikend voor het oordeel dat hij zich in voldoende mate onderscheidt van anderen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat [appellant] niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen bij de vaststelling van de wegenlegger voor zover het de Ruitersweg betreft, en met juistheid het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog faalt.

Vinkenstraat

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn klachten over het gebrek aan onderhoud van de Vinkenstraat in het kader van de vaststelling van de wegenlegger niet aan de orde kunnen komen. De gemeente dient zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van de weg, doch heeft dat, ondanks herhaalde verzoeken van hem daartoe, tot op heden niet gedaan, aldus [appellant].

3.1. Uit artikel 30, eerste lid, van de Wegenwet volgt dat in de wegenlegger onder meer dient te worden vermeld wie de onderhoudsplichtige is van een weg en wat de omvang van die onderhoudsplicht is. Niet in geschil is dat wat de Vinkenstraat betreft in de wegenlegger is vermeld dat de gemeente Bernheze volledig onderhoudsplichtig is. Nu de onderhavige procedure betrekking heeft op een geschil van [appellant] met het college, heeft de rechtbank reeds daarom terecht overwogen dat zijn klachten over de uitvoering van onderhoud niet in deze procedure aan de orde kunnen komen en [appellant] zich hiervoor tot de gemeente Bernheze dient te wenden. Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het gebrek in het besluit van 9 januari 2012 afdoende heeft hersteld en derhalve aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de alsnog door het college overgelegde kaart een schaal heeft van 1 op 5.000 en derhalve niet voldoet aan de eisen die de Wegenwet en het Wegenleggerbesluit daaraan stellen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen kan dit derhalve niet de bij de wegenlegger behorende kaart zijn. Reeds gelet daarop is de rechtbank op onjuiste gronden tot haar oordeel gekomen dat geen reden bestaat om te twijfelen aan het standpunt van het college, dat zich in de Vinkenstraat geen duikers bevinden. In de Vinkenstraat bevinden zich verscheidene duikers die ten onrechte niet in de wegenlegger en op de daarbij behorende kaart zijn vermeld, aldus [appellant].

4.1. Dit betoog slaagt, reeds nu het college in zijn verweerschrift alsnog heeft erkend dat twee duikers zijn gelegen aan de Vinkenstraat en de wegenlegger en de daarbij behorende kaart op dit punt dienen te worden gewijzigd.

5. Hetgeen [appellant] tot slot betoogt over onjuistheden in de wegenlegger ter zake van andere wegen, heeft hij voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Daargelaten de vraag of [appellant] ter zake van het besluit tot vaststelling van de wegenlegger wat deze wegen betreft rechtstreeks in zijn belangen is geraakt, dient dit betoog reeds buiten beschouwing te blijven, nu artikel 6:13 van de Awb eraan in de weg staat dat in rechte alsnog onderdelen van een besluit aan de orde worden gesteld waarover geen zienswijze naar voren is gebracht.

6. Het hoger beroep is, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 9 januari 2012 in stand blijven. Het college dient in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, voor het overige te worden bevestigd.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2013 in zaak nr. 12/468, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 9 januari 2012, kenmerk 2862331, in stand blijven;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, voor het overige;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,08 (zegge: tweeënveertig euro en acht cent), geheel toe te rekenen aan reiskosten;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

434-798.