Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6061

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
200701063/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 3 EVRM / besnijdenis

De rechtbank heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom de besnijdenis van de zoons van appellante niet kan worden gezien als een ernstige vorm van mishandeling of aantasting van het menselijk lichaam. De klacht is in zoverre terecht voorgedragen. Zij kan echter niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Daargelaten of de besnijdenis van de zoons zou kunnen vallen onder de werkingssfeer van artikel 3 van het EVRM, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat haar zoons bij terugkeer naar Sierra Leone een reëel risico lopen tegen hun of haar wil te worden onderworpen aan een besnijdenis. Derhalve bestaat in zoverre geen grond voor het oordeel dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701063/1.

Datum uitspraak: 23 mei 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellante],

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/31120 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 8 januari 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 januari 2007, verzonden op 11 januari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 februari 2007 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Appellante heeft in haar enige grief, voor zover thans van belang, aangevoerd dat de rechtbank niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de eventuele besnijdenis van haar zoons niet kan worden gezien als een ernstige vorm van mishandeling of een aantasting van het menselijk lichaam, zodat geen sprake is van een onmenselijke, vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Appellante betoogt dat een besnijdenis tegen de wil van de zoons en de ouders wel degelijk een aantasting van hun lichamelijke integriteit oplevert.

2.2. De rechtbank heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom de besnijdenis van de zoons van appellante niet kan worden gezien als een ernstige vorm van mishandeling of aantasting van het menselijk lichaam. De klacht is in zoverre terecht voorgedragen. Zij kan echter niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Daargelaten of de besnijdenis van de zoons zou kunnen vallen onder de werkingssfeer van artikel 3 van het EVRM, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat haar zoons bij terugkeer naar Sierra Leone een reëel risico lopen tegen hun of haar wil te worden onderworpen aan een besnijdenis. Derhalve bestaat in zoverre geen grond voor het oordeel dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

2.3. Hetgeen appellante overigens in het hoger-beroepschrift heeft aangevoerd, heeft zij niet als zodanig in eerste aanleg naar voren gebracht. Dat dat voor het eerst in hoger beroep gebeurt, verdraagt zich niet met het bepaalde in artikel 85 van de Vw 2000. Uit deze bepaling volgt dat de grieven in hoger beroep moeten blijven binnen de beoordeling van het bestreden besluit die de rechtbank heeft gegeven, danwel, gelet op de daartegen voor haar aangevoerde gronden en de door haar te verrichten ambtshalve toetsing, behoorde te geven. In zoverre is geen sprake van een grief in de zin van voormeld artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000 en daarmee niet voldaan aan het bepaalde in het eerste lid van dat artikel.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens

Voorzitter w.g. Van Helvoort

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007

361

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak