Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1726

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201300432/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2012:1304, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit verzonden op 20 december 2011 heeft het college [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een tijdelijk bouwbord op het pand op het perceel Brink 93 te Deventer.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.23
Besluit omgevingsrecht
Woningwet
Woningwet 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/407

Uitspraak

201300432/1/A1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaatsen], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant])

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 november 2012 in zaak nr. 12/1571 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer.

Procesverloop

Bij besluit verzonden op 20 december 2011 heeft het college [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een tijdelijk bouwbord op het pand op het perceel Brink 93 te Deventer.

Bij besluit van 1 juni 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2013, waar [appellant A] en het college vertegenwoordigd door A.I. Duivenvoorde, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 2.23, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een bouwbord tot 1 december 2012.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.23, eerste lid, kan in een omgevingsvergunning worden bepaald dat zij geheel of gedeeltelijk geldt voor een daarin aangegeven termijn.

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, onder a, van het Besluit omgevingsrecht wordt in een omgevingsvergunning voor het bouwen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet, van een bouwwerk, bestemd om in een tijdelijke behoefte te voorzien, bepaald dat zij slechts geldt voor een daarin aangegeven termijn.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college een tijdelijke omgevingsvergunning voor het plaatsen van het bouwbord heeft kunnen verlenen, omdat volgens hem niet aannemelijk was dat na het verstrijken van de in de vergunning gestelde termijn geen behoefte meer bestaat aan de tijdelijke voorziening.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 november 2006 in zaak nr. 200600854/1), is voor de toepassing van artikel 45 van de Woningwet slechts vereist dat tijdelijk behoefte bestaat aan het bouwwerk waarvoor vergunning is gevraagd. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2003 in zaak nr. 200300043/1 dient aan de hand van concrete, objectieve gegevens aannemelijk te zijn dat na het verstrijken van de gestelde termijn geen behoefte meer bestaat aan het tijdelijke bouwwerk.

De tekst van de Wabo en het Bor noch de geschiedenis van totstandkoming daarvan, bieden grond om ten aanzien van een omgevingsvergunning die met toepassing van artikel 2.23 van de Wabo is verleend, anders te oordelen.

In het aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het college op grond van de hem ten tijde van het besluit van 1 juni 2012 beschikbare gegevens niet aannemelijk heeft kunnen achten dat de behoefte aan het bouwbord op het perceel tijdelijk was. Het college heeft terecht in aanmerking genomen dat het bord naar zijn aard slechts een functie heeft om tijdelijk aanwezig te zijn tijdens de verbouw van het pand tot appartementencomplex. Dat, naar ter zitting onweersproken door het college gesteld vanwege de huidige economische situatie, het bouwplan nog niet is gerealiseerd, betekent niet dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning grond had om aan te nemen dat niet slechts tijdelijke behoefte aan het bouwwerk bestond, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Hij voert daartoe aan dat de tekening behorende bij het besluit van 1 juni 2012 de bestaande noch vergunde situatie juist weergeeft, omdat op het pand Brink 93 te onrechte een opbouw is weergegeven. Daarnaast voert hij daartoe aan dat op het voorblad van de tekening behorende bij de omgevingsvergunning ten onrechte is vermeld dat op de tekening de bestaande voorgevels zijn verbeeld.

4.1. Dat op de tekening de bestaande noch vergunde situatie met betrekking tot het, hier niet aan de orde zijnde, bouwplan voor het realiseren van appartementen in het pand juist is verbeeld en op het voorblad van de tekening ten onrechte is vermeld dat de tekening de bestaande situatie weergeeft, wat daar van zij, leidt niet tot het oordeel dat het college het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijk bouwbord niet zorgvuldig heeft voorbereid. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, blijkt uit het besluit en de bijbehorende stukken dat de onderhavige omgevingsvergunning uitsluitend ziet op het plaatsen van een bouwbord, de tekening bedoeld is ter verduidelijking van de situering van het bouwbord en, anders dan [appellant] kennelijk meent of vreest, geen andere verbouwingen worden vergund. Het aangevoerde geeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de locatie waar het bouwbord wordt geplaatst, dan wel de afmetingen daarvan, onjuist zijn weergeven.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren, omdat zijn pand ten onrechte op het bouwbord staat afgebeeld en dit een inbreuk vormt op zijn eigendomsrecht.

5.1. Het college kan slechts en moet de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk weigeren, wanneer een van de in artikel 2.10, eerste lid, onder a tot en met e, van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich voordoet. De door [appellant] gestelde privaatrechtelijke belemmering is gelet op dit artikel, geen grond voor het weigeren van de vergunning.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college gehouden was de bij hem in verband met de behandeling van het gemaakte bezwaar opgekomen kosten te vergoeden.

6.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover thans van belang, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

6.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het besluit van 20 december 2011 niet is herroepen, zodat er geen grond bestaat voor het oordeel dat het college gehouden was de bij [appellant] in verband met de behandeling van het gemaakte bezwaar opgekomen kosten te vergoeden.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften advies had moeten vragen aan de plan-adviescommissie monumenten en beschermd stadsgezicht, alvorens het een beslissing zou nemen over het verlenen van de omgevingsvergunning.

7.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kernzone Binnenstad" rust op het perceel de bestemming "Stedelijke bebouwing".

Ingevolge artikel 1, onder af, van de planvoorschriften is de planadviescommissie Monumenten en Beschermd Stadsgezicht de door de raad ingestelde commissie ter beoordeling van bouw-, verbouw-, restauratie- of herinrichtingsplannen van monumenten, beeldbepalende panden en overige panden, objecten en openbare ruimten in, direct grenzend aan, of van belangrijke invloed zijnde op het gebied van het beschermd stadsgezicht.

Ingevolge artikel 4.1., eerste lid, zijn de gronden tevens bestemd voor behoud en herstel van de ruimtelijke karakteristiek, alsmede voor behoud van cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wordt in die gevallen waarin aan het college een beslissing wordt gevraagd voor het verlenen van een bouwvergunning voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het plangebied, door het college advies gevraagd aan de plan-adviescommissie monumenten en beschermd stadsgezicht alvorens een beslissing te nemen.

7.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwbord een tijdelijk, niet seizoensgebonden, bouwwerk is en dat, gelet op artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo, in dit geval een toetsing aan redelijke eisen van welstand achterwege blijft.

De rechtbank heeft echter in navolging van het college daaraan ten onrechte de conclusie verbonden dat het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor een tijdelijk bouwwerk als het onderhavige, buiten toepassing dient te blijven.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de plan-adviescommissie monumenten en beschermd stadsgezicht weliswaar in de praktijk voor de historische binnenstad tevens als welstandscommissie fungeert, maar dat formeel gesproken sprake is van twee gescheiden taken. Het in artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften bedoelde advies heeft, mede gelet op het in artikel 1, onder af bepaalde, geen betrekking op de welstandstoetsing maar op de toetsing van bouwplannen in het licht van de monumentale waarde van als zodanig aangewezen panden en de waarden van het beschermd stadsgezicht. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 4.1., eerste lid, de gronden in het plangebied tevens zijn bestemd voor behoud van cultuurhistorische waarde. Voorts is in artikel 3, eerste lid, (beschrijving in hoofdlijnen) neergelegd dat het gehele plangebied als beschermd stadsgezicht is aangewezen. Uitgangspunt van het ruimtelijk beleid in de binnenstad van Deventer is het behoud c.q. herstel van het historische ruimtelijke patroon, herstel van het historische bebouwingsbeeld en een daarop afgestemde ruimtelijke inrichting van de openbare ruimten, waarbij de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht als basis wordt gebruikt.

Het pand Brink 93 is geen monument maar ligt wel in een beschermd stadsgezicht. De voorschriften noch de toelichting van het bestemmingsplan bieden aanknopingspunten voor het oordeel dat bij tijdelijke bouwwerken een advies van de in artikel 9 bedoelde adviescommissie monumenten en beschermd stadsgezicht achterwege mag blijven. Daargelaten de vraag of en in hoeverre het bouwplan gevolgen heeft voor de cultuurhistorische waarde van het gebied, slaagt gelet op het voorgaande het betoog van [appellant], dat het college deze commissie ten onrechte niet om advies heeft gevraagd, alvorens het op de aanvraag heeft beslist.

8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afeling het beroep tegen het besluit van 1 juni 2012 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

De Afdeling ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de termijn waarvoor bij besluit van 20 december 2011 omgevingsvergunning is verleend op 1 december 2012 is verstreken. In zoverre bestaat geen aanleiding om het college opnieuw op het daartegen gemaakte bezwaar te laten beslissen en daarbij alsnog advies te vragen aan de adviescommissie monumenten en beschermd stadsgezicht. Omdat de termijn waarvoor het in het bouwplan voorziene bouwbord aan het pand mocht worden bevestigd inmiddels ruimschoots is verstreken, dient het vragen van dat advies geen redelijk doel meer.

9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de gemaakte proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 november 2012 in zaak nr. 12/1571;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 1 juni 2012;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deventer tot vergoeding van bij [appellant B] en [appellant A] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 73,16 (zegge: drieënzeventig euro en zestien cent);

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Deventer aan [appellant B] en [appellant A] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 388,00 (zegge: driehonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

357-771.