Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BS8863

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
201012004/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2006 heeft het college de gemeente Leiden onder oplegging van bestuursdwang gelast binnen vier weken een planning voor het onderhoud aan de Vissersbrug, de Poelgeesterbrug en de Kwaakbrug aan het college te sturen en binnen tien dagen een aanvang te maken met de onderhoudswerkzaamheden aan de weg gelegen langs de Haarlemmertrekvaart van de grens van de gemeente Leiden tot de bovenzijde van de betonnen trap bij de Abtspoelweg, waaronder de daaraan gelegen hiervoor genoemde bruggen en de aan de trekvaart gelegen berm. Tevens dient het onderhoud voortvarend te geschieden en dienen alle bruggen binnen een half jaar na aanvang van de werkzaamheden gereed en voor alle verkeer begaanbaar te zijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wegenwet
Wegenwet 15
Wegenwet 16
Wegenwet 50
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/233
JOM 2011/766
NJB 2011/1717
Gst. 2011/111

Uitspraak

201012004/1/H3.

Datum uitspraak: 14 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest (hierna: het college),

2. de gemeente Leiden,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 november 2010 in zaak nr. 09/6462 in het geding tussen:

de gemeente Leiden

en

het college van Oegstgeest.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2006 heeft het college de gemeente Leiden onder oplegging van bestuursdwang gelast binnen vier weken een planning voor het onderhoud aan de Vissersbrug, de Poelgeesterbrug en de Kwaakbrug aan het college te sturen en binnen tien dagen een aanvang te maken met de onderhoudswerkzaamheden aan de weg gelegen langs de Haarlemmertrekvaart van de grens van de gemeente Leiden tot de bovenzijde van de betonnen trap bij de Abtspoelweg, waaronder de daaraan gelegen hiervoor genoemde bruggen en de aan de trekvaart gelegen berm. Tevens dient het onderhoud voortvarend te geschieden en dienen alle bruggen binnen een half jaar na aanvang van de werkzaamheden gereed en voor alle verkeer begaanbaar te zijn.

Bij besluit van 1 juli 2007 (lees: 2008) heeft het college het door de gemeente Leiden daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2009 heeft de rechtbank het door de gemeente Leiden daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 1 juli 2008 vernietigd.

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, het besluit van 22 maart 2006 herroepen voor zover dat betrekking heeft op de laatste 124 meter van de weg langs de Haarlemmertrekvaart tot aan de aansluiting op de Abtspoelweg alsmede op de bermen van de weg en het door de gemeente Leiden gemaakte bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de gemeente Leiden daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 juli 2009 vernietigd en het besluit van 22 maart 2006 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2010, en de gemeente Leiden bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2010, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 21 januari 2011. De gemeente Leiden heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 25 januari 2011.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 17 juni 2011.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wegenwet is het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap verplicht een weg te onderhouden, wanneer dat openbare lichaam die tot openbare weg heeft bestemd.

Ingevolge het tweede lid is het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap verplicht een weg en een in een weg zich bevindende duiker te onderhouden, wanneer dat openbare lichaam die weg of die duiker gedurende tien achtereenvolgende jaren heeft onderhouden, ook al was bij de aanvang van die tien jaren de weg, welke is onderhouden of waarin de duiker is gelegen, nog niet openbaar.

Ingevolge het derde lid behoort tot het onderhoud van een weg als in het eerste en het tweede lid bedoeld, mede het onderhoud van een tot die weg behorende berm of een tot die weg behorende bermsloot, echter slechts voor zover het onderhoud van de berm of de bermsloot dient ten behoeve van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg en voor zover het onderhoud niet, uit welke hoofde ook, tot de verplichting van anderen behoort.

Ingevolge artikel 16 heeft de gemeente te zorgen, dat de binnen haar gebied liggende wegen, met uitzondering van de wegen, welke door het Rijk of een provincie worden onderhouden, van die bedoeld in artikel 17 en van die, waarop door een ander tol wordt geheven, verkeren in goede staat.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, eerste volzin, kan het college het onderhoud van een binnen de gemeente liggende weg ten laste van de gemeente brengen.

Ingevolge het derde lid kunnen zij, die van het onderhoud of het geven van bijdragen tot het onderhoud worden bevrijd, bij het besluit van het college als in het eerste lid bedoeld worden verplicht tot afkoopbare jaarlijkse uitkeringen, welke gezamenlijk niet hoger mogen worden gesteld, dan hetgeen per jaar voor behoorlijk onderhoud werd vereist.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder VII, houdt de legger in de onderhoudsplichtigen van de weg en van de zich daarin bevindende bruggen en duikers.

Ingevolge artikel 50 is hij, die door de legger wordt aangewezen als onderhoudsplichtige van een weg of van een duiker of als verplichte om tot het onderhoud een geldsom bij te dragen, onderhoudsplichtig of verplicht om tot het onderhoud bij te dragen in voege als bij de legger is bepaald, voor zover hij niet bewijst, dat na de vaststelling van de legger of na de wijziging, waarbij de aanwijzing als onderhoudsplichtige of als verplichte om tot onderhoud bij te dragen heeft plaats gehad, de verplichting om te onderhouden of om tot het onderhoud bij te dragen is te niet gegaan of gewijzigd.

2.2. De rechtbank heeft het besluit van 28 juli 2009 vernietigd, omdat de gemeente Oegstgeest en de gemeente Leiden op 17 oktober 2006 een overeenkomst hebben gesloten waarbij is overeengekomen dat de gemeente Oegstgeest de onderhoudswerkzaamheden aan de weg gelegen langs de Haarlemmertrekvaart, de daaraan gelegen bermen en de daarin gelegen bruggen zal uitvoeren en dat de gemeente Leiden aan het college ter uitvoering van die werkzaamheden een bedrag van € 1.250.000,00 zal betalen. Het college kon gelet op deze overeenkomst in redelijkheid, bij afweging van alle betrokken belangen, niet besluiten het besluit van 22 maart 2006 te handhaven, nu in dat besluit de gemeente Leiden is gelast de onderhoudswerkzaamheden uit te voeren, aldus de rechtbank.

2.3. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

Artikel 15 van de Wegenwet regelt de onderhoudsplicht van de gemeente voor wegen die door de gemeente tot openbare weg zijn bestemd. Voorts legt artikel 16 van de Wegenwet aan de gemeente een zorgplicht op voor de binnen haar gebied liggende wegen. Zoals de Afdeling eerder in een zaak waarin het beroep niet (primair) zag op handhaving van de onderhoudsplicht maar op de openbaarheid van de weg heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2007 in zaak nr. 200604909/1), biedt de aan de gemeente in artikel 16 van de Wegenwet opgelegde zorgplicht geen grondslag voor een bevoegdheid van het college tot handhaving met bestuursdwang op de voet van artikel 125 van de Gemeentewet van de onderhoudsplicht van artikel 15 van de Wegenwet. Artikel 16 van de Wegenwet, gelezen in verbinding met artikel 50 van die wet, biedt evenmin een grondslag voor een bevoegdheid van het college tot handhaving met bestuursdwang op de voet van artikel 125 van de Gemeentewet van de onderhoudsplicht van degene die in de legger is aangewezen als onderhoudsplichtige van een weg.

Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit artikel 6:174, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat bij de gemeente de aansprakelijkheid rust voor de openbare wegen ten aanzien waarvan zij dient te zorgen dat ze in goede staat verkeren. Voor zover de gemeente die plicht verzuimt, kan daartegen bij de burgerlijke rechter worden opgekomen. Omdat de burgerlijke rechter dienaangaande een bestendige jurisprudentie heeft ontwikkeld en de onderhoudsplicht voor openbare wegen slechts zelden berust bij anderen dan het Rijk, de provincie of de gemeente waarbinnen die wegen liggen, geniet het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid de voorkeur vraagstukken over het onderhoud van openbare wegen door die anderen eveneens bij de burgerlijke rechter te concentreren. Dit laat onverlet de bevoegdheid van het college om krachtens artikel 20, eerste lid, van de Wegenwet het onderhoud van binnen de gemeente liggende wegen ten laste van de gemeente te brengen en degene die voordien onderhoudsplichtig was krachtens artikel 20, derde lid, van de Wegenwet te verplichten tot betaling voor het onderhoud. Zo’n beslissing is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de artikelen 15 en 16 van de Wegenwet, gelezen in verbinding met artikel 50 van die wet en artikel 125 van de Gemeentewet, geen bevoegdheid bevatten voor het college om handhavend op te treden indien de onderhoudsplichtige van een weg die plicht verzaakt.

2.5. Uit hetgeen hiervoor onder 2.3 en 2.4 is overwogen, volgt dat het college niet bevoegd was tot het opleggen van bestuursdwang. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak maar tot verbetering van de gronden waarop deze rust, nu de gegrondheid van het beroep van de gemeente Leiden, de vernietiging van het besluit van 28 juli 2009 en de herroeping van het besluit van 22 maart 2006 door de rechtbank in stand blijven omdat het besluit van 22 maart 2006 niet mocht worden genomen.

Het hoger beroep van het college van Oegstgeest is ongegrond.

2.6. De Afdeling overweegt verder ambtshalve als volgt.

De gemeente Leiden heeft geen belang bij het door haar ingestelde hoger beroep. Zoals hiervoor onder 2.5 is overwogen, heeft de rechtbank terecht het besluit van 28 juli 2009 vernietigd en het besluit van 22 maart 2006 herroepen. De gemeente Leiden is aldus volledig in het gelijk gesteld. Dat zij vernietiging op andere gronden wenst van het besluit van 28 juli 2009, maakt niet dat zij een verdergaande beslissing van de rechter kan krijgen dan zij reeds heeft gekregen.

Het hoger beroep van de gemeente Leiden is niet-ontvankelijk.

2.7. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de gemeente Leiden niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest een griffierecht van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en dr. M.W.C. Feteris, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011

419-622.