Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2681

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
201009133/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2008 heeft het college aan [appellant] en [mede-exploitant] een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW-vergunning; DHW) voor het uitoefenen van het horecabedrijf "Café Goede Tijden" verleend. Bij besluit van dezelfde datum heeft de burgemeester aan [appellant] en [mede-exploitant] een vergunning verleend voor het exploiteren van het café (hierna: exploitatievergunning).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Drank- en Horecawet
Drank- en Horecawet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2011/42 met annotatie van mw. mr. dr. C. Raat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009133/1/H3.

Datum uitspraak: 27 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 augustus 2010 in zaak nr. 09/1908 in het geding tussen:

[appellant] en [mede-exploitant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht en de burgemeester van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2008 heeft het college aan [appellant] en [mede-exploitant] een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW-vergunning; DHW) voor het uitoefenen van het horecabedrijf "Café Goede Tijden" verleend. Bij besluit van dezelfde datum heeft de burgemeester aan [appellant] en [mede-exploitant] een vergunning verleend voor het exploiteren van het café (hierna: exploitatievergunning).

Naar aanleiding van door omwonenden tegen deze besluiten gemaakte bezwaren heeft het college bij besluit van 24 juni 2009 de DHW-vergunning herroepen en heeft de burgemeester bij datzelfde besluit de exploitatievergunning herroepen.

Bij uitspraak van 13 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] en [mede-exploitant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 november 2010.

Het college en de burgemeester hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J. Hoogendoorn, juridisch medewerker bij Van Boom advocaten, en het college en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S. Ramdoelare Tewari, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3 van de DHW is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, moet voor het verkrijgen van een vergunning worden voldaan aan het bij en krachtens de volgende leden bepaalde.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, mogen leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een vergunning geweigerd indien niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 8 tot en met 10 geldende eisen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Horecaverordening Utrecht 2004 (hierna: de Horecaverordening) is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester (exploitatievergunning).

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, mogen leidinggevenden voor het verkrijgen van een exploitatievergunning niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, weigert de burgemeester de exploitatievergunning:

[…]

b. indien niet is voldaan aan de eisen zoals gesteld in artikel 8;

c. indien voor het horecabedrijf een vergunning op grond van de DHW is vereist en deze is geweigerd;

[…].

2.2. Aan de herroeping van de DHW-vergunning heeft het college, na kennisneming van de ingediende bezwaren van omwonenden, de verslagen van de twee hoorzittingen op 11 november 2008 en 11 maart 2009 en verscheidene processen-verbaal van de politie, ten grondslag gelegd dat [appellant] van slecht levensgedrag is. Daartoe heeft het college opgemerkt dat [appellant] op 9 mei 2008 is aangehouden voor eenvoudige mishandeling, op 24 februari 2007 is aangehouden in verband met betrokkenheid bij een poging tot diefstal en inbraak in een woning in Lopik, op 27 maart 2003 is aangehouden op de openbare weg wegens het rijden onder invloed van alcohol en dat hij in kwade toestand en onder invloed van alcohol op 12 augustus 2000 betrokken was bij een conflict in een bar. Verder heeft het college op grond van mutaties van de politie van 4 november 2008 en de mutatie en het proces-verbaal van bevindingen van 27 december 2008 geconcludeerd dat [appellant] vaak dronken en agressief is. De DHW-vergunning had volgens het college op grond van de mutaties en processen-verbaal van voor en na de vergunningverlening geweigerd moeten worden.

Nu de DHW-vergunning is herroepen, heeft de burgemeester, gelet op het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Horecaverordening, de exploitatievergunning herroepen.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat een bestuursorgaan op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tot een volledige heroverweging van zijn eerdere besluit moet komen op grondslag van het aangevoerde bezwaar. Uit de hoorzitting is volgens de rechtbank gebleken van nadere informatie over de negatieve beïnvloeding van het woon- en leefklimaat door het café. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, anders dan [appellant] en [mede-exploitant] hebben betoogd, het college niet buiten de grondslag van de bezwaren is getreden door de informatie uit de tweede hoorzitting bij de heroverweging te betrekken.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het bestuursorgaan ingevolge artikel 7:11 van de Awb verplicht is aan de hand van de feiten zoals deze zich voordoen op het moment van de heroverweging, te besluiten. Derhalve mocht het college de mutaties van de politie van 4 november 2008 en de mutatie en het proces-verbaal van bevindingen van 27 december 2008 mede bij de heroverweging betrekken, ook al hebben deze incidenten zich pas na de vergunningverlening voorgedaan, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank blijkt uit de verslaglegging van die incidenten door de politie dat [appellant] tweemaal onder invloed van alcohol in het café werd aangetroffen, waarbij het café voor publiek toegankelijk was. Verder blijkt volgens de rechtbank uit het proces-verbaal van bevindingen dat [appellant] zich tegenover de politie gedroeg als leidinggevende. Zodoende zijn de genoemde incidenten tevens van belang bij de besluitvorming, aldus de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in het besluit van 24 juni 2009 genoemde feiten en gedragingen in onderlinge samenhang bezien van een dusdanig gewicht en ernst dat het college op grond daarvan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat [appellant] niet voldoet aan de eis niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn. Gelet op de imperatieve formulering van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW, was het college dan ook gehouden de DHW-vergunning alsnog te weigeren.

Ten aanzien van het herroepen van de exploitatievergunning heeft de rechtbank verwezen naar hetgeen omtrent de herroeping van de DHW-vergunning is overwogen, nu hiervoor hetzelfde toetsingskader geldt. Bovendien moet het feit dat de DHW-vergunning is herroepen, voor de burgemeester op grond van artikel 10, eerste lid, onder c, van de Horecaverordening al aanleiding zijn de exploitatievergunning te weigeren, aldus de rechtbank.

2.4. Hetgeen [appellant] in hoger beroep betoogt betreft louter een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen waarom deze beroepsgronden niet kunnen slagen. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop het oordeel is gebaseerd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011

419-637.