Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2663

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200805641/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2004 heeft de raad van de gemeente Margraten (hierna: de raad) het verzoek van [appellanten] (hierna in enkelvoud: [appellant]) om planschadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/689
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805641/1/H2.

Datum uitspraak: 29 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 juni 2008 in zaak nr. 06/782 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van de gemeente Margraten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2004 heeft de raad van de gemeente Margraten (hierna: de raad) het verzoek van [appellanten] (hierna in enkelvoud: [appellant]) om planschadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juni 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2008, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. P.J.M. Brouwers, advocaat te Maastricht, en de raad, vertegenwoordigd door R.J.E. Walta, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 september 2005 luidde en voor zover thans van belang, kent de gemeenteraad, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 WRO dient te worden onderzocht of een belanghebbende door een wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de gestelde schadeveroorzakende planologische maatregel te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

2.3. [appellant] is, voor zover van belang, eigenaar van een perceel, kadastraal bekend gemeente Margraten, sectie […], nr. […] (hierna: het perceel). Het perceel ligt aan de [locatie] te [plaats]. Op het perceel staan een vrijstaande woning en een schapenstal annex berging en bijenwerkruimte (hierna: de schapenstal). Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat wijziging van de bestemming van een deel (1,6 hectare) van het perceel tot waardevermindering ervan heeft geleid. Onder het nieuwe bestemmingsplan 'Heiligerweg' rust op dit deel de bestemming 'natuurgebied' en niet langer de bestemming 'agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden'. Deze bestemmingswijziging heeft volgens hem tot gevolg dat duurzaam agrarisch grondgebruik niet meer is toegestaan en dat de schapenstal niet meer rendeert waardoor deze in waarde is verminderd.

2.4. Het besluit van 21 december 2004 is genomen in afwijking van het advies van de schadebeoordelingscommissie van 15 september 2004, waarin is geadviseerd [appellant] een vergoeding van € 2.500,00 toe te kennen voor de waardevermindering van de schapenstal.

2.5. Het besluit van 7 februari 2006 is genomen op advies van de Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaarschriften (hierna: de commissie) van 8 december 2005. Het advies van de commissie is mede gebaseerd op het advies van de Johan van Oldenbarneveldt Stichting (hierna: de stichting) van 20 oktober 2005.

2.6. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) van 25 februari 2008, overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een vermindering van de agrarische gebruiksmogelijkheden onder het nieuwe plan en dat daarom evenmin sprake is van waardevermindering van de grond. Onder de oude bestemming 'agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden' stond ook de bescherming (herstel en behoud) van de aanwezige natuurwaarden voorop. Intensieve akkerbouw en veeteelt en vestiging van nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven behoorden niet tot de mogelijkheden. Onder de nieuwe bestemming is duurzaam agrarisch grondgebruik, het beweiden door Mergelland schapen en Galloway runderen, zoals toegestaan onder het oude plan, niet uitgesloten. Daar komt bij dat de meest waardebepalende factor van het desbetreffende deel van het perceel niet is gelegen in de agrarische gebruiksmogelijkheden ervan, maar in de omstandigheid dat het onderdeel uitmaakt van een groter woonperceel. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de StAB dat standpunt van de schadebeoordelingscommissie en dat van het advies van de Stichting onderschrijft. Voorts acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de waarde van het perceelsgedeelte onder de nieuwe bestemming gelijk of zelfs hoger is dan de door [appellant] aangegeven waarde onder de oude bestemming.

Ten aanzien van de schapenstal heeft de rechtbank overwogen dat de raad terecht heeft gesteld dat deze onder het overgangsrecht van zowel het oude als het nieuwe bestemmingsplan valt en dat derhalve geen sprake is van een planologische wijziging en dus evenmin van schade als gevolg daarvan.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat onder het nieuwe plan agrarische exploitatie, zoals akkerbouw en veeteelt, van een deel van het perceel niet langer mogelijk is, terwijl het oude regime dit wel toestond. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat onder het oude regime beperkingen golden ten aanzien van de intensiteit van de agrarische bedrijfsvoering, vanwege de aanwezigheid van een dassenburcht en de boomopstand, omdat dit slechts een klein deel van het perceel betrof.

2.7.1. Het betoog faalt. De raad heeft zich onder verwijzing naar de adviezen van de commissie en de stichting terecht op het standpunt gesteld dat de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden onder het oude bestemmingsplan door [appellant] worden overschat en deze niet zodanig zijn gewijzigd dat [appellant] daardoor in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren. De bestemming 'agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden' en de aanwezigheid van kleinschalige landschapselementen, evenals de, ingevolge de Wet op de Flora en Fauna beschermde, dassenburcht beperkten reeds de gebruiksmogelijkheden. Dat gold niet alleen voor het gebied van de burcht zelf, maar ook voor het omringende fourageergebied van de das. Intensieve veeteelt behoorde niet tot de mogelijkheden. Hetgeen wel mogelijk was, begrazing door schapen en runderen van de aanwezige graslanden op het perceel ten behoeve van het behoud van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke en landschapsecologische waarden, is onder het nieuwe regime nog steeds mogelijk. Voorts was het vestigen van nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven onder het oude regime slechts onder voorwaarden en met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid ingevolge artikel 11 van de WRO toegestaan. Van die wijzigingsbevoegdheid is echter nooit gebruik gemaakt, zodat deze, zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in uitspraak van 12 januari 2005 in zaak no. 200402103/1, bij vergelijking van planologische regimes buiten beschouwing dient te blijven.

Ook de bebouwingsmogelijkheden zijn slechts zeer beperkt gewijzigd. Het oude plan stond een voederberging of voederruif voor wild alsmede andere bouwwerken toe ten behoeve van recreatief medegebruik. Het is niet aannemelijk dat het wegvallen van die mogelijkheid tot enig nadeel heeft geleid.

2.8. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte het advies van de StAB heeft gevolgd dat het deel van het perceel met de bestemming natuurgebied zijn hoogste waarde ontleent aan de omstandigheid dat het deel uitmaakt van het perceel, waarop ook de woning staat en dat deze waarde niet door de nieuwe bestemming is aangetast. Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de raad voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van het desbetreffende deel van het perceel onder de nieuwe bestemming gelijk of zelfs hoger is dan de door [appellant] aangegeven waarde onder de oude bestemming.

2.8.1. Dit betoog slaagt evenmin. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het in het advies van de StAB ingenomen standpunt, dat de waarde van het deel van het perceel vooral wordt bepaald door de omstandigheid dat het deel uitmaakt van een groter woonperceel, zowel in het advies van de schadebeoordelingscommissie als in het advies van de stichting, dat mede ten grondslag ligt aan het advies van de bezwarencommissie, als in een brief van 27 februari 2003 van Van Zundert, adviseur van de raad, wordt onderschreven. Hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of zorgvuldigheid van genoemde adviezen. Zijn stelling dat beide delen van het perceel afzonderlijk getaxeerd dienen te worden, vindt geen steun in het recht en ligt in dit concrete geval ook niet in de rede nu de hoogste waarde juist wordt bereikt door grond, woonhuis en opstallen als ensemble te taxeren.

[appellant] heeft in beroep aangevoerd dat de grond onder de oude bestemming als agrarische grond € 5,00 per m2 waard zou zijn, terwijl hij de waarde onder de nieuwe bestemming op € 0,50 per m2 schat. Van de zijde van de raad is er bij brief van 3 oktober 2007 op gewezen dat voor vergelijkbare gronden met de bestemming 'natuur' € 6,81 per m2 is betaald en voorts verklaard dat de gemeente bereid is de desbetreffende grond voor dit bedrag aan te kopen. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht, zij het ten overvloede, overwogen dat de waarde van het desbetreffende deel van het perceel onder de nieuwe bestemming gelijk of zelfs hoger is dan de door [appellant] aangegeven waarde onder de oude bestemming.

Voor zover [appellant] in hoger beroep aanvoert dat het merkwaardig is dat hij bij vrijwillige omzetting van landbouwgrond in natuur naar verwachting € 4,50 per vierkante meter krijgt en dat dit 95% van de geschatte waarde van landbouwgrond is, terwijl hij bij een opgelegde wijziging niets ontvangt, is van belang dat, wat daar ook van zij, een verzoek om planschadevergoeding volgens de criteria zoals die voor planschadevergoeding gelden, wordt beoordeeld en dat de stelling van [appellant] over de te verwachten opbrengst bij vrijwillige omzetting niet afdoet aan het feit dat in dit concrete geval de bestemmingswijziging volgens de criteria die hier gelden niet leidt tot een lagere waarde onder de nieuwe bestemming, maar tot een ten minste gelijke.

2.9. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het overgangsrecht bij het nieuwe plan voortzetting van het gebruik van de schapenstal weliswaar toestaat, maar in beginsel niet bij de planvergelijking moet worden betrokken. Ook gaat de rechtbank er ten onrechte vanuit dat de bestemming van de midden op het deel van het perceel gelegen schapenstal niet is gewijzigd.

2.9.1. Ook dit betoog faalt. Op 23 februari 1996 is bouwvergunning en vrijstelling ex artikel 19 van de WRO verleend voor de schapenstal, derhalve vóór de vaststelling van het bestemmingsplan 'Buitengebied 1996' op 21 juli 1998. De schapenstal is in dit plan niet positief bestemd en viel onder het overgangsrecht. Ook in het nieuwe plan 'Heiligerwerf' is de stal niet positief bestemd en valt deze onder het overgangsrecht. Nu het nieuwe plan in zoverre geen wijziging brengt ten opzichte van het vorige plan, is [appellant] wat het gebruik van de schapenstal betreft met het nieuwe plan niet in een planologisch nadeliger positie komen te verkeren.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Planken

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009

299.