Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200806301/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2006 heeft de raad van de gemeente Meppel (hierna: de raad), voor zover thans van belang, aan [appellant] € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2005 tot de dag van uitbetaling, ter vergoeding van planschade toegekend.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2009/120 met annotatie van J.W. van Zundert
JOM 2009/692
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806301/1/H2.

Datum uitspraak: 29 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 21 juli 2008 in zaken nrs. 07/392 en 07/719 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Meppel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2006 heeft de raad van de gemeente Meppel (hierna: de raad), voor zover thans van belang, aan [appellant] € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2005 tot de dag van uitbetaling, ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij besluit van 4 april 2007 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juli 2008, verzonden op 24 juli 2008, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door ir. R.G. van Popta, en de raad, vertegenwoordigd door G. Brinksma en J. Vos, beiden werkzaam bij de gemeente, en drs. P.A.J.M. van Bragt, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 september 2005 luidde en voor zover thans van belang, kent de gemeenteraad, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 WRO dient te worden onderzocht of een belanghebbende door een wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de gestelde schadeveroorzakende planologische maatregel te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking van die mogelijkheden heeft plaatsgevonden.

2.3. [appellant] is eigenaar van een half-vrijstaand woonhuis met garage, schuur, erf en tuin, gelegen aan de [locatie 1] te [plaats] en van de aansluitend aan zijn woonperceel gelegen percelen weiland, kadastraal bekend gemeente Staphorst, sectie […], nummers […], tezamen groot circa 16.206 m2 hectare. Aan het verzoek om planschadevergoeding heeft hij ten grondslag gelegd dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Berggierslanden (hierna: het bestemmingsplan) op 3 september 2003 tot een waardevermindering van zijn woning en de weilanden heeft geleid.

Op grond van het bestemmingsplan kunnen appartementencomplexen worden gebouwd met een hoogte van 17,6 meter (zes bouwlagen) tot aan de westelijke perceelsgrens, terwijl voorheen de bestemming 'agrarisch gebied' gold. Dit leidt volgens [appellant] tot een bijna volledig verlies aan privacy op zijn perceel en in zijn woning, en eveneens tot een verlies aan uitzicht aan westelijke zijde, een vermindering van zoninval en een verandering van het karakter van de omgeving.

2.4. Niet in geschil is dat [appellant] door de wijziging in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren en dat de daardoor geleden vermogensschade redelijkerwijs niet te zijnen laste behoort te blijven. Aan [appellant] is om die reden € 20.000,00 aan schadevergoeding toegekend.

2.5. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat slechts eenmaal griffierecht verschuldigd was, omdat hij samen met [belanghebbende] één beroepschrift heeft ingediend.

2.5.1. Dit betoog faalt.

Ingevolge artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover thans van belang, wordt van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht geheven. Indien het een beroepschrift ter zake van twee of meer samenhangende besluiten of van twee of meer indieners ter zake van hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd.

[belanghebbende], eigenaar van het perceel [locatie 2] te [plaats], en [appellant] hebben ieder afzonderlijk en ieder voor hun eigen object, respectievelijk bij brieven van 2 augustus 2005 en 23 augustus 2005, een verzoek om planschadevergoeding ingediend. De SAOZ heeft aan de raad in juli 2006 twee adviezen uitgebracht, waarna de raad bij twee afzonderlijke besluiten van 2 november 2006 een beslissing op de verzoeken heeft genomen. Bij brief van 4 april 2007 heeft de raad voor de twee onderscheiden objecten twee afzonderlijke besluiten genomen op de bezwaren van [belanghebbende] en [appellant] tegen de besluiten van 2 november 2006. Weliswaar heeft ir. R.G. Popta namens [belanghebbende] en [appellant] vervolgens één beroepschrift ingediend, maar dit beroepschrift dient als twee afzonderlijke beroepschriften tegen twee afzonderlijke besluiten te worden begrepen. Dat betekent dat de griffier van de rechtbank terecht van [belanghebbende] en [appellant] afzonderlijk griffierecht heeft geheven. Hieraan doet niet af dat de rechtbank de twee zaken in één uitspraak heeft behandeld.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan het advies van de SAOZ zodanige gebreken kleven, dat de raad zijn besluit daarop niet kon baseren en hem niet te volgen in zijn betoog dat de raad te weinig rekening heeft gehouden met de maximaal te realiseren mogelijkheden onder het nieuwe planologische regime, heeft miskend dat een te lage planschadevergoeding is toegekend. Volgens [appellant] komt de vastgestelde planschade van € 20.000,00 overeen met planschade geleden ten gevolge van de bouw van een woonwijk met eengezinswoningen op een afstand van 20 tot 30 meter vanaf het perceel van [appellant] en is deze in vergelijking met andere planschadezaken derhalve te laag vastgesteld.

2.6.1. Dit betoog faalt.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de SAOZ in haar advies van juli 2006 heeft gewezen op de maximale mogelijkheden onder het nieuwe planologische regime, waaronder de omstandigheid dat een deel van de bebouwing een maximale bouwhoogte mag hebben van 17,6 meter en tot aan de perceelgrens mag worden geplaatst. In het advies is eveneens rekening gehouden met de daaraan verbonden nadelige gevolgen voor [appellant] in de vorm van aantasting van privacy, uitzichtverlies, schaduwhinder, vermindering van toetreding van zonlicht, de verandering van de voorheen agrarische omgeving en andere hinder. De SAOZ heeft het planologisch nadeel gekwalificeerd als "zeer zwaar". De SAOZ heeft aan de hand van controlepercentages aangetoond dat de waardevermindering van € 20.000,00 een waardeverschil van ruim 8% ten opzichte van de getaxeerde waarde voorafgaand aan de planologische wijziging betekent, hetgeen past bij de in dit geval gehanteerde kwalificatie. Er zijn geen aanknopingspunten voor de stelling van [appellant] dat de SAOZ bij de maximale invulling van het nieuwe planologische regime de bouw van een woonwijk met eensgezinswoningen op een afstand van 20 tot 30 meter vanaf het perceel van [appellant], voor ogen heeft gestaan en daarop de vergoeding zou hebben afgestemd.

Aan de omstandigheid dat de rechtbank het beroep van [belanghebbende] wel gegrond heeft verklaard, omdat bij de beoordeling van het verzoek om planschadevergoeding onvoldoende rekening is gehouden met de maximale invulling van het nieuwe planologische regime, kan [appellant] geen argument ontlenen. De situatie is immers niet vergelijkbaar; het perceel van [belanghebbende] ligt op een andere locatie en wordt anders dan bij de percelen van [appellant] aan meerdere zijden beïnvloed door de nieuwe planologische situatie.

2.7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de bij de woning gelegen percelen weiland door de raad ten onrechte buiten de beoordeling van het verzoek om planschade zijn gelaten.

2.7.1. Dit betoog faalt eveneens.

In zijn verzoek om schadevergoeding stelt [appellant] dat de waarde van de woning mede wordt bepaald door de direct aansluitende percelen weiland (met nummers 1327 en 1332) en dat deze percelen ten onrechte bij de mogelijke waardevermindering van het woonperceel buiten beschouwing zijn gelaten. Volgens het advies van de SAOZ wordt de waarde van de percelen weiland door andere factoren bepaald dan de factoren die van invloed zijn op de waarde van de woning, omdat op deze percelen geen woonbestemming rust en is de planologische mutatie niet van invloed op de aanwendingsmogelijkheden van deze weidegronden. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat in aanmerking genomen het advies van de SAOZ het aannemelijk moet worden geacht dat de wijziging van de planologische situatie op de aangrenzende percelen geen invloed heeft op de gebruiksmogelijkheden van de percelen weiland zodat deze vanwege het nieuwe bestemmingsplan geen waardevermindering zullen ondergaan. [appellant] heeft volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de gebruiksmogelijkheden zijn verminderd onder het nieuwe regime.

In hoger beroep is niet bestreden dat de gebruiksmogelijkheden van de percelen weiland als zodanig zijn verminderd ten gevolge van de planologische mutatie, maar heeft [appellant] gesteld dat de waarde van de woning positief wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de percelen weiland en de mogelijkheid daarop paarden te houden en een paardenwei bij een woning tot waardevermeerdering van die woning kan leiden. Daarom hadden bij de vaststelling van de waardedaling van zijn grond door de planologische wijziging zijn woonperceel en de percelen weiland als één geheel moeten worden beschouwd. De raad heeft zich onder verwijzing naar een naar aanleiding van deze stelling van [appellant] nader ingewonnen advies van de SAOZ op het standpunt gesteld dat een synergetische verhouding tussen de waarde van de weilanden en de woning, op basis waarvan gesteld zou moeten worden dat de weilanden bij de beoordeling betrokken hadden moeten worden, in dit geval niet aanwezig is. Nu [appellant] zijn stelling niet nader heeft onderbouwd, bestaat geen grond om aan te nemen dat het onderhavige woonperceel en de percelen weiland als één samenhangend geheel in de planologische vergelijking betrokken hadden moeten worden. Derhalve dient in dit geval van de juistheid van het gestelde in het rapport van de SAOZ te worden uitgegaan.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de raad in navolging van de SAOZ terecht de waarde van de percelen weiland niet heeft betrokken in de bepaling van de waardedaling.

2.8. De slotsom is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het advies van de SAOZ zodanige gebreken bevat dat de gemeenteraad zijn besluiten daarop niet kon baseren.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009

299.