Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX9714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2012
Datum publicatie
10-10-2012
Zaaknummer
201110717/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110717/1/R4.

Datum uitspraak: 10 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Veendam,

en

de raad van de gemeente Veendam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2012, waar [appellant], bijgestaan door ing. H.J. Geling, is verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de actualisatie van een aantal bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen ten oosten van de kernen Veendam en Wildervank. Het plan is grotendeels conserverend van aard.

2. Het beroep richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - Industrie" en de aanduiding "bedrijfswoning" wat betreft het perceel [locatie] te Veendam. Het beroep richt zich tevens tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - Industrie" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" ter plaatse van de overige gronden die zijn gelegen tussen de Van Stolbergweg en de Schipperstraat.

3. [appellant] betoogt dat zijn woning in het plan ten onrechte is bestemd als bedrijfswoning. Hij stelt dat dit niet overeenkomt met het bestaande gebruik van de woning, omdat de woning al sinds 1990 door hem als burgerwoning wordt gebruikt. De woning en de daarachter gelegen garageboxen hebben volgens hem geen relatie met een bedrijf op het achterliggende bedrijventerrein. Volgens [appellant] had zijn woning daarom in het plan als burgerwoning moeten worden bestemd. Subsidiair betoogt hij dat de raad zijn perceel buiten het plan had moeten laten.

3.1. De raad stelt dat het gebruik van de woning als burgerwoning reeds in strijd was met het voorheen geldende plan. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad ervoor gekozen de woning van [appellant], in overeenstemming met de reeds lang bestaande planologische situatie, opnieuw als bedrijfswoning te bestemmen. Het bestemmen van deze woning als burgerwoning acht de raad niet wenselijk, onder meer omdat het toekennen van een geluidgevoelige bestemming volgens hem grote belemmeringen oplevert voor de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein. Voor bestaande bedrijfswoningen heeft de raad de bestemming als bedrijfswoning in stand willen laten. De raad heeft daarbij een interne milieuzonering voor het bedrijventerrein in het plan opgenomen, teneinde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de als bedrijfswoning bestemde woningen aan de Van Stolbergweg te waarborgen.

3.2. Ingevolge artikel 1, onder k, van de planregels wordt onder bedrijfswoning verstaan: een woning in of bij een gebouw op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.

Uit artikel 4, lid 4.1, van de planregels volgt dat de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein - Industrie" onder meer zijn bestemd voor bestaande bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning". Uit artikel 4, lid 4.5, van de planregels volgt voorts dat op gronden met deze bestemming wonen anders dan in een bestaande bedrijfswoning niet is toegestaan, behalve wanneer met toepassing van artikel 4, lid 4.4, onder f, een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een nieuwe bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding "sbt-bwt". Uit diezelfde bepaling volgt dat wonen in een bedrijfswoning zonder dat de noodzaak met het oog op de bedrijfsvoering van het bijbehorende bedrijf hiervoor aanwezig is niet is toegestaan.

Voor de woning van [appellant] is op de verbeelding de aanduiding "bedrijfswoning" opgenomen.

3.3. Niet in geschil is dat de woning van [appellant] niet in gebruik is als bedrijfswoning als bedoeld in artikel 1, onder k, van de planregels, nu geen relatie bestaat met een op het industrieterrein gevestigd bedrijf. Evenmin is in geschil dat de woning sinds 1990, toen [appellant] de woning in gebruik heeft genomen, niet als bedrijfswoning in gebruik is geweest.

3.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in het voorheen geldende plan "Oude Bos, partieel Uitbreidingsplan, verlengde Julianalaan" uit 1955, zoals gewijzigd bij besluit van 26 augustus 1976, aan het perceel van [appellant] de bestemming "Industriƫle doeleinden" was toegekend. Op grond van dat plan was het niet toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de daaraan gegeven bestemming. Bij besluit van 22 maart 1977 is een bouwvergunning verleend voor de bouw van een dienstwoning inclusief kantoor op het perceel [locatie]. Gelet hierop kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat het gebruik van de woning als burgerwoning in strijd was met het voorheen geldende plan. Uit artikel 4, leden 4.1 en 4.5, van de planregels volgt dat het gebruik als burgerwoning eveneens in strijd is met het thans ter beoordeling staande plan.

3.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat zich in dit geval omstandigheden voordoen waaruit voortvloeit dat met betrekking tot het - met het vorige plan strijdige - gebruik van de woning als burgerwoning gevestigde rechten of belangen zijn ontstaan die ten onrechte niet bij de vaststelling van het plan zijn betrokken. Verder is niet gebleken dat handhavend optreden tegen het met het plan strijdige gebruik als burgerwoning niet meer mogelijk is, zodat ervan kan worden uitgegaan dat beƫindiging van het gebruik binnen de planperiode mogelijk is. De raad heeft derhalve bij de vaststelling van het plan in redelijkheid geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen aan het feit dat [appellant] de woning reeds sinds 1990 als burgerwoning bewoont. Ook overigens heeft de raad er in redelijkheid toe kunnen besluiten geen woonbestemming toe te kennen aan het perceel van [appellant]. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de woning thans is gelegen op een gezoneerd industrieterrein en dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat het mogelijk maken van een burgerwoning op deze locatie leidt tot beperkingen voor de op het gezoneerde industrieterrein gevestigde of te vestigen bedrijven vanwege de milieubelasting op de woning, dan wel tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van deze burgerwoning.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor het perceel van [appellant] geen woonbestemming in het plan behoeft te worden opgenomen en kan worden volstaan met het toekennen van de aanduiding "bedrijfswoning" aan de woning.

3.6. Voor zover [appellant] subsidiair betoogt dat de raad zijn perceel buiten het plangebied had moeten laten, overweegt de Afdeling het volgende.

Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de raad met het plan heeft beoogd een actuele regeling vast te stellen voor de bedrijventerreinen aan de oostzijde van de kernen Veendam en Wildervank en dat de woning van [appellant] is gelegen op een van deze bedrijventerreinen; bovendien is de woning destijds gebouwd als dienstwoning bij een bedrijf op een van die bedrijventerreinen en was deze in het vorige plan reeds als bedrijfswoning bestemd.

4. Daarnaast betoogt [appellant] dat de bestemming die in het plan aan zijn woning is toegekend een grondslag biedt voor eventuele handhavingsacties. Ook betoogt hij dat de toegekende bestemming leidt tot planschade.

4.1. Zoals hiervoor is overwogen, is het gebruik van de woning als burgerwoning in strijd met het plan. Dit betekent dat tegen dit gebruik in beginsel handhavend kan worden opgetreden. Nu het gebruik als burgerwoning echter ook reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, brengt het plan op dit punt geen verandering teweeg. Uit hetgeen onder 3.5 is overwogen, volgt dat de Afdeling van oordeel is dat de raad in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor voortzetting van een bestemming als bedrijfswoning.

Met betrekking tot planschade overweegt de Afdeling dat hiervoor een aparte procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden bestaat. De Afdeling acht het echter op voorhand niet waarschijnlijk dat [appellant] aanspraak zal kunnen maken op vergoeding van planschade, nu het gebruik van zijn woning als burgerwoning ook op grond van het vorige plan niet was toegestaan.

5. [appellant] voert verder aan dat de regeling in het plan tot gevolg heeft dat zijn woning onvoldoende wordt beschermd tegen stof, geur en geluid afkomstig van de bedrijven op het bedrijventerrein. In dat verband betoogt hij dat op het bedrijventerrein achter zijn woning ten onrechte bedrijven tot en met categorie 2 worden toegestaan. De raad heeft volgens hem de stelling dat bedrijven van deze categorie slechts in zeer geringe mate hinder veroorzaken niet onderbouwd. Vanwege het grote aantal direct aangrenzende burgerwoningen en de ligging nabij het centrum van Veendam zouden volgens [appellant] ter plaatse alleen bedrijven van categorie 1 moeten worden toegestaan.

5.1. De raad stelt dat in het plan een interne zonering is toegepast binnen het gebied met de bestemming "Bedrijventerrein - Industrie" om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen bij de als bedrijfswoning bestemde woningen aan de Van Stolbergweg. Deze interne zonering houdt in dat voor de gronden gelegen tussen de Van Stolbergweg en de Schipperstraat uitsluitend bedrijven worden toegestaan tot en met categorie 2 als bedoeld in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure). Volgens de raad leveren dergelijke bedrijven slechts in zeer geringe mate hinder op voor de omgeving en zijn ze daarom aanvaardbaar in de buurt van woningen. Daarnaast is een geluidverkaveling vastgelegd door middel van een aan het plan gekoppeld zonebeheersplan. Hiermee wordt de maximale geluidbelasting volgens de raad bindend in het plan vastgelegd.

5.2. Bij de beantwoording van de vraag of ter plaatse van de woning van [appellant] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd, dient voorop te staan dat deze woning in het plan als bedrijfswoning, en derhalve niet als burgerwoning, is bestemd en bovendien is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Uit hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen, volgt dat de raad in redelijkheid voor een bestemming als bedrijfswoning heeft kunnen kiezen. Voor een bedrijfswoning op een gezoneerd industrieterrein kan naar het oordeel van de Afdeling in het algemeen een grotere milieubelasting aanvaardbaar worden geacht dan voor een burgerwoning.

In het plan is vastgelegd dat op de percelen tussen de Van Stolbergweg en de Schipperstraat uitsluitend bedrijven zijn toegestaan tot en met categorie 2 als bedoeld in de VNG-brochure. Voor bedrijven van deze categorie worden in de VNG-brochure in verband met geur-, stof- en geluidhinder afstanden van ten hoogste 30 m tot gevoelige functies zoals woningen aanbevolen. Niet gebleken is dat met betrekking tot de woning van [appellant] niet aan deze richtafstanden wordt voldaan.

Ten aanzien van de geluidverkaveling die de raad in het plan heeft vastgelegd, overweegt de Afdeling dat uit de regeling in het plan volgt dat in dit deel van het plangebied een standaard geluidruimte van 50 dB(A) per m2 bedrijfskavel is toegekend. Voor de op het moment van terinzagelegging van het ontwerpplan aanwezige bedrijven, dan wel te vestigen bedrijven waarvoor op dat moment omgevingsvergunningen waren aangevraagd, geldt onder bepaalde voorwaarden een grotere geluidruimte. Daarbij wordt de bestaande geluidruimte gerespecteerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat deze regeling, in samenhang met het in acht nemen van de richtafstanden uit de VNG-brochure, leidt tot een geluidbelasting op de gevel van zijn woning die voor een bedrijfswoning op een gezoneerd industrieterrein niet aanvaardbaar kan worden geacht.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de als bedrijfswoning bestemde woning van [appellant] in het plan onvoldoende wordt beschermd tegen stof-, geur- en geluidhinder vanwege de bedrijven op het bedrijventerrein.

6. [appellant] voert aan dat met het plan de verkeersveiligheid onvoldoende is gewaarborgd en dat ten onrechte in het plan geen onderscheid in typen wegen is gemaakt. Hij betoogt dat in het plan een verkeersveilige situering en regeling had moeten worden opgenomen voor de kruising van de Schipperstraat met de Van Stolbergweg.

6.1. Uit de stukken blijkt dat de kruising van de Schipperstraat en de Van Stolbergweg buiten het plangebied ligt, zodat het plan geen betrekking heeft op deze kruising. Voor zover [appellant] beoogt aan te voeren dat de raad deze kruising ten onrechte buiten de begrenzing van het plan heeft gelaten, overweegt de Afdeling het volgende.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, komt de raad, gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening, in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing ook in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat dit deel van de Van Stolbergweg, de ten noorden daarvan gelegen woonwijk en de kruising met de Schipperstraat zelf geen deel uitmaken van een van deze bedrijventerreinen waarvoor het plan een actuele regeling beoogt te bieden.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ook overigens geen grond voor het oordeel dat de verkeersveiligheid in het plan onvoldoende is gewaarborgd.

7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Teuben

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2012

483.