Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3994

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
200803500/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) de Havenatlas gewijzigd door daaraan twee kaarten toe te voegen waarop in totaliteit 33 locaties in het tot Leidsche Rijn behorende gebied Terwijde in Utrecht staan ingetekend als ligplaatsen voor woonboten dan wel waterwoningen (hierna: waterwoningen) en waarop randvoorwaarden, inzake de maximale hoogte van de waterwoning gemeten vanaf de waterlijn, de minimale onderlinge afstand tussen de waterwoningen, de maximale rooilijn, de maximale diepgang van de waterwoning, de maximale afmetingen van de waterwoning en de maximale grootte van het bijbehorende terras, zijn opgenomen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/308 met annotatie van A.T. Marseille
NJB 2009, 520
Gst. 2009, 43 met annotatie van S.A.J. Munneke
JOM 2009/282
JB 2009/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803500/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 april 2008 in zaak nr. 07/2607 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) de Havenatlas gewijzigd door daaraan twee kaarten toe te voegen waarop in totaliteit 33 locaties in het tot Leidsche Rijn behorende gebied Terwijde in Utrecht staan ingetekend als ligplaatsen voor woonboten dan wel waterwoningen (hierna: waterwoningen) en waarop randvoorwaarden, inzake de maximale hoogte van de waterwoning gemeten vanaf de waterlijn, de minimale onderlinge afstand tussen de waterwoningen, de maximale rooilijn, de maximale diepgang van de waterwoning, de maximale afmetingen van de waterwoning en de maximale grootte van het bijbehorende terras, zijn opgenomen.

Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2008, verzonden op 16 april 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Jue, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Roijakkers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.1.1, eerste lid, van de Havenverordening Utrecht 2006 (hierna: de verordening) stelt het college, gehoord de raad, de plaatsen vast waar de verschillende categorieën vaartuigen ligplaats mogen innemen of hebben.

Ingevolge het tweede lid worden de plaatsen aangegeven op kaarten per locatie, zone of gebied en/of per soort vaartuig.

Ingevolge het derde lid kunnen per plaats voorschriften worden gegeven over:

- het aantal;

- de maximale breedte;

- de maximale diepgang;

- de maximale lengte;

- de maximale hoogte boven de waterspiegel;

- de minimale te hanteren afstand tussen de vaartuigen onderling.

Ingevolge artikel 2.1.2 is het, onverminderd het bepaalde in het Binnenvaartpolitiereglement en in de overige artikelen van dit hoofdstuk, verboden om zonder vergunning van het college een ligplaats te hebben of in te nemen met een vaartuig op een plaats, welke niet voor dat soort vaartuig in de Havenatlas is aangewezen.

Ingevolge artikel 2.2.1, eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college met een woonboot ligplaats in te nemen of te hebben in het openbaar water.

Ingevolge het tweede lid zal het college een ligplaats slechts verlenen voor een plaats welke is aangegeven in de Havenatlas.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, is een vergunning als bedoeld in deze verordening persoons-, ligplaats- en vaartuiggebonden; dat wil zeggen dat bij iedere wijziging in een van deze drie omstandigheden een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd bij het college.

Ingevolge artikel 1.1.1 aanhef en onder s, wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder Havenatlas: het geheel van kaarten en daarbij behorende voorschriften en aanwijzingen, vastgesteld overeenkomstig artikel 2.1.1 van deze verordening.

2.2. [appellant], die tegenover twee van de ligplaatsen aan de Jule Stynestraat in Terwijde woont, heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de Havenatlas omdat de beoogde waterwoningen hoger dan vier meter mogen worden, waardoor deze voor hem te nadrukkelijk aanwezig zullen zijn.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de wijziging van de Havenatlas een algemeen verbindend voorschrift is, waartegen ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), geen beroep en derhalve geen bezwaar openstaat.

2.4. [appellant] bestrijdt dit oordeel. Hij voert hiertoe aan dat de wijziging van de Havenatlas geen vaststelling van zelfstandige normen inhoudt. Het gaat om de aanwijzing van een specifiek vastgesteld gebied waarbinnen een concreet aantal ligplaatsvergunningen afgegeven kan worden onder voor deze specifieke locatie vastgestelde voorwaarden, waaronder de afmetingen van de waterwoningen, aldus [appellant]. Omdat de waterwoningen permanent van karakter zijn en de locatie en de afmetingen vaststaan, leent het besluit zich volgens [appellant] niet voor herhaalde toepassing en is het derhalve een concretiserend besluit van algemene strekking.

2.5. Dit betoog faalt. In de wijziging van de Havenatlas is aangegeven voor welke locaties in afwijking van het verbod in het eerste lid van artikel 2.2.1 van de verordening een ligplaatsvergunning voor waterwoningen kan worden verleend. Voorts zijn daarin randvoorwaarden gesteld inzake de maximale hoogte, de minimale onderlinge afstand, de maximale rooilijn, de maximale diepgang, de maximale afmetingen en de maximale grootte van het bijbehorende terras van de waterwoningen. De wijziging van de Havenatlas is aan te merken als een samenstel van op artikel 2.1.1 van de verordening gebaseerde nadere regels, waaraan een aanvraag om een ligplaatsvergunning moet voldoen, welke regels niet besloten liggen in de verordening zelf. Bij wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 4.1.1, van de verordening moet opnieuw een aanvraag om een ligplaatsvergunning worden gedaan. De wijziging van de Havenatlas legt niet zelf de afmetingen vast, maar geeft slechts de bij vergunningverlening in acht te nemen maximale afmetingen. Deze bevat dan ook zelfstandige normen, die zich voor herhaalde toepassing lenen, zodat de wijziging van de Havenatlas als een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb is aan te merken.

2.6. Bij het verlenen van een ligplaatsvergunning op grond van de wijziging van de Havenatlas dienen alle daarbij betrokken belangen - ook van omwonenden - te worden meegewogen. Daarmee bestaat de mogelijkheid de wijziging van de Havenatlas in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van een besluit waarin aan de randvoorwaarden concrete toepassing is gegeven, te toetsen. Het betoog van [appellant] dat hij bij het verlenen van (een van) deze vergunningen geen rechtsbescherming zal hebben, faalt derhalve. Overigens is uit de stukken gebleken en is ter zitting bevestigd, dat voor de waterwoningen aan de Jule Stynestraat thans nog geen ligplaatsvergunningen aan de aannemer van de waterwoningen zijn verleend.

2.7. Tenslotte heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat in deze procedure niet aan de orde kan komen de vraag of voor de geplande waterwoningen op grond van de verordening ligplaatsvergunningen kunnen worden verleend, dan wel of deze woningen zijn aan te merken als bouwvergunningplichtige bouwwerken in de zin van de Woningwet.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Neuwahl

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009

280-497.