Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1911

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201204385/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BW3295, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 18 maart 2011 heeft het college besloten tot invordering van door [appellante] en anderen verbeurde dwangsommen wegens niet naleven van de bij besluiten van 7 december 2009 opgelegde lasten onder dwangsom.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/410
AB 2014/58 met annotatie van T.N. Sanders
JM 2014/6 met annotatie van Y. Flietstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204385/1/A4.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], en anderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 maart 2012 in zaak

nr. 11/4974 in het geding tussen:

[appellante] en anderen

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

Procesverloop

Bij besluiten van 18 maart 2011 heeft het college besloten tot invordering van door [appellante] en anderen verbeurde dwangsommen wegens niet naleven van de bij besluiten van 7 december 2009 opgelegde lasten onder dwangsom.

Bij besluit van 18 augustus 2011 heeft het college het door [appellante] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2013, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door ir. K.J.A. Berghauser Pont en mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.C.A. Hendriks, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De invordering is gebaseerd op de constatering van het college dat niet aan de op 7 december 2009 opgelegde lasten onder dwangsom is voldaan. De besluiten van 7 december 2009 zijn onherroepelijk, nu [appellante] en anderen daartegen geen rechtsmiddelen hebben ingesteld. De lasten luiden als volgt:

Het opslaan van autowrakken, die nog niet ontdaan zijn van vloeistoffen of vloeistof bevattende onderdelen, en het aftappen van vloeistoffen of het demonteren van vloeistof bevattende onderdelen mogen slechts uitgevoerd worden op een vloeistofdichte vloer ofwel op een aangebrachte voorziening die bestand is tegen inwerking van de desbetreffende vloeistoffen en tegen krachten die op de desbetreffende vloeren of voorziening worden uitgeoefend (hierna: last 1).

Er mogen geen autowrakken binnen de inrichting gestapeld worden, die nog niet zijn ontdaan van de in vergunningvoorschrift C.1 genoemde stoffen, preparaten of andere producten, zoals motorolie en remvloeistoffen (hierna: last 2).

2. Aan de besluiten tot invordering heeft het college de verslagen van toezichthouders van uitgevoerde controles op 30 juni 2010, 16 juli 2010 en 13 augustus 2010 ten grondslag gelegd. Volgens het college hebben [appellante] en anderen blijkens deze verslagen niet aan de lasten voldaan, waardoor dwangsommen zijn verbeurd.

3. [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet aan de opgelegde lasten hebben voldaan en dat het college daarom niet tot invordering van de verbeurde dwangsommen mocht overgaan. Volgens [appellante] en anderen heeft het college de overtredingen niet aangetoond. [appellante] en anderen voeren daartoe verschillende argumenten aan.

3.1. [appellante] en anderen betogen dat het verslag van de controle op 13 augustus 2010 niet aan de besluiten tot invordering ten grondslag kan worden gelegd, omdat dit verslag gedagtekend noch ondertekend is. Het verslag van de controle op 16 juli 2010 kan volgens hen evenmin een grondslag vormen voor de invorderingsbesluiten, omdat het eerst op 31 mei 2011 is opgemaakt.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2012 in zaak nr. 201102842/1/A4), dient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag en dat bevindingen op schrift worden gesteld. Het geschrift dient in beginsel ten minste te bevatten de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen. Dit geschrift dient voorts te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. In het geval dat het geschrift in een digitaal systeem is opgemaakt en ondertekening ontbreekt, dient het bevoegd gezag anderszins aan te tonen op welke datum de deskundige medewerker het geschrift heeft vastgesteld.

3.3. Het verslag van de controle op 13 augustus 2010 is gedagtekend noch ondertekend. Volgens het college is het verslag op 16 augustus 2010 aan het college als pdf-document ter beschikking gesteld. In dit verband heeft het college ter zitting toegelicht dat binnen de provincie is overgegaan op een digitaal systeem, waarin de verslagen niet meer worden ondertekend. Uit het door het college bij zijn verweerschrift gevoegde printscreen blijkt dat op 16 augustus 2010 een document is gemaakt en gewijzigd. Hieruit blijkt niet wanneer en door wie het geschrift is vastgesteld. Het verslag van de controle op 13 augustus 2010 voldoet derhalve niet aan de daaraan te stellen minimumeisen.

Aan het in het verslag van 13 augustus 2010 geconstateerde gebrek kan voorbij worden gegaan indien op grond van ander bewijsmateriaal, bijvoorbeeld foto’s, kan worden vastgesteld dat ten tijde van de controle niet aan de lasten was voldaan. Weliswaar zijn in dit geval foto’s bij het verslag gevoegd, maar deze foto’s tonen - los van de constateringen die in het verslag staan beschreven - niet aan dat niet aan de lasten is voldaan. Het college heeft het verslag en de daarbij gevoegde foto’s van de controle op 13 augustus 2010 daarom niet aan de invordering ten grondslag kunnen leggen en heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat op 13 augustus 2010 niet aan de lasten is voldaan. De rechtbank heeft dit miskend. Het betoog slaagt in zoverre.

3.4. De controle op 16 juli 2010 is verricht door een [toezichthouder], werkzaam bij de afdeling handhaving van de provincie. Deze toezichthouder heeft het verslag op 31 mei 2011 ondertekend. De ondertekening en dagtekening hebben dus plaatsgevonden na het nemen van de invorderingsbesluiten van 18 maart 2011. Niet is komen vast te staan dat het verslag door die toezichthouder op 16 juli 2010 is opgemaakt. De Afdeling neemt daarbij in overweging dat bij het verweerschrift in hoger beroep weliswaar een gedagtekende en ondertekende verklaring is gevoegd van de betreffende toezichthouder, maar dat deze verklaring ontbrak ten tijde van het nemen van het besluit van 18 augustus 2011. De toezichthouder heeft in deze verklaring toegelicht dat hij op 16 juli 2010 een controlebezoek aan de inrichting van [appellante] en anderen heeft gebracht, het verslag van deze controle op dezelfde dag in het digitale systeem heeft opgesteld, geprint en ter beschikking gesteld aan de behandelende ambtenaar van het college. Bij het verslag zijn ook foto’s gevoegd, maar deze foto’s tonen - los van de constateringen die in het verslag staan beschreven - niet aan dat niet aan de lasten is voldaan.

Gelet op het voorgaande, heeft het college het verslag en de daarbij gevoegde foto’s van de controle op 16 juli 2010 niet aan de invordering ten grondslag kunnen leggen en heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat op 16 juli 2010 niet aan de lasten is voldaan. De rechtbank heeft dit miskend. Het betoog slaagt ook in zoverre.

4. Ter beoordeling staat hierna slechts of het college het verslag van de controle op 30 juni 2010 (hierna: het verslag) aan zijn desbetreffende besluiten tot invordering ten grondslag heeft kunnen leggen.

5. [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat op grond van het verslag en de daarbij gevoegde foto’s niet kan worden vastgesteld dat niet aan last 1 is voldaan, nu de tijdens de controle geconstateerde scheurvorming in een ander vloerdeel heeft plaatsgevonden dan in de vloer waarop de vloeistofbevattende autowrakken zijn opgeslagen.

5.1. In het verslag staat vermeld dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat autowrakken waren opgeslagen op een vloer waarin zich zichtbaar scheuren bevonden, zodat niet aan de last is voldaan. Er is geen reden om aan de juistheid van de conclusie van de toezichthouder te twijfelen. Daarom heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college het verslag in zoverre ten onrechte aan de invordering ten grondslag heeft gelegd.

5.2. De bij het verslag gevoegde foto’s tonen geen scheuren in de vloer. Nu in het verslag is aangegeven dat foto’s van gestapelde vloeistofbevattende autowrakken zijn gemaakt ter ondersteuning van de constatering van het niet naleven van last 2, kunnen deze foto’s de constatering dat last 1 is overtreden niet ondergraven. Het betoog faalt in zoverre.

5.3. Gelet op voorgaande overweging, wordt aan de argumenten van [appellante] en anderen die verband houden met het ontbreken van een verklaring overeenkomstig de zogenoemde CUR/PBV-aanbeveling 44, op grond waarvan aangetoond kan worden dat er een vloeistofdichte vloer is, niet toegekomen.

6. Volgens [appellante] en anderen heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat op grond van de bij het verslag gevoegde foto’s geconcludeerd kan worden dat niet aan last 2 is voldaan. In dit kader voeren zij ook aan dat het college niet heeft aangetoond dat de gestapelde auto’s op de foto’s autowrakken zijn, nu de toezichthouder de zogenoemde W-nummers niet heeft genoteerd. Dit nummer maakt het volgens [appellante] en anderen mogelijk te controleren dat het voertuig een autowrak is.

6.1. Volgens het verslag heeft de toezichthouder geconstateerd dat ter plaatse autowrakken waren gestapeld die nog niet waren ontdaan van de in voorschrift C.1 van de vergunning genoemde stoffen, preparaten of andere producten, zoals motorolie en remvloeistoffen en dat daarom niet aan last 2 is voldaan. [appellante] en anderen hebben niet betwist dat de toezichthouder ter zake deskundig is. De omstandigheid dat hij geen W-nummers heeft genoteerd, maakt niet dat niet van de constatering van de toezichthouder kon worden uitgegaan.

Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat de toezichthouder ter plaatse steekproefsgewijs heeft vastgesteld, met behulp van een peilstok, of zich vloeistoffen in de autowrakken bevinden. Hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet op deze wijze heeft kunnen vaststellen dat de ter plaatse aanwezige autowrakken vloeistoffen bevatten.

Bij het verslag zijn foto’s gevoegd ter ondersteuning van de constatering. Het college heeft het verslag ten grondslag gelegd aan de invordering, niet slechts de foto’s. De constateringen van de toezichthouder zoals neergelegd in het verslag, zijn doorslaggevend. Dat de foto’s niet duidelijk aantonen dat niet aan last 2 is voldaan, betekent niet dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met het verslag aannemelijk is gemaakt dat niet aan last 2 is voldaan. Het betoog faalt in zoverre.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2011, wat betreft de invordering van de op 16 juli 2010 en 13 augustus 2010 beweerdelijk verbeurde dwangsommen, ongegrond is verklaard. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

8. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2011 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor gedeeltelijke vernietiging in aanmerking.

9. De Afdeling ziet aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het gedeeltelijk vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand kunnen worden gelaten, nu het college bij zijn verweerschrift in hoger beroep de in overweging 3.4 genoemde verklaring heeft gevoegd. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring. Met deze verklaring is aannemelijk geworden dat een deskundige medewerker op 16 juli 2010 heeft gecontroleerd of aan de opgelegde lasten is voldaan zoals beschreven in het op 31 mei 2011 ondertekende verslag. [appellante] en anderen hebben voor het overige tegen het verslag van 16 juli 2010 hetzelfde betoog gevoerd als tegen het verslag van 30 juni 2010. Gelet op hetgeen is overwogen in overwegingen 5.1, 5.2, 5.3 en 6.1, faalt dit betoog eveneens. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 augustus 2011 gedeeltelijk in stand blijven.

10. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. De besluiten van 18 maart 2011 zullen gedeeltelijk worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 18 augustus 2011, voor zover dat besluit vernietigd is.

11. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 maart 2012 in zaak nr. 11/4974, voor zover het beroep van [appellante] en anderen tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 18 augustus 2011, kenmerk 2009-016357/MPM22555, wat betreft de invordering van de op 16 juli 2010 en 13 augustus 2010 beweerdelijk verbeurde dwangsommen, ongegrond is verklaard;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. verklaart het door [appellante] en anderen bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 18 augustus 2011, kenmerk 2009-016357/MPM22555, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen de invordering van de op 16 juli 2010 en 13 augustus 2010 beweerdelijk verbeurde dwangsommen;

VI. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 18 augustus 2011, kenmerk 2009-016357/MPM22555, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen de invordering van de op 16 juli 2010 beweerdelijk verbeurde dwangsommen, in stand blijven;

VII. herroept de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 18 maart 2011, kenmerken 2009-016357/MPM18392, voor zover tot invordering is besloten van de op 13 augustus 2010 beweerdelijk verbeurde dwangsommen;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 18 augustus 2011, kenmerk 2009-016357/MPM22555, voor zover dat is vernietigd;

IX. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van de bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 955,91 (zegge: negenhonderdvijfenvijftig euro en eenennegentig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

X. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van de bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.943,80 (zegge: negentienhonderddrieënveertig euro en tachtig cent), waarvan € 1.888,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

XI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellante] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 768,00 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

492-764.